Vastlegging van het bodemprofiel.

 

Vanaf 2004 beschrijven we ook de bodem van de meetlocatie om meer inzicht te krijgen in de meetresultaten en deze ook beter te kunnen controleren. In 2004 en 2005 hanteerden we een eenvoudige beschrijving, met name op basis van de grondsoort (zand, klei, veen, löss). Vanaf 2006 zijn we overgestapt op een methode die afgeleid is van de NENNederlandse Norm-richtlijn 5104. Hierbij wordt de grond per 10 cm uitgelegd, zie de foto. Vervolgens beschrijven we de bodem aan de hand van de grondsoort, hoofd- en bijkleur, toevoegingen, bijzondere bestanddelen en laagdiepte.

Hierdoor is er een beter beeld van de bodemopbouw bij de bemonsteringspunten verkregen, waardoor we, naast de extra informatie, de gegevens ook beter kunnen interpreteren. Dit is mede van belang aangezien de deelnemende bedrijven zijn ingedeeld in een hoofdgrondsoortregio op basis van de dominante grondsoort in de gemeente. Lokaal zullen er echter altijd andere grondsoorten kunnen voorkomen en verschillen in de grondsoort met de diepte kunnen optreden.