English Abstract In 1994, 123 duplicate portions of 24-hour diet were
collected by a selected group of consumers which statistically best reflect
the adult Dutch population. Each duplicate diet was homogenised after which
subsamples were lyophilised for analysis. The content of copper in the
lyophilised material was assessed by pressurised decomposition of sample
portions followed by flameless atomic absorption spectrometric measurements
with Zeeman background correction. In comparison with two identical studies
performed in 1976/1978 and in 1984/1985 the mean content of copper in the
duplicate 24-hour diets decreases. Consumption of larger amounts of diet in
1994 results in a similar daily copper intake by men and only a slight
reduction by women. In 1994 the male participants had a daily dietary
intake of copper that ranged from 0.45 to 4.24 mg with a mean value of
1.40 mg (n=60). Female participants consume less diet with a higher
moisture content which partly explains the less mean intake of copper of
0.99 mg (n=63) ranging from 0.51 to 1.90 mg (n=63). The overall intake
of copper found in this study is 1.19 mg on average ranging from 0.45 to
4.24 mg. The Netherlands Food and Nutrition Council established the
adequate and safe range of daily intake of copper for adults to be 1.5 -
3.5 mg. Only one 24-hour diet contains more than 3.5 mg of copper,
whereas 96 (78%) of the diets result in an insufficient daily intake. In
this study 41 (68%) males and 55 (87%) females have a daily intake less than
1.5 mg copper.
Rapport in het kort
In 1994 zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen
verzameld door een geselecteerde groep consumenten die statistisch een zo
getrouw mogelijke afspiegeling van de Nederlandse volwassen bevolking
vormde. Elk duplicaat werd gehomogeniseerd waarna deelporties zijn
gevriesdroogd. Het gehalte aan koper in het gevriesdroogde materiaal is
bepaald door analyseporties te ontsluiten in een drukvat gevolgd door
metingen met vlamloze atoomabsorptie met Zeeman achtergrondcorrectie. Ten
opzichte van de twee voorgaande, vergelijkbare studies in 1976/1978 en in
1984/1985 is het gemiddeld gehalte aan koper in de voedingen afgenomen.
Consumptie van de grotere hoeveelheid voeding in 1994 leidde tot een
vergelijkbare dagelijkse koperinname bij mannen en een marginale afname bij
vrouwen. In 1994 was de dagelijkse inname aan koper van mannen gemiddeld
1,40 mg (n=60) met een bereik van 0,45 tot 4,24 mg. Deze is duidelijk hoger
dan die van vrouwen, die gemiddeld 0,99 mg (n=63) bedroeg met een bereik
0,51 tot 1,90 mg. Deels kan dit verklaard worden door het feit dat vrouwen
gemiddeld minder voeding consumeren met een relatief hoger vochtgehalte. In
deze studie is door de respondenten per 24 uur gemiddeld 1,19 mg koper
ingenomen met een bereik van 0,45 tot 4,24 mg. Als adequaat gebied van
koperinname heeft de voormalige Voedingsraad voor volwassenen hoeveelheden
van 1,5 - 3,5 mg vastgesteld. Slechts een 24-uurs voeding bevatte meer dan
3,5 mg koper terwijl van 96 (78%) respondenten de koperinname te laag was.
Uit deze studie blijken 41 (68%) mannen en 55 (87%) vrouwen minder dan 1,5
mg koper te hebben ingenomen.