De aanpak van de bemonstering in het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid kent vele facetten. Veel van deze zaken zijn vastgelegd in werkprocedures.

De voorbereiding van het veldwerk

Zodra een ondernemer aangeeft dat hij/zij wil deelnemen aan het meetnet, geeft de WURWageningen University & Research de contactgegevens door aan het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Een veldwerkbegeleider van het RIVM maakt vervolgens een afspraak voor een voorbereidend bedrijfsbezoek. Daarnaast wordt een monsternemingsplan opgesteld en de bemonstering ingepland, waarbij rekening wordt gehouden met het bemonsteringsschema.

Voorbereiding veldwerk

Zodra een ondernemer aangeeft dat hij/zij wil deelnemen aan het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid, geeft de WURWageningen University & Research de contactgegevens door aan het RIVM. Een veldwerkbegeleider van het RIVM maakt vervolgens een afspraak voor een voorbereidend bedrijfsbezoek. Deze medewerker stelt daarna een monsternemingsplan op, waarna de bemonstering wordt ingepland en uitgevoerd.

Bedrijfsbezoek

Tijdens het bedrijfsbezoek bespreekt de veldwerkbegeleider met de deelnemer de bedrijfssituatie. Zo verzamelt hij informatie over de grootte en de ligging van de percelen. Ook wil hij weten of er percelen gedraineerd zijn en of er (bedrijfs)sloten aanwezig zijn. Bovendien noteert hij waar de leidingen lopen. Dit is van belang om te voorkomen dat die bij het veldwerk geraakt worden. Ten slotte legt de veldwerkbegeleider aan de ondernemer uit hoe de monsterneming in zijn werk zal gaan en informeert hij/zij of er nog speciale punten zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bemonstering.

Monsternemingsplan

Na het bedrijfsbezoek werkt de veldwerkbegeleider het monsternemingsplan uit. Dit plan bevat onder andere kaartjes van de percelen met de locaties waar de monsters genomen zullen worden. Afhankelijk van het bodemtype en de bedrijfssituatie gaat het RIVM monsters nemen van het grondwater, het drainwater, het bodemvocht, het oppervlaktewater of combinaties hiervan.

Planning en uitvoering

Vervolgens wordt de monsterneming ingepland. De deelnemer krijgt hierover tijdig bericht, zodat hij er rekening mee kan houden in de bedrijfsvoering. De monsternemers controleren voorafgaand aan de bemonstering de informatie, tenzij zij nog recentelijk op het bedrijf zijn geweest. Alle monsternemingen worden handmatig uitgevoerd. Afhankelijk van het type water en de omstandigheden neemt een bemonstering ongeveer een halve dag (drainwater) tot ongeveer twee werkdagen (grondwater, bodemvocht) per bedrijf in beslag.

Het veldwerk

Het veldwerk wordt deels door het RIVM in eigen beheer uitgevoerd en deels uitbesteed. 

Uitvoering van het veldwerk

De veldwerkzaamheden worden deels door het RIVM  in eigen beheer uitgevoerd. De bemonstering van het drain- en slootwater is op dit moment in zijn geheel uitbesteed aan KIWA. Grondwater en bodemvocht worden per 1 oktober 2018 naast het RIVM bemonsterd door Lievense. De huidige contracten worden per jaar verlengd. Eén keer per 4 jaar vindt er een Europese aanbesteding plaats.

Begeleiding van het veldwerk

De veldwerkbegeleider van het RIVM begeleidt het veldwerk dat zowel door het RIVM als door derden wordt uitgevoerd. Hieronder valt het opstellen van het bemonsteringsplan (kaartje met ingetekende monsterpunten) en het actueel houden van bedrijfs- en NAWnaam adres woonplaats-gegevens. In de bemonsteringsperiode beantwoordt de veldwerkbegeleider vragen uit het veld van de veldwerkploeg en van het bedrijf dat aan het meetnet meedoet. Daarnaast worden bepaalde kwaliteitscontroles uitgevoerd.

Automatisering

Bij de bemonstering worden veldgegevens direct in een veldcomputer opgeslagen. Deze veldgegevens slaan we later op in een Laboratorium Informatie Management Systeem, waarin ook de analyseresultaten van de water- en bodemvochtmonsters worden verzameld.

