Op deze pagina plaatsen we de bijsluiters en andere informatie over de COVID-vaccinatie zodra die beschikbaar zijn. 

Kandidaat-vaccins tegen SARSsevere acute respiratory syndrome-CoVcoronavirus-2

Er zijn verschillende typen vaccins tegen SARS-CoV-2 in ontwikkeling. Nederland heeft tot op heden over zes kandidaat-vaccins afspraken gemaakt. Met de fabrikanten van al deze kandidaat-vaccins zijn inmiddels ook contracten gesloten. Onderhandelingen over contracten voor Novavax, een zevende kandidaat-vaccin, zijn gaande.
De vaccins van Pfizer/BioNTech en Moderna zijn inmiddels goedgekeurd voor gebruik in de Europese Unie.

Voor actuele informatie zie Updates: vaccins en medicijnen tegen het coronavirus (Website CBG) 

Hoe werken vaccins

Een vaccin doet een besmetting na zonder dat het ziekte veroorzaakt. Daardoor leert je afweersysteem om te gaan met de infectie waardoor je bij een volgende besmetting minder of niet ziek wordt.

Vaccins maken gebruik van de werking van het afweersysteem, dat het lichaam verdedigt tegen ziektes en ziekmakers. Bij dit systeem komen veel verschillende afweercellen en afweerstoffen kijken. Een deel daarvan is aangeboren en komt snel in actie voor de eerste verdedigingslinie. Een ander deel is aangeleerd en vormt een tweede preciezere afweerlinie. Beide linies kunnen lichaamsvreemde stoffen herkennen.

Een lichaamscel die geïnfecteerd is door een virus maakt nieuwe virusdeeltjes aan. De eiwitten die bij dat virus horen, zijn dan te zien aan de buitenkant van de geïnfecteerde cel en op de vrijkomende virusdeeltjes. Als afweercellen die lichaamsvreemde eiwitten zien, komt een specifieke afweerreactie op gang waarin de aangeleerde afweercellen een gespecialiseerde verdediging opzetten tegen die ene ziekmaker. Dit ‘aanleren’ kost tijd, van een paar dagen tot zo’n twee weken.

Het resultaat is dat er antistoffen worden gemaakt die de ziekmaker aan zijn eiwitjasje kunnen vastgrijpen zodat virusdeeltjes geen cellen meer kan besmetten. Ook ontstaat er zogenaamde cellulaire immuniteit die geïnfecteerde cellen opruimt. Antistoffen bestrijden dus de ziekmaker, en cellulaire immuniteit voorkomt dat het virus zich kan vermeerderen door de zieke cellen vroegtijdig op te ruimen. Allebei deze mechanismen zijn nodig voor een goede afweer.

Belangrijk is ook dat er geheugencellen worden gevormd. Als deze geheugencellen het eiwit later opnieuw herkennen tijdens een volgende besmetting met het virus, komen ze versneld en ‘slim’ in actie. Ze hebben immers al ‘geleerd’ hoe de ziekmaker er uit ziet. Je wordt dan niet of minder ziek.

Een vaccin doet een besmetting na, zonder dat er ziekte veroorzaakt wordt. Daarbij zet het vaccin het afweersysteem aan het werk. Zo zorgt het ervoor dat er geheugencellen van de aangeleerde afweerlinie worden gevormd die het lichaam snel en slim verdedigen als dat nodig is. Hieronder leggen we voor de verschillende soorten vaccins uit hoe ze dat doen.

2 soorten COVID-19-vaccins

Nederland verwacht in de eerste maanden van 2021 twee soorten COVID-19-vaccins te kunnen gebruiken; het RNAribonucleic acid-vaccin (Pfizer en Moderna) en het vectorvaccin (AstraZeneca). Hieronder leggen we uit hoe deze soorten vaccins werken.

Het RNAribonucleic acid in RNA-vaccins bevat de code voor een eiwit dat kenmerkend is voor een ziekmaker, bijvoorbeeld het 'spike'-eiwit van het coronavirus. Na de inenting met het RNA-vaccin lezen lichaamscellen bij de prikplek de code af en bouwen het eiwit, de werkzame stof van de vaccinatie. 
Omdat dit eiwit vreemd is voor het lichaam wordt het opgemerkt door cellen van het immuunsysteem, waarna een immuunreactie op gang komt. In die immuunreactie bouwen cellen van het aangeleerde immuunsysteem, met instructies van cellen van het aangeboren immuunsysteem, een specifieke verdediging op. Dit ‘aanleren’ kost tijd, van een paar dagen tot zo’n twee weken. Het resultaat is dat er antistoffen worden gemaakt die een ziekmaker aan zijn eiwitjasje kunnen vastgrijpen, en ook zogenaamde cellulaire immuniteit om infecties te klaren. 
Belangrijk is dat er daarnaast aangeleerde geheugencellen worden gevormd. Als deze geheugencellen het eiwit later opnieuw herkennen, zoals tijdens een besmetting met het echte virus, komen ze versneld en ‘slim’ in actie. Ze hebben immers al ‘geleerd’. Je wordt dan niet of minder ziek.

RNA moleculen zijn erg instabiel. RNA-vaccins hebben daarom een beschermend vetbolletje om hun RNA. Eenmaal in de lichaamscellen wordt het RNA gebruikt bij het maken van ‘spike’-eiwit. Daarna wordt het, net als het lichaamseigen RNA, binnen enkele dagen door de cel afgebroken.

Zie ook Zeven vragen over het RNA-vaccin (NEMO Kennislink)

Onderzoekers kunnen bestaande virussen aanpassen zodat ze als vaccin werken. Dan zijn het geen virussen meer, maar vectoren. De virussen zijn zo aangepast dat ze zich maar weinig als virus gedragen. Het verschil met de echte virussen is dat vectorvirussen:

  • niet meer iemand ziek kunnen maken;
  • (vaak) zichzelf niet kunnen vermeerderen, en; 
  • behalve RNAribonucleic acid of DNAdeoxyribonucleic acid van zichzelf ook een stuk RNA of DNA van een ander virus bij zich hebben. Alle stukken RNA of DNA kunnen werken als antigeen, zodat de cellen uit ons afweersysteem reageren op het vectorvirus én op een onderdeel van het vaccinvirus. Zo ontstaat immuniteit.

Virussen die vaak worden aangepast tot een vector zijn de adenovirussen. Adenovirussen zijn een groep virussen waar mensen vaak aan blootgesteld worden, maar die geen of alleen maar milde ziekte veroorzaken. Adenovirussen komen veel voor. Daardoor weet ons afweersysteem goed hoe het een adenovirusinfectie moet aanpakken.