Gezamelijke lessen

  • Meten is meer weten; er blijven ook vragen. Meten en het duiden van de resultaten is complex.
  • Samen meten, het open delen van gegevens en een onafhankelijke deskundige partij die helpt bij het duiden van de gegevens, leveren een goede basis voor vertrouwen in de meetresultaten, betrokkenheid en overleg.
  • Met de huidige sensortechnieken kan enig inzicht verkregen worden in luchtkwaliteit. Het is ook duidelijk geworden dat er nog veel onmogelijk is. Doorontwikkeling is nodig om te komen tot regulier inzetbare, betaalbare sensoren die met hoge tijdsresolutie betrouwbaar kunnen meten.
  • Luchtkwaliteit wordt bepaald door verontreinigende stoffen in de lucht, waarvan niet alleen de veehouderij de bron is. Om luchtkwaliteit te verbeteren zijn maatregelen nodig voor verschillende type bronnen (bijvoorbeeld ook: verkeer, industrie en houtstook) en schaalniveaus (lokaal, nationaal en internationaal). 
  • Geurhinder staat los van vervuiling door fijnstof, vindt meer lokaal plaats en kan meer in verband gebracht worden met een specifiek bedrijf of een cluster van veehouderijen.  
  • Geurhinder is de belangrijkste oorzaak voor spanningen tussen boeren en omwonenden. Dit heeft door beperkingen in meetmethoden niet de gewenste aandacht gekregen. Het is belangrijk om in opvolgende of nieuwe projecten in te zetten op geur. Daarvoor zijn andere geur-meetmethoden nodig. 
  • De inzet, betrokkenheid en continuïteit van deelnemers en partijen bepalen in sterke mate het verloop en slagingskans van een meetproject in deze vorm. 
  • In de periode dat er samen gemeten is, zijn verschillende dingen gebeurd die spanningen tussen deelnemers veroorzaken of vergroten. Daarop moet in dit soort projecten steeds worden geanticipeerd. 
  • Van een project als Boeren en Buren mag niet verwacht worden dat spanningen helemaal verdwijnen of er alom begrip voor de ander ontstaat omdat er (blijvende) tegenstrijdige belangen spelen.
  • Boeren en Buren heeft gelegenheid geboden om met deelnemers in gesprek te zijn over de metingen, over wat men belangrijk vindt als het gaat om de veehouderij en over oplossingsrichtingen. Welke invloed het project daadwerkelijk op vertrouwen en begrip tussen de veehouders, omwonenden en gemeente heeft, wordt nog onderzocht door het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Die les volgt later (2022).

Lessen per deelnemende partij

RIVM

Metingen

  • De fijnstofsensoren (type SDS011) en de kalibratie van de sensoren werken niet onder alle omstandigheden even goed. We zijn daarom terughoudend met het duiden van absolute waarden van individuele sensoren. We kijken meer op een relatieve manier: hoe varieert de concentratie in de tijd en in de ruimte (bijvoorbeeld: hoe snel neemt de concentratie af naarmate je verder van een bron af gaat?). 
  • Uit stallen komen vooral grovere deeltjes fijnstof (tussen 2,5 en 10 micrometer). De fijnstofsensoren kunnen de grootste deeltjes daarvan niet meten. We weten niet precies welk deel, maar de verhoogde metingen PM10 fijnstof (fijnstof kleiner dan 10 micrometer) nabij de leghennenstallen tonen aan dat ze op zijn minst een deel ervan kunnen meten. Dat maakt de sensoren geschikt om een eventueel signaal van veehouderijen op te pikken. 
  • In vergelijking met andere regio’s in Nederland lijkt de kalibratie van fijnstofsensoren in de buurt van het officiële station Vredepeel minder goed te werken. We weten niet precies waar dat aan ligt, maar variatie in luchtvochtigheid in de regio zou een rol kunnen spelen. In een eventueel vervolgproject is het goed om ook bij station Hoogheide (Horst aan de Maas) sensoren te plaatsen voor een betere kalibratie.
  • De metingen van fijnstof geven weinig inzicht in lokale bronnen: alleen als de meting (zeer) dicht op een bron wordt uitgevoerd geven de sensoren een verhoogd signaal. Dat geldt voor stallen, maar naar verwachting ook voor bijvoorbeeld houtkachels.
  • De metingen van stikstofdioxide en ammoniak duiden de grootste groep bronnen wel (stikstofdioxide: wegverkeer; ammoniak: veehouderijen), maar individuele bronnen zoals stallen zijn niet te onderscheiden.
  • De experimentele geurapp was beperkt succesvol. Het vraagt (te) veel van mensen om meldingen te (blijven) maken. Deelnemers geven aan dat hun grootste zorg, namelijk geurhinder, daardoor niet de gewenste aandacht in dit project heeft gekregen. Voor een vervolg zijn andere methoden nodig dan alleen de geur-meldapp (denk bijvoorbeeld aan met enige regelmaat rapporteren van ervaren gezondheid/welbevinden).