Kwaliteitscontrole

De gegevens die uit het veld komen worden gecontroleerd door de veldwerkbegeleider. Daarnaast wordt regelmatig een controle monstername uitgevoerd. Door middel van veldaudits gaan we na of de veldwerkers het werk conform de werkinstructies uitvoeren.

Het bemonsteringsschema

Het bemonsteringsschema geeft per regio aan wanneer, hoe vaak en welk watertype wordt bemonsterd.

Bemonsteringsschema

Hoe vaak en wanneer een bedrijf bemonsterd wordt, hangt af van de grondsoortregio waar het bedrijf staat en de aanwezigheid van gedraineerde percelen. Zie het onderstaande bemonsteringschema.

 

Regio Drainsa Grondwater Drainwater Slootwater Bodemvocht Totaal 
    april - sept nov - mrt okt-april b juni-sept  okt-april b okt-feb (maximaal)b
Zand nee 1 - - - - - 1
  ja 1 1 3-4c 3 3-4c - 8-9
Klei nee - 2 - 3 3-4 - 8-9
  ja - - 3-4c 3 3-4c - 6-7
Veen nee - 1 - 3 4 - 8
  ja - 1 4c 3 4c - 8
Löss - - - - - - 1 1

a Meer dan 25% van het totale areaal moet gedraineerd zijn

Voor akkerbouwbedrijven is de frequentie drie keer per jaar, voor de overige bedrijven vier keer per jaar 
c deze bezoeken worden gecombineerd 

 

Rapportagejaar en de periode van bemonstering

Een meetjaar (of rapportagejaar) Y loopt van oktober van het jaar Y-1 tot en met december van het jaar Y, soms met uitloop tot en met februari van het jaar Y+1. De fasering van de bemonsteringsprogramma's voor het rapportagejaar Y, met de aanduiding voor zomer- en winterseizoen, is samengevat in onderstaand schema.

 

Tijdtabel monstername LMM

 

Het aantal en de ligging van monsterpunten

Doorgaans worden 16 monsterpunten voor bodemvochtmonsters  en 8 monsterplekken voor slootwater of drainwater op een bedrijf geselecteerd.

Voor de bemonstering van bodemvocht, grondwater, drainwater en greppelwater gaan we uit van 16 monsterpunten per landbouwbedrijf. Voor slootwater worden maximaal 8 punten geselecteerd.

Uitgebalanceerde meetstrategie

Met de 16 monsters per bedrijf bepalen we de bedrijfsgemiddelde concentraties van nutriënten als nitraat en fosfaat. De bedrijfsgemiddelden gebruiken we om een gemiddelde te berekenen per grondsoortregio en bedrijfstype. De LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid-meetstrategie schrijft het aantal bedrijven per regio, het aantal monsterpunten op een bedrijf en het aantal meetronden in een jaar voor. Bij de opzet van de meetstrategie spelen een paar afwegingen mee. Er moet een balans worden gevonden tussen statistische en economische aspecten en rekening worden gehouden met wettelijke kaders.

Statistisch optimaal meten

Statistisch gezien zou het optimaal zijn om op zo veel mogelijk bedrijven één of twee monsters te nemen. Het gebied waarbinnen de berekende gemiddelde nitraatconcentratie met grote zekerheid ligt (het 95%-betrouwbaarheidsinterval) zal dan zo klein mogelijk zijn, terwijl de representatie van de landbouwsector vrijwel 100% is. Deze aanpak is om verschillende redenen niet haalbaar. Een van de redenen is de wens vanuit het beleid en het onderzoek om een koppeling te kunnen maken tussen bemesting en uitspoeling. Dit zou in combinatie met de bovenstaande aanpak betekenen dat alle deelnemers ook moeten deelnemen aan het BINBedrijven Informatie Net. Dat wordt te duur. Ook voor de waterbemonstering betekent dit een enorme inspanning.

