Door verschillen in het gedrag van het bodemmateriaal en de afvoer van het neerslagoverschot bepaalt de grondsoort(regio) de bemonsteringsstrategie.

Op elk van de vier hoofdgrondsoorten (zie kaartje), wordt het regenwater op een andere manier afgevoerd. Daarom hanteert het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor elke grondsoortregio een andere bemonsteringsstrategie om het water dat uit de wortelzone wegspoelt te bemonsteren.

 

Zandregio

Zo is zandgrond, met zijn grove structuur, goed doorlaatbaar. Hierdoor zakt het grootste deel van het regenwater recht omlaag naar het grondwater. In de Zandregio bemonsteren we daarom hoofdzakelijk het grondwater. 

Zandgrond heeft een vrij open bodemstructuur. Daardoor zakt het overtollige regenwater relatief snel naar het grondwater. Behalve als de percelen in verband met een hoge grondwaterstand gedraineerd zijn en het water naar de sloten stroomt.

Verschil in aanpak droge en natte zandgronden

In de zandgebieden in Nederland komen hoge en lage grondwaterstanden voor. Op de droge gronden bemonsteren we alleen in de zomerperiode het bovenste grondwater. Als het grondwater dieper dan vijf meter beneden maaiveld zit wordt het bodemvocht uit de laag tussen 1,5 en 3,0 meter bemonsterd. In de natte delen van het zandgebied zijn bedrijven vaak (deels) gedraineerd. Dit betreft ruim 20% van het aantal LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid  -bedrijven in de zandgebieden. Op deze bedrijven wordt in de winterperiode het drain- en slootwater bemonsterd en het grondwater in de zomer en in de winter. Zie voor een overzicht het bemonsteringsschema.

Aantal en selectie van monsterpunten

Ongeacht of het om grondwater, bodemvocht of drainwater gaat, we selecteren altijd zestien monsterpunten op een bedrijf. De verdeling van deze punten is gebaseerd op de grootte van de percelen. Hoe groter het aandeel van een perceel in het totale bedrijfsoppervlak, hoe meer punten daarin bemonsterd worden. Een bedrijf kan twee sloottypen hebben: sloten die alleen ‘bedrijfseigen’ water afvoeren en sloten die ook ‘bedrijfsvreemd’ water afvoeren. Van elk van deze twee sloottypen bemonsteren we, indien aanwezig, vier sloten.

Grondwater: boren en pompen

Voor de bemonstering van het grondwater boren we handmatig tot aan de bovenste meter van het grondwater. In het boorgat plaatst de veldwerker een monsternemingslans. De monsterneming kan dan direct beginnen. Dit noemen we de openboorgatmethode. De flessen met monsterwater worden gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO.

Bodemvocht: boren en grondmonsters verzamelen

Op gronden waar het grondwater dieper zit dan vijf meter beneden maaiveld worden bodemvochtmonsters verzameld.

Drainwater en slootwater: opvangen en scheppen

In de natte gebieden van de Zandregio bemonsteren we ook het drain- en slootwater.

Kleiregio

Kleigrond heeft daarentegen een dichtere structuur. Daardoor zakt slechts een deel van het regenwater naar het grondwater. De rest vloeit weg naar de sloot om daar te worden afgevoerd via het oppervlaktewater. In de Kleiregio bemonsteren we daarom behalve het bovenste grondwater ook water uit de drains en sloten. 

Kleigrond heeft een vrij dichte bodemstructuur. Daardoor zakt het regenwater slechts gedeeltelijk naar het grondwater of het wordt via drainage afgevoerd naar sloten. Een ander gedeelte spoelt via het grondoppervlak weg naar het oppervlaktewater. Om de waterkwaliteit vast te stellen nemen we daarom verschillende soorten monsters. Zo bemonsteren we drainwater wanneer meer dan 25% van het oppervlak van een bedrijf gedraineerd is met drainagebuizen. In alle andere gevallen (circa 25% van de LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid -bedrijven op kleigronden) bemonsteren we het grondwater. Daarnaast bemonsteren we sinds 2003 op alle LMM-bedrijven in de Kleiregio ook het slootwater. Zie voor een overzicht het bemonsteringsschema.

Drainwater en slootwater: gewoon opvangen

De monsterneming van het drainwater is vrij simpel, vooral als de drain boven het slootwater uitkomt. De monsternemer hangt onder het uiteinde van een drainagebuis een maatbeker en vangt zo het uitstromende water op. Als een drainagebuis onder water uitkomt (onderwaterdrain), steken we een slang in de drain en pompen daar het water uit. Onderwaterdrains worden pas bemonsterd sinds 2003.

Op ieder bedrijf selecteren we zestien drainagebuizen. De verdeling is gebaseerd op de grootte van de percelen. Hoe groter het aandeel van een perceel in het totale bedrijfsoppervlak, hoe meer drainagebuizen daarin bemonsterd worden.

Het slootwater bemonsteren we door met een maatbeker, al dan niet aan een stok, een schep water uit het midden van de sloot te nemen (Figuur 1, rechts). Een bedrijf kan twee sloottypes hebben: sloten die alleen ‘bedrijfseigen’ water en sloten die ook ‘bedrijfsvreemd’ water afvoeren. Van elk van deze twee sloottypes, indien aanwezig, nemen we vier monsters.