Proces

  • Deelnemers toonden zich bereid om een jaar lang metingen uit te voeren, met name de vijf deelnemers die maandelijks de meetbuisjes voor stikstofdioxide en ammoniak verwisselden. 
  • We hebben in dit project met veel deelnemers op veel locaties veel stoffen gemeten: fijnstof, ammoniak, stikstofdioxide en dan ook nog een geurapp ontwikkeld en uitgeprobeerd. Nooit eerder is in een gebied met intensieve veehouderij op zoveel plaatsen gemeten. Het maakt dit een uniek, veelomvattend project. Dat er zoveel over te zeggen en uit te leggen valt, maakt het ook lastig behapbaar voor de deelnemers. Meer focus kan een vervolgproject helpen het beter behapbaar te maken.
  • Een onafhankelijke deskundige partij (zoals het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) is nodig om meetgegevens verzameld door boeren en burgers te helpen duiden. Het is niet realistisch te verwachten dat deelnemers de gegevens zelf voldoende kunnen interpreteren. 
  • Het is lastig om verwachtingen t.a.v. meetresultaten vooraf realistisch te maken (meten is iets meer weten) terwijl er een leerproces nodig is om te begrijpen waarom meten en duiden van de resultaten complex is en niet simpelweg een goed/fout antwoord opleveren.
  • Het is erg leuk en leerzaam, maar soms ook moeilijk om het project met alle betrokken deelnemers,  belangen en emoties, goed te organiseren. Als RIVM komen we zo echt in contact met boeren, burgers en ambtenaren en leren we over hun situatie. 
  • Het RIVM had meerdere rollen in het project: projectleider, onafhankelijk deskundige en onderzoeker. Soms was het lastig rollen te scheiden. Voor een eventueel vervolg is het aan te bevelen om de projectleidersrol door een ander te laten uitvoeren.
  • Een klankbordgroep met vertegenwoordigers van de deelnemende partijen, het naar elkaar uitspreken van gezamenlijke en afzonderlijke belangen en het tijd nemen voor de voorbereiding om tot een gezamenlijke aanpak te komen hebben geholpen om dit project goed te kunnen uitvoeren.
  • We doen onderzoek naar de invloed van het project op vertrouwen tussen de veehouders, omwonenden en gemeente. In de periode dat er samen gemeten is, zijn meer dingen gebeurd die zorgen voor onderlinge spanningen en zo de relatie tussen de deelnemers beïnvloeden. Daarom nemen we de steeds veranderende context mee in het onderzoek. De resultaten volgen in 2022.
  • Wat de uitkomst van dat onderzoek ook wordt, het project heeft in ieder geval gelegenheid geboden om met elkaar in gesprek te zijn over de metingen, over wat men belangrijk vindt als het gaat om de veehouderij en over oplossingsrichtingen. 
  • Oplossingsrichtingen voor luchtkwaliteit en hinder kunnen ook gevolgen hebben voor criteria als natuur & milieu, dierenwelzijn, de financiële situatie van de boer, sfeer in de gemeenschap en transparantie. Om de effecten op deze criteria in beeld te brengen is het waardevol om de inschattingen  van milieu- en gezondheidsdeskundigen en die van de boeren en omwonenden samen te brengen. 
  • Om te komen tot oplossingen moeten belangen en waarden afgewogen worden. Het RIVM is daar geen partij in.

