Wereldwijd zijn er relatief weinig kinderen gemeld met COVID-19, de ziekte die wordt veroorzaakt door het nieuwe coronavirus. Ook in Nederland spelen kinderen een kleine rol in de verspreiding van het nieuwe coronavirus. De meeste verspreiding vindt plaats onder volwassenen en van volwassen familieleden naar kinderen. Verspreiding van COVID-19 onder kinderen of van kinderen naar volwassenen komt minder vaak voor. Daarom gelden voor kinderen andere adviezen dan voor volwassen.

Afstand tussen kinderen onderling

De 1,5 meter maatregel voor kinderen is versoepeld, omdat zij een kleine rol spelen in de verspreiding: 

  • Kinderen tot en met 12 jaar hoeven onderling én tot volwassenen geen 1,5 meter afstand te houden. Dit geldt ook op de kinderopvang en het basisonderwijs.
  • Jongeren van 13 tot 18 jaar hoeven onderling ook geen 1,5 meter afstand te houden maar wel tot anderen (volwassenen). Dit geldt voor alle leerlingen (ongeacht leeftijd) op de middelbare scholen. 
  • In het MBOmiddelbaar beroepsonderwijs middelbaar beroepsonderwijs  middelbaar beroepsonderwijs  en hoger onderwijs houden alle leerlingen 1,5 meter afstand tot elkaar, ongeacht hun leeftijd.
  • Volwassenen spelen een grotere rol in de verspreiding van het nieuwe coronavirus. Daarom moeten zij wel steeds 1,5 meter afstand tot elkaar houden. 

Jonge kinderen met verkoudheidsklachten mogen naar kinderopvang en basisschool

Kinderen van 0 tot 4 jaar met neusverkoudheid mogen naar het kinderdagverblijf of gastouderopvang, als zij geen koorts hebben. En kinderen die in groep 1 of 2 zitten van de basisschool mogen met verkoudheidsklachten naar school en naar de buitenschoolse opvang, als zij geen koorts hebben.  

Dit geldt niet als:

  • Kinderen contact hebben gehad met een patiënt die het nieuwe coronavirus heeft.
  • Er iemand in het huishouden van het kind is met koorts of benauwdheid. 

Het kind moet dan thuisblijven en het is belangrijk om het kind te laten testen*. 

Kinderen die  hoesten, benauwd zijn of andere klachten hebben die bij COVID-19 kunnen passen, moeten thuisblijven tot de klachten over zijn. Kinderen kunnen op verzoek van de ouders getest worden. Neem contact op met de huisarts als je kind ernstige klachten heeft. 

Het is bekend dat jonge kinderen vaak verkouden zijn. Maar het aantal kinderen dat besmet raakt met het nieuwe coronavirus is laag.  In de eerste twee weken van juni 2020 zijn 3.500 kinderen met klachten getest tussen de 0 en 6 jaar. Van deze kinderen was 0,5% positief. Bij kinderen die in diezelfde periode zijn getest omdat ze in contact waren geweest met een COVID-19-patiënt, lag het aantal besmettingen hoger; 14,3%.

Voorkom verspreiding van het virus op scholen

Om ervoor te zorgen dat de verspreiding van het nieuwe coronavirus zo laag mogelijk blijft, is het belangrijk dat hier de maatregelen worden opgevolgd: 

  • Heb je milde klachten, zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn, lichte hoest of verhoging tot 38 graden Celsius? En/of heb je plotseling verlies van reuk of smaak? Laat je testen* en blijf thuis tot de uitslag van de test bekend is.  
  • Als je koorts en/of benauwdheid hebt, moet iedereen in het huishouden thuisblijven.
  • Pas goede hygiëne toe (was vaak je handen met water en zeep, hoest en nies in de binnenkant van je elleboog, gebruik papieren zakdoekjes om je neus te snuiten en gooi ze daarna weg). 

* Let op: kleine kinderen die verkouden zijn hoeven niet altijd getest te worden.
Testen is nodig als zij:

  • een contact zijn van iemand die besmet is met het nieuwe coronavirus
  • deel uitmaken van een uitbraakonderzoek
  • andere klachten hebben die bij het nieuwe coronavirus passen. 

Meer informatie vind je op de website van de Rijksoverheid.

