Het vaccinatieschema

6-9 weken

terug naar boven

Twee vaccinaties bieden je kindje de eerste bescherming tegen de ziekten difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP), hib-ziekte, hepatitis B en pneumokokkenziekte. De prikken vinden meestal plaats in het bovenbeen.

Deze ziekten zijn juist voor heel jonge kinderen gevaarlijk. Daarom is het belangrijk zo snel mogelijk te vaccineren. Tussen de 6 en 9 weken werkt het immuunsysteem van je kindje al goed en bieden de vaccinaties de beste bescherming.

Vaccinaties worden gegeven op de leeftijd dat ze optimale bescherming bieden.

3 maanden

terug naar boven

Bij sommige ziekten is het nodig een vaccinatie te herhalen. Het immuunsysteem maakt namelijk na iedere inenting meer antistoffen aan. Na een aantal herhalingen is je kindje voor langere tijd beschermd.

Dit geldt voor de ziekten difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTP). Daarom krijgt je kindje wanneer het rond de 3 maanden is opnieuw een vaccinatie tegen deze ziekten. Daarnaast beschermt deze prik tegen hib-ziekte en hepatitis B.

4 maanden

terug naar boven

De DKTP-Hib-HepB vaccinatie moet meerdere malen worden herhaald. Met 4 maanden krijgt je kindje voor deze ziekten opnieuw een prik. Deze vaccinatie beschermt tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio, hib-ziekte en hepatitis B.

Op deze leeftijd is ook een tweede vaccinatie tegen pneumokokkenziekte nodig om de bescherming tegen deze ziekte op peil te houden. Pneumokokken zijn bacteriën die bloedvergiftiging, ernstige longontsteking, hersenvliesontsteking en doofheid kunnen veroorzaken. Het vaccin werkt tegen de meest voorkomende ziekmakende typen pneumokokken.

11 maanden

terug naar boven

Op deze leeftijd is het tijd voor de vierde DKTP-Hib-HepB-prik. Ook krijgt je kindje nu de laatste vaccinatie tegen pneumokokkenziekte. Door deze prikken bouwt je kindje voor lange tijd bescherming op tegen de ziekten. Voor hepatitis B is dat nu levenslang.

De vaccinaties beschermen tegen 12 ernstige infectieziekten.

14 maanden

terug naar boven

Op deze leeftijd krijgt je kindje twee vaccinaties. Allereerst de BMR-prik. Deze prik beschermt tegen de bof, mazelen en rodehond. De jeugdarts of –verpleegkundige geeft deze vaccinatie in de bovenarm.

De tweede vaccinatie beschermt tegen de vier typen meningokok bacteriën: A, C, W en Y. Deze bacteriën zijn de belangrijkste veroorzakers van meningokokkenziekte. Hoewel de kans op besmetting klein is, gaat het om een ernstige ziekte die tot hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging kan leiden.

4 jaar

terug naar boven

Met vier jaar krijgt je kind één vaccinatie: de DKTP-prik. De DKTP-prik beschermt tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio.

Vóór dit moment heeft je kind al vier DKTP-vaccinaties gehad. De bescherming van deze inentingen neemt in de loop van de tijd iets af. Daarom wordt de vaccinatie nu nogmaals herhaald.

9 jaar

terug naar boven

Op deze leeftijd krijgt je kind de laatste inentingen tegen de bof, de mazelen en rodehond, en tegen difterie, tetanus en polio. Deze twee vaccinaties zorgen voor een goede, langdurende bescherming tegen deze ziekten.

Vaccinatie tegen kinkhoest, pneumokokken en hib-ziekten is niet meer nodig. Deze ziekten zijn op deze leeftijd minder ernstig en veroorzaken geen ernstige complicaties meer.

In het Rijksvaccinatie­programma worden per jaar 2 miljoen prikken gegeven.

12/13 jaar

terug naar boven

Het HPV-virus kan bij meisjes en vrouwen baarmoederhalskanker veroorzaken. Jaarlijks krijgen ongeveer 700 vrouwen baarmoederhalskanker; 200 vrouwen overlijden aan deze ziekte.

Baarmoederhalskanker kan voorkomen worden door vaccinatie tegen het HPV-virus. Na twee prikken ben je voor vele jaren beschermd. Omdat je het virus heel makkelijk kan oplopen via seks, wordt de vaccinatie aan jonge meiden gegeven. Dan werkt het vaccin het beste.

Waarom vaccineren?

terug naar boven

Voor veel infectieziekten is sprake van groepsbescherming. Dat betekent dat wanneer veel kinderen ingeënt zijn tegen een bepaalde infectieziekte, deze ziekte minder vaak voor komt. Ook kinderen die niet ingeënt zijn en kinderen waarbij de inenting niet werkt, lopen dan minder risico de infectieziekte te krijgen. Ze worden als het ware beschermd door de groep van ingeënte kinderen.

Om deze groepsbescherming te krijgen én te behouden is het belangrijk dat zo veel mogelijk kinderen ingeënt zijn. Als bijna alle kinderen ingeënt zijn, kan een ziekte zelfs helemaal verdwijnen.