Influenza kan behandeld worden met antivirale middelen. Deze kan een patiënt meerdere dagen als capsule of als drank innemen. Ook kan een arts antivirale middelen voorschrijven die de patiënt kan inhaleren. Met deze medicijnen kan de patiënt eerder herstellen van de ziekte. Mocht een patiënt niet meer goed kunnen slikken of inhaleren, kunnen deze medicijnen ook intraveneus gegeven worden.

Mensen zonder verhoogd risico (zie hieronder) hebben met deze medicijnen ongeveer 1 dag minder last van de griepklachten. Daarnaast onderdrukken de antivirale midden de verspreiding van het virus naar anderen. Andere virussen kunnen ook griepachtige klachten veroorzaken en deze virussen zijn ongevoelig zijn voor deze medicijnen. Tijdens een griepepidemie heeft meestal 60-70% van de mensen met griepachtige klachten een andere virus dan influenza.

Laboratoriumonderzoek

Het is dus alleen zinnig een patiënt te behandelen bij een bewezen influenzavirusinfectie. Daar is echter laboratoriumonderzoek voor, wat meestal niet bij de huisarts kan worden gedaan. De moeite, tijd en kosten voor zo’n test staan niet in verhouding tot de winst die de medicijnen geven (en de ziektelast). Meestal genezen mensen binnen een paar dagen vanzelf. De winst van behandeling is dus maar klein.

Verhoogd risico

Een ander behandeladvies wordt gegeven bij personen die ernstig ziek kunnen worden van een influenzavirusinfectie door hun leeftijd, afweerstoornissen of bij gebruik van afweeronderdrukkende medicijnen. Bij patiënten met hart- en longziekten en afweerstoornissen is er namelijk een verhoogde  kans op een ernstiger beloop van de infectie. Ook kan hun matige conditie verder achteruit gaan door de influenzavirusinfectie. Ziekere patiënten zullen zich dan ook eerder bij de Spoedeisende Hulp (SEHSpoedeisende Hulp) melden. Bij de SEH kan met laboratoriumonderzoek vastgesteld worden of de patiënt besmet is met het influenzavirus.

Bij sommige mensen met een verhoogd risico kan een arts direct besluiten met antivirale middelen en/of antibiotica te starten om een ernstiger beloop te voorkomen. Na een positieve laboratoriumtest voor influenza, kan de patiënt de kuur met antivirale middelen afmaken of starten. Met een gestarte antibiotumkuur moet de patiënt dan stoppen.

Andere behandelingen

Blijkt er geen sprake te zijn van het influenzavirus, dan kan de arts eventueel een andere behandeling starten:

  • een bacteriële infectie met antibiotica
  • een schimmelinfectie zoals een Invasieve long aspergillose met antischimmelmiddelen
  • infectie met een ander virus met ondersteunende behandeling, omdat daarvoor geen antivirale middelen beschikbaar zijn.

Bij dubbelinfectie kan het nodig zijn om een behandeling te starten tegen het influenzavirus en de bacteriële of schimmelinfectie.