 

Onderzoek naar de rol van kinderen in verpreiding van het virus

Omdat het virus nog nieuw is, doen we veel onderzoek om meer over het virus te weten te komen. Zo doen we onder andere onderzoek naar de rol van kinderen in de verspreiding van het virus. Lees hieronder meer over wat het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu doet, hoe we tot deze conclusies komen en wat dit concreet betekent.

Wat doet het RIVM?

Nadat de eerste landelijke maatregelen zijn ingesteld, ontstond er een maatschappelijke discussie over het wel of niet sluiten van scholen. Hoewel de rol van kinderen bij de verspreiding van COVID-19 toen al beperkt leek, waren er veel onzekerheden. Het RIVM doet daarom verschillende onderzoeken naar de rol van kinderen bij de verspreiding. Het RIVM:

  • bestudeert in detail de meldingen van COVID-19 patiënten die de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en in Nederland doen.
  • onderzoekt samen met Nivel-peilstations de registraties van huisartsen over patiënten met griepachtige klachten die getest worden op COVID-19.
  • doet onderzoek onder Nederlandse COVID-19 patiënten en hun gezinscontacten
  • nam bij meer dan 2000 mensen bloed af om dit te testen op antistoffen tegen COVID-19, dit is de eerste fase van de zogenoemde PIENTER Corona studie.
  • houdt relevante literatuur over kinderen en COVID-19 bij. Het gaat hier ook om onderzoeken die in andere landen zijn uitgevoerd.

Gegevens van GGD'en

Op basis van de meldingen van GGD’en blijkt dat kinderen van 0-17 jaar 1,3% van alle gemelde patiënten met COVID-19 vertegenwoordigen, terwijl zij 20,7% van de bevolking uitmaken. Van alle in het ziekenhuis opgenomen gemelde patiënten is 0,6% van de kinderen jonger dan 18 jaar. Er zijn geen meldingen van kinderen die aan COVID-19 zijn overleden.
Sinds 1 juni 2020 kunnen alle Nederlanders met (milde) klachten getest worden op het coronavirus. Uit gegevens van de GGD-teststraten blijkt dat tussen 1 en 25 juni ruim 16.500 testen zijn afgenomen bij kinderen tot en met 12 jaar, hiervan was 0,3% positief. Van ruim 4.800 testen afgenomen bij kinderen van 13 tot en met 18 jaar was 1,4% positief.  In dezelfde periode zijn bijna 14.000 mensen die werkzaam zijn in het onderwijs of kinderopvang zijn getest. Van deze testen was 0,5% positief. Dit percentage is lager dan het totaal van 1,3% bij alle mensen getest in de teststraten in deze periode.

Figuur: resultaten GGD-teststraten van medwerkers kinderopvang en PO

Resultaten GGD-teststraten van medewerkers kinderopvang en primair onderwijs 

Verspreiding tussen leeftijdgenoten

Verspreiding tussen leeftijdgenoten

Bij melding van een COVID-19 patiënt kan ook worden gemeld welke andere patiënt een waarschijnlijke bron van de infectie is. Deze gegevens laten zien dat verspreiding van COVID-19 vooral plaatsvindt tussen personen van ongeveer dezelfde leeftijd. Onderstaand wordt bij 693 gepaarde patiënten de leeftijden weergegeven van zowel de bronpatiënt als de patiënt die door hem of haar besmet werd (geïnfecteerde). De overdracht van het virus blijkt vooral plaats te vinden mensen van ongeveer dezelfde leeftijd, en minder tussen ouders en kinderen (van alle leeftijden).

transmissionpairs

 

Op basis van bron- en contactopsporing uit het begin van de epidemie zien we dat van de 43 nauwe contacten van 10 COVID-19 patiënten <18 jaar met niemand ziek werd, terwijl dit 8,3% (55/566) was bij nauwe contacten van 221 patiënten ≥18 jaar. Nu bron- en contactopsporing weer grootschalig is opgestart, kunnen we deze informatie in de zomer actualiseren met recente gegevens. 

Besmette contacten naar leeftijd

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

Besmette contacten naar leeftijd

Sla de grafiek over en ga naar de datatabel

In het begin van de epidemie voerden alle GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst’en bron- en contactonderzoek uit. Zij hielden bij hoeveel contacten van een bronpatiënt ook geïnfecteerd raakten. De bovenste grafiek laat de absolute aantallen zien (wel/niet geïnfecteerd) van geïnfecteerde contacten naar leeftijd van de bronpatiënt. De onderste grafiek laat zien hoeveel procent van de contacten ook besmet raakten, naar leeftijdsgroep van de patiënt. Bronpatiënten in de leeftijdsgroepen onder de 18 jaar die hier gevolgd werden, infecteerden geen anderen.