Gemeente Venray

  • Er is een flinke stap gezet gelet op de bedoeling van het project: 
    • 1. om onze beleving en keuzes met betrekking tot luchtkwaliteit meer te kunnen toetsen aan metingen en
    • 2. om een duidelijker beeld te krijgen bij de vraag of metingen berekeningen kunnen aanvullen/verbeteren of misschien wel vervangen.
  • ‘Meten is weten’ blijkt nog niet haalbaar maar wel ‘meten is meer weten’.
  • We weten nu beter wat de gebruikswaarde van een sensor is, waarbij verdere technologische ontwikkelingen gewenst zijn (huidige apparatuur is te bewerkelijk voor reguliere en brede toepassing)  
  • We hebben een beeld van de fijnstof deken over onze gemeente/regio.
  • Bij luchtkwaliteit kunnen we veel nog niet meten met een breed en praktisch  inzetbare sensor (zoals stikstofdioxide, geur en ammoniak in de buitenlucht).
  • Aansluiting op het dataportaal https://samenmeten.rivm.nl/dataportaal/  gaf veel voordelen (praktisch, voorkomt dat je als gemeente dit moet faciliteren, landelijk/regionaal toegankelijk, openbaar).
  • Het interpreteren van meetgegevens is lastig, maar niet onmogelijk.
  • Goede onafhankelijke projectbegeleiding is gewenst.
  • Het vergt kennis om over meetresultaten goed en zorgvuldig te kunnen communiceren (evenals voorgaande uitstekend ingevuld door RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).
  • Door zelf (alle belanghebbenden zowel de boeren als de buren) te laten meten is er meer gevoel en vertrouwen ontstaan in de resultaten.
  • De inzet en bereidwilligheid van deelnemers bepalen in sterke mate de slagingskansen van een meetproject in deze vorm (in dit project grote betrokkenheid en bijdrage deelnemers, GLV en LLTB).
  • Corona gaf beperkingen en vertraagde de afronding van het project (het speelt mogelijk ook een rol in de enigszins afnemende betrokkenheid van deelnemers in de latere fasen van het project).
  • Er is nog een lange weg te gaan maar de trend naar meten lijkt ingezet.

LLTB (Limburgse Land- en Tuinbouwbond)

  • Sensortechniek biedt ondernemers en omwonenden inzichten in concentraties en het verloop van de concentraties met de afstand tot de stal.
  • Doorontwikkeling van sensortechnieken is belangrijk.
  • Sensortechnieken zijn niet de oplossing maar dragen bij aan het zoeken naar oplossingen.
  • Kennis van data is zeer belangrijk om de data te kunnen verklaren.
  • Transparantie vanuit data aangeleverd door sensortechnieken levert een goede basis voor overleg met de omgeving.

GLV (Gezond leefmilieu Venray)

