Hoe bemonsteren we het grondwater?

Deze video gaat over het nemen van watermonsters voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid met de openboorgatmethode. Aan het woord komen veldonderzoeker Willem Leijns en projectcošrdinator Monique Wolters.

Voor de bemonstering van het grondwater wordt de openboorgatmethode gebruikt. Zie onderstaande  afbeelding voor een schematische weergave van deze methode.

Met een Edelmanboor boren we tot circa 0,4 meter diepte een gat van circa 10 cm diameter en plaatsen daarin een kraag om invallen van bouwvoor-materiaal te voorkomen. In het geval van grasland verwijderen we eerst met een spadeStatistical Program to Assess Dietary Exposure de graszode (de bovenste 0,2 meter) en boren we daarna tot 0,4 meter diepte en plaatsen de kraag.

Vervolgens boren we door tot circa 0,8 meter beneden de grondwaterspiegel.

In het boorgat plaatsen we een bemonsteringslans met aan het eind een geperforeerd deel over een lengte van 0,5 meter. Via de polyethyleen slang van de bemonsteringslans pompen we vervolgens het grondwater met een slangenpomp op. Na te hebben doorgespoeld tot het water helder is of niet meer helderder wordt (minimaal 1 liter) nemen we een watermonster. Hiertoe pompen we het water door een inline- of wegwerpfilter met een poriëngrootte van 0,45 μm en verzamelen het gefiltreerde water direct in flessen.

Andere methoden

In het verleden zijn in het LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid ook andere methoden gebruikt om het grondwater te bemonsteren: de geslotenboorgatmethode en de reservoirbuismethode. Hieronder worden deze methoden uitgelegd. Beide methoden zijn inmiddels vervangen door de openboorgatmethode.

Geslotenboorgatmethode

Tot 2004 werd op kleigronden, c.q. gronden met een langzame toestroming van het grondwater en een stabiele structuur de geslotenboorgatmethode gebruikt. Zie onderstaande afbeelding voor een schematische weergave van deze methode.

Men boort een gat met een Edelmanboor tot ca. 0,4 m diepte en plaatst een kraag om invallen van bouwvoor materiaal te voorkomen. In geval van grasland verwijdert men eerst met een spade de graszode (de bovenste 0,2 m) en boort daarna tot 0,4 m diepte en plaats de kraag. Vervolgens boort men door tot ca. 1 m beneden de grondwaterspiegel . Eventueel gebruikt men voor het boren beneden de grondwaterspiegel een pulsboor.

In het boorgat plaats men een bemonsteringslans met een filter van 0,5 m lengte. In het gat stort men filtergrond tot ca. 0,5 m boven het filter. Hierop stort men een laag van 0,2-0,3 m bentoniet zwelkorrels. Het boorgat rondom de lans dekt men af met grondkluiten afkomstig uit het boorgat.

Aan het eind van de dag, na het plaatsen van alle lansen, spoelt men deze door. Het aanwezig water wordt met een slangenpomp via de polyethyleen slang afgepompt. De lansen blijven vervolgens 1 week staan. Na die week neemt men een monster, na minimaal 0,5 l te hebben doorgespoeld. Het water wordt door een filtratie-eenheid geleid met een 0,45 μm cellulose nitraat membraanfilter.

Reservoirbuismethode

Tot 2016 werd op veengronden c.q. gronden met een langzame toestroming van het grondwater en een instabiele structuur, gebruikt gemaakt van de reservoirbuismethode. Zie onderstaande afbeelding voor een schematische weergave van deze methode.

Met een spade verwijdert men de bovenste 0,2 m van de graszode. Men boort met een Edelmanboor of speciale Edelmanboor voor zeer zachte klei (‘Van der Horst’-boor) een gat tot aan de grondwaterspiegel.

Vervolgens drukt men de reservoirbuis met behulp van de buitenbuis het veen in totdat de bovenkant van het filter op grondwaterniveau is. De buitenbuis wordt verwijderd. Het boorgat rondom de lans stampt men aan en dekt men af met grond afkomstig uit het boorgat.

Aan het eind van de dag, na het plaatsen van alle lansen, spoelt men de reservoirbuizen door, door het aanwezig water af te pompen met een slangenpomp via een polyethyleen slang. De reservoirbuis sluit men af met een drukdop. De reservoirbuizen blijven vervolgens 1 tot 2 dagen staan. Daarna neemt men een monster met de filterlans en leidt het water door een filtratie-eenheid met een 0,45 μm cellulose nitraat membraanfilter.