Geen besmette kinderen

Geen besmette kinderen in huisartsenpraktijken

Rond de 40 huisartsenpraktijken in Nederland registreren het aantal patiënten dat de praktijk bezoekt vanwege griepachtige klachten, de Nivel-peilstations. Bij een deel van deze patiënten wordt een neus- en keelwat afgenomen die in het laboratorium worden onderzocht op aanwezigheid van virussen, waaronder COVID-19. In totaal was 6,5% van hen besmet. Dit percentage was het hoogst in week 14 met 30%. Bij geen van de 137 patiënten onder 20 jaar die getest zijn (gegevens tot eind april 2020), is een besmetting aangetroffen. Dit bevestigt het beeld dat kinderen minder snel besmet en ziek worden dan volwassenen.

COVID-19 in Nederlandse huishoudens

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft in korte tijd een onderzoek opgezet om meer te weten te komen bij besmette COVID-19 personen en hun gezinscontacten. In samenwerking met GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst Utrecht namen gezinnen deel aan dit onderzoek. In totaal deden er tot half april 54 huishoudens mee met 239 deelnemers, waarvan 185 huisgenoten. In deze gezinsstudie werd bij geen van de 54 gezinnen aanwijzingen gevonden dat een kind <12 jaar de bron was van COVID-19 binnen het gezin. Het eerste deel van de studie is inmiddels afgerond. Het tweede gedeelte van het onderzoek loopt nog. Daarbij gaat het RIVM kijken naar verspreiding binnen gezinnen na een diagnose van COVID-19 bij een kind. Zo kunnen we nog beter bestuderen hoe vaak een infectie bij kinderen leidt tot verdere verspreiding van het virus. 

Antistoffen in bloed komt weinig voor

Het doel van de PIENTER Corona studie is om inzicht te krijgen in doorgemaakte infectie en opbouw van antistoffen in de Nederlandse bevolking, in verschillende leeftijdsgroepen. Voor dit PIENTER Corona onderzoek zijn begin april 6.100 deelnemers uitgenodigd om mee te doen. Begin juni wordt deze deelnemers plus aanvullende deelnemers gevraagd om de komende 1,5 jaar tot 6 keer zelf vingerprikbloed af te nemen. Met deze metingen is het mogelijk om de verspreiding van COVID-19 en de verandering in opbouw van antistoffen in de bevolking naar leeftijdsgroepen te volgen.

Grafiek die lijn toont hoeveel % seropositief is per leeftijdgroep (jaren)

Tot 17 april zijn er vingerprikbloedjes van 2.096 personen onderzocht. De eerste resultaten laten zien dat bij 3,6% van deze personen daadwerkelijk antistoffen tegen COVID-19 in hun bloed gemeten werd. Bij personen onder de 20 jaar was dat ongeveer 1-2%, en bij volwassenen ongeveer 4%. Het aantal mensen waarbij antistoffen in hun bloed is gevonden, is dus nog laag, vooral onder kinderen. Dit is nog een aanwijzing dat kinderen minder vaak besmet worden en dus een minder belangrijke rol spelen in de verspreiding dan volwassenen.

Ook wereldwijd klein percentage kinderen onder patiënten

Ook internationaal onderzoek bevestigt dat het percentage kinderen onder de bevestigde COVID-19 patiënten klein is, variërend van 1% bij jongere kinderen tot 6% bij oudere kinderen. Zo hebben onder andere China, Korea, Italië, Spanje en de Verenigde Staten al onderzoek gedaan naar COVID-19 en kinderen. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de ziekte bij kinderen in het algemeen veel milder verloopt dan bij volwassenen. De symptomen zijn wel hetzelfde als voor volwassenen. De meest voorkomende klachten zijn hoesten, koorts en keelpijn. Wereldwijd zijn een handvol kinderen met COVID-19 overleden. Bij clusters van patiënten zijn bijna altijd volwassenen de bronpatiënt. Een grote studie uit IJsland waarbij in totaal 6% van de bevolking getest is, laat zien dat kinderen minder vaak geïnfecteerd zijn dan volwassenen, zowel bij degenen die zich lieten testen vanwege klachten als in een random steekproef van de bevolking.