 

Grondwater: boren

Voor de bemonstering van het grondwater boren we handmatig tot aan de bovenste meter van het grondwater. Dat niveau is in het veld te schatten aan de hand van de diepte van eventueel aanwezige drainagebuizen of door te kijken naar het waterniveau in de sloot. In het boorgat plaatst de veldwerker een monsternemingslans. Meestal stroomt nu het water snel toe. De monsterneming kan dan direct beginnen. Dit is de open boorgatmethode. Voor het enkele geval dat het water niet snel toestroomt werd er tot 2004 de gesloten boorgatmethode toegepast.

Net als bij het drainwater kiezen we bij grondwaterbemonstering zestien monsterpunten verdeeld over het totale areaal van het bedrijf. Het aantal monsterpunten per perceel is ook nu afhankelijk van het relatieve oppervlak van dat perceel.

De flessen met monsterwater worden aangezuurd en gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO.

Veenregio

Ook in de waterrijke veengebieden vloeit het water deels via het grondwater en deels via sloten weg. Daarom wordt in de Veenregio zowel het grondwater als het greppelwater bemonsterd.

Veengrond heeft een vrij open bodemstructuur en bevat zeer veel organisch materiaal. De grond is daardoor vaak drassig. Je zou kunnen stellen dat grondwater en slootwater één zijn, met daartussen wat zwevend bodemmateriaal. Door de aanwezigheid van klei zakt het regenwater toch niet altijd snel naar het grondwater weg. Daarom zijn percelen vaak bolvormig en wordt het overtollige water via greppels naar sloten afgevoerd. Om de waterkwaliteit vast te stellen nemen we daarom zowel grondwatermonsters als slootwatermonsters. Op circa 15% van de LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid-bedrijven op veengronden wordt aanvullend ook greppelwater bemonsterd.

Grondwater: boren

Voor de bemonstering van het grondwater boren we handmatig met een Edelmanboor tot aan de bovenste meter van het grondwater. Om het grondwater te kunnen scheiden van het overvloedige organische bodemmateriaal plaatsen we eerst een reservoirbuis in het boorgat. Daarom wordt dit ook wel de reservoirbuismethode genoemd. Na circa 24 uur hangt de veldwerker een monsternemingslans in de reservoirbuis. De veldwerker sluit voor de monstering een pomp met filter aan op de lans en verzamelt het opgepompte en gefilterde water in flessen (zie foto).

Bij de grondwaterbemonstering worden zestien monsterpunten verdeeld over het totale areaal van het bedrijf gekozen. Het aantal monsterpunten per perceel is afhankelijk van het relatieve oppervlak van dat perceel. De flessen met monsterwater worden aangezuurd en gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO.

Greppelwater en slootwater: opvangen en scheppen

De monsterneming van het greppelwater en slootwater op veengronden is gelijk aan die van drain- en slootwater op de kleigronden. Op ieder bedrijf selecteren we 16 greppelbuizen. De relatieve perceelgrootte bepaalt het aantal te bemonsteren greppelbuizen in een perceel. Het greppelwater wordt opgevangen in een maatbeker of, in het geval dat de buis onderwater afwatert, opgeschept uit de greppel. Het slootwater scheppen we met een maatbeker, al dan niet aan een stok, uit het midden van de sloot. Net als de sloten op de kleigronden hanteren wij twee sloottypes: sloten die alleen ‘bedrijfseigen’ water en sloten die ook ‘bedrijfsvreemd’ water afvoeren. Van elk van deze twee sloottypes, indien aanwezig, nemen we vier monsters.
Greppel- en slootwatermonsters worden niet aangezuurd, maar binnen 24 uur gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO.

Lössregio

Op lössgrond zit het grondwater vaak dieper dan vijf meter onder het maaiveld. Daarom nemen we in de Lössregio grondmonsters in plaats van watermonsters. Vervolgens centrifugeren we de grondmonsters om hieruit het aangehechte grondwater te verzamelen.

Lössregio

Grondwater vaak erg diep in de Lössregio

Op lössgrond, maar ook droge zandgrond zit het grondwater vaak dieper dan vijf meter onder het maaiveld. In dat geval is het niet mogelijk om het grondwater op een eenvoudige manier op te pompen. Ook het boren zou erg veel tijd in beslag nemen. Bij grondwaterstanden dieper dan vijf meter wordt daarom het bodemvocht bemonsterd.

Bodemvocht: boren en grond verzamelen

Voor het bodemvocht bemonsteren we met een Edelmanboor een traject van 150 – 300 cm beneden maaiveld. De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO. Hier wordt de verzamelde grond overgebracht in buizen en gecentrifugeerd. Het aangehechte grondwater wordt uit de grond geslingerd, opgevangen en vervolgens geanalyseerd op diverse componenten, waaronder nitraat, fosfaat en zware metalen.

De weersgesteldheid is van invloed op de monstername van bodemvocht. Bij regen worden de boorkernen nat en treedt er verdunning op. Bij felle zon is er grote kans op verdamping van het bodemvocht. Om hier zo min mogelijk last van te hebben bemonsteren we in de periode oktober tot en met december.

Grondwater: boren

Als het grondwater niet te diep zit dan bemonsteren we het water. We boren dan handmatig tot aan de bovenste meter van het grondwater. In het boorgat plaatst de veldwerker een monsternemingslans. De monsterneming kan dan direct beginnen. Dit is de openboorgatmethode. Ook het grondwater wordt gekoeld getransporteerd naar het analyselaboratorium van het TNO en daar geanalyseerd.

Aantal en selectie van monsterpunten

Op ieder bedrijf selecteren we steeds zestien monsterpunten. De verdeling is gebaseerd op de grootte van de percelen. Hoe groter het aandeel van een perceel in het totale bedrijfsoppervlak, hoe meer monsterpunten daarin bemonsterd worden.