  • Wetenschap levert feiten, geen keuzes. Vanaf het begin heeft het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, onafhankelijk leider van het project Boeren & Buren, duidelijk gemaakt dat zij samen met deelnemers de lucht gingen meten (fijnstof, stikstofdioxide en ammoniak) met de daarvoor beschikbare middelen en mensen, in samenwerking met boeren (LLTB), buren (omwonenden, GLV), Gemeente Venray en de provincie Limburg. Naast onderzoek naar die gegevens onderzoekt het RIVM onderling vertrouwen. Expliciet is aangegeven dat het doel níet was een oplossing te vinden voor (eventueel) geconstateerde vervuiling. Door deel te nemen aan dit project zijn we ons daar steeds meer van bewust geworden. De kennis die dit project ons heeft opgeleverd, namelijk dat het qua fijnstof in heel Venray nagenoeg even ”goed” of even “slecht” is, is een gegeven. De keuze om daar wel of niet beleid op te maken, valt buiten het project Boeren en Buren.
  • Kennis zou moeten leiden tot aangepaste besluitvorming van de overheid, en hopelijk tot maatschappelijk verantwoord ondernemen waarbij geen schade wordt aangericht aan milieu en natuur.
  • Emissies van fijnstof vinden plaats vanuit bedrijven, waar in dit project verhogingen zijn geconstateerd, maar ze gaan voor een groot deel op in de totale deken van fijnstof, waar ze natuurlijk wel aan bijdragen. Stankoverlast staat relatief los van vervuiling door fijnstof.
  • Naast de luchtkwaliteit wat betreft fijnstof, stikstof en ammoniak, speelt vooral “geurhinder” (in onze ogen de stankoverlast) een rol. Dat geur niet met sensoren gemeten kon worden en dat de geur-meldapp maar door weinig deelnemers is gebruikt, wil niet zeggen dat er geen hinder is. Juist geurhinder tast het woongenot aan van buren van de boeren en is vaak de belangrijkste aanleiding voor spanningen tussen boeren en burgers.
  • Stankoverlast is meer plaatsgebonden en kan meer in verband gebracht worden met een specifiek bedrijf, of cluster van veehouderijen. Dit is met name zo in de door de Gemeente Venray als zodanig aangemerkte overbelaste gebieden.
  • Het project kan geen antwoord geven op de vraag: Wat doet stank met omwonenden?
  • GLV voelt het belang van continuïteit doordat de wisseling van zowel wethouder, als wisselingen bij de Provincie en bij het RIVM, het gevoel van betrokkenheid geringer maakten.

Provincie Limburg

  • Het project heeft goede inzichten gegeven in hoe meettechnieken ingezet kunnen worden om emissies/overlast uit de veehouderij te kwantificeren (gebruikmakend van de nu beschikbare technieken).
  • Het is gebleken dat er veel mogelijk is, maar dat er ook nog veel onmogelijk is;
  • Er zal verder gewerkt moeten worden in de ontwikkeling van sensoren om verder te komen tot realistische metingen, waarbij geur een belangrijke factor is bij het ervaren van overlast door de omgeving (je ruikt het).
  • Het proces (overigens keurig begeleid door het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) is voor zover wij dat kunnen beoordelen in alle openheid verlopen in goede dialoog. Begrip creëren voor elkaars situatie is een belangrijke component van het project. Begrip levert overigens nog geen oplossing voor de ervaren problemen, maar voorkomt verdere tegenstelling.   
  • Emotie is in dergelijke projecten niet uit te sluiten. In het kader van verwachtingsmanagement is het belangrijk om een aantal mogelijke scenario’s (hypotheses) vooraf door te nemen en te kijken hoe er op deze scenario’s gereageerd wordt door de groep.
  • Er hangt veel in de lucht, dit maakt het lastig om dit aan een bepaalde bron te koppelen. Zeker op verdere afstand van een specifiek bedrijf
  • Richting toekomstige projecten zal er wellicht verschil aangebracht moeten worden tussen luchtkwaliteit en geurhinder. Luchtkwaliteit richt zich op een aantal stoffen die in de lucht aanwezig zijn, waarbij niet alleen veehouderij veroorzaker van is. Hinder (geur) is veel meer plaatsgebonden en kan vaak wel gerelateerd worden aan een specifiek bedrijf of cluster van veehouderijen.
  • Hierbij kan ook meer ingezet worden op geur en bedrijfsmanagement; bij welke handelingen is er kans op geurhinder en hoe kan door aanpassingen in bedrijfsmanagement de ervaren hinder dan zo klein mogelijk blijven? Informeren over mogelijke geurpieken is hierbij ook een instrument.
  • Verdere onderzoeken naar mogelijke oorzaken van geur uit veehouderij om deze mogelijk weg te nemen zijn noodzakelijk. Dit is wel meer fundamenteel onderzoek dat niet binnen de scope van dit project (en opvolgingstrajecten) gerealiseerd zal worden.  
  • Al met al een succesvol project dat misschien niet heeft opgeleverd wat vooraf gedacht werd, maar wel heel veel inzichten heeft opgeleverd en de basis heeft gevormd voor opvolgingsprojecten.