Scholen en kinderopvang

De basisscholen zijn sinds 11 mei gedeeltelijk open gegaan. Op 8 juni gingen de scholen helemaal open. Ook de kinderopvang is weer open. Het voortgezet onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs en nieuwkomersonderwijs zijn op 2 juni open gegaan.

Bij navraag bij alle 25 GGD’en blijkt dat er geen enkele melding was van mogelijke COVID-19-clusters die een link had met (noodopvang voor) school of kinderopvang voor de schoolsluiting op 16 maart. Na heropening van het primair onderwijs en kinderopvang zijn er enkele besmettingen bij personeelsleden op scholen gemeld; het RIVM heeft geen meldingen ontvangen van personeelsleden die door kinderen besmet zijn (gegevens begin juni 2020).  Het reproductiegetal R, dat het gemiddeld aantal nieuwe besmettingen door een COVID-19 patiënt weergeeft, schommelt sinds half maart onder de 1. Dit betekent dat de snelheid waarmee de epidemie zich voortplant daalt. Na gedeeltelijke opening van de basisscholen en kinderdagverblijven op 11 mei is er geen plotselinge toename zichtbaar in het reproductiegetal (gegevens begin juni 2020). 

Ervaringen van scholen in andere landen

In diverse andere Europese landen zijn de scholen inmiddels ook weer open. Het RIVM heeft nauw contact met zusterorganisaties in deze landen om te evalueren welke invloed dit beleid heeft op de verspreiding van het nieuwe coronavirus in deze landen. Denemarken is het eerste land dat kinderopvang en primair onderwijs voor kinderen 2012 opende, vanaf 15 april. Zij rapporteren geen negatieve effecten na opening van de scholen en zien geen toename in het reproductiegetal.  Een onderzoek uit Australië laat zien dat er 9 kinderen en 9 personeelsleden met COVID-19 waren bevestigd. Er waren 735 kinderen en 128 personeelsleden met nauwe contacten met deze patiënten. Twee andere kinderen zijn mogelijk besmet door een van deze 18 patiënten. Geen enkele leraar of ander personeelslid kreeg COVID-19. Een onderzoek uit Ierland rond 3 kinderen en 3 volwassenen op scholen, van voor de schoolsluiting, laat zien dat er geen besmetting plaatsvond door kinderen op school. Bij de in totaal 1155 contacten zijn twee patiënten gevonden; dit waren twee volwassenen gerelateerd aan twee volwassen bronpatiënten waarbij de besmetting buiten de school plaatsvond. Er waren 924 kinderen en 101 volwassenen die op school nauw contact hadden gehad met één van de bronpatiënten en geen van had COVID-19.

Veelgestelde vragen

Mijn kind behoort tot een risicogroep, kan mijn kind naar school, kinderopvang en BSO?

Kinderen met onderliggende medische problematiek lijken geen groter risico te lopen op een ernstig beloop van COVID-19 dan gezonde kinderen. Bij twijfel is het verstandig te overleggen met de behandelend (kinder)arts en de schoolleiding. Behoort een gezinslid tot een risicogroep, overleg dan ook met de arts en schoolleiding.

Kan COVID-19 bij kinderen een ernstige ontstekingsreactie geven? 

Uit het buitenland komen berichten over een aantal kinderen met een ernstige ontstekingsreactie, waarbij de link met COVID-19 wordt gelegd. Deze kinderen kregen koorts, huiduitslag en ontstekingen rond het hart. De verschijnselen doen denken aan de ziekte van Kawasaki. Onderzoek moet uitwijzen of er een verband is met COVID-19. Vooralsnog is dat niet bewezen. 

Hoe zit het met de vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma voor mijn kind en het nieuwe coronavirus?

Het is heel belangrijk dat je kind de gebruikelijke vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma krijgt. Stel je bijvoorbeeld de 14-maandenprikken uit, dan geeft dat risico op ziekten zoals mazelen en hersenvliesontsteking door meningokokken. Dat zijn heel besmettelijke ziekten die in Nederland nog voorkomen. Heb jij of je kind verkoudheidsklachten of koorts, óf heeft iemand in het gezin koorts, neem dan contact op met het consultatiebureau.

Meer weten over vaccineren en het nieuwe coronavirus? Ga naar de veelgestelde vragen op de site van het Rijksvaccinatieprogramma.