Bedrijfsgemiddelde voor rapportage aan de deelnemer

Een ander nadeel van de statistisch optimale aanpak is dat, als er maar één of twee punten op een bedrijf worden bemonsterd, er geen bedrijfsgemiddelde kan worden gerapporteerd aan de deelnemer. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het bedrijfsgemiddelde is bij één of twee monsters zo breed dat we op bedrijfsniveau niets zinvols kunnen zeggen. Als er 16 of meer punten worden bemonsterd per bedrijf is dit wel mogelijk (zie Figuur 1). Als het aantal monsterpunten afneemt komen de grenzen waarbinnen de gemiddelde nitraatconcentratie met grote zekerheid ligt (het 95%-betrouwbaarheidsinterval) dus verder uit elkaar te liggen.

Grafiek waarin het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de gemiddelde nitraatconcentratie wordt getoond als functie van het aantal monsterpunten

Voorbeeld van de relatie tussen het aantal monsterpunten op een bedrijf en het 95%-betrouwbaarheidsinterval van het nitraatgemiddelde. Figuur betreft het bedrijfsgemiddelde voor “de Marke” in 2009.

Balans tussen het aantal bedrijven en het totaal aantal monsters

Als er minder bedrijven worden bemonsterd, zullen er per bedrijf meer monsters nodig zijn om met een zelfde mate van zekerheid te kunnen aantonen of er een verandering in nitraatconcentratie heeft plaatsgevonden in een van de vier regio’s in het LMM. Zo volgt uit de statistiek dat 75 bedrijven met 16 monsters per bedrijf eenzelfde zekerheid geven als 150 bedrijven met 4 monsters. Dus als het aantal deelnemende bedrijven halveert zal het aantal analyses niet met een factor 2 toenemen, maar met een factor 4. Deze afwegingen hebben geleid tot de keuze van 16 monsterpunten op een bedrijf. Voor de bedrijven die deelnemen in het derogatiemeetnet is dit aantal sinds 2006 ook wettelijk vastgelegd in het derogatiebesluit.

Verschillen in nitraatconcentraties tussen monsterpunten

De nitraatconcentratie op één perceel of bedrijf kan flink verschillen tussen meetpunten.

Uitsnede van een perceel op landbouwbedrijf met enkele meetpunten met verschillende nitraatconcentraties

Verschillen in nitraatconcentraties tussen monsterpunten

De nitraatconcentratie in het uitspoelingswater hangt onder meer af van grondsoort en grondwaterstand. In klei- en veengronden komen bijvoorbeeld lagere nitraatconcentraties voor dan op zandgronden. Dit komt door meer afbraak van nitraat (denitrificatie in klei- en veengronden. Daarnaast kunnen hogere grondwaterstanden ook bijdragen aan denitrificatie. Hierdoor spoelt er minder nitraat uit.

De bodemomstandigheden op een bedrijf kunnen heel verschillend zijn. Bovenstaande figuur laat een eenvoudig voorbeeld zien.  Soms zit er hier en daar ook venige grond of een storende kleilaag. Deze verschillen in bodemlagen kunnen zorgen voor verschillen in de nitraatconcentraties tussen plekken in het perceel. Daarom is het nodig om een aantal metingen te doen. Op die manier krijgen we een goed beeld van de nitraatuitspoeling op één bedrijf of een perceel. 

Hoe bemonsteren we grondwater?

Deze video gaat over het nemen van watermonsters voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid met de openboorgatmethode. Aan het woord komen veldonderzoeker Willem Leijns en projectcošrdinator Monique Wolters.

Hoe bemonsteren we drain- en slootwater?

Het nemen van drain- en slootwatermonsters om te analyseren hoeveel stoffen, zoals meststoffen nitraat en fosfaat, er in het water zit voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid.
Sprekers: Armath Domburg, Veldonderzoeker LMM, RIVM. Monique Wolters, project coordinator bemonstering LMM, RIVM.

Hoe bemonsteren we bodemvocht?

Regio

Drainsa

Grondwater

Drainwater

Slootwater

Bodemvocht

Totaal

 

 

april - sept

novNederlandse Orthopaedische Vereniging - mrt

okt-april b

juni-sept

okt-april b

okt-feb

(maximaal)b

Zand

nee

1

-

-

-

-

-

1

ja

1

1

3-4

3

3-4

-

8-9

Klei

nee

-

2

-

3

3-4

-

8-9

ja

-

-

3-4

3

3-4

-

6-7

Veen

nee

-

1

-

3

4

-

8

ja

-

1

4

3

4

-

8

Löss

-

-

-

-

-

-

1

1