Een van de belangrijkste bijdragen aan de patiëntenblootstellingen bij conventionele röntgenverrichtingen wordt veroorzaakt door zogenaamde doorlichtingsonderzoeken. Deze onderzoeken leiden tot een grote diversiteit in patiëntendoses, omdat de doorlichtingstijd en het aantal opnamen onder andere afhankelijk is van de moeilijkheidsgraad van het onderzoek en de vaardigheid van de uitvoerend arts. De effectieve dosis kan worden bepaald door de gemeten DOP-waarden (Dosis Oppervlakte Product) met behulp van conversiefactoren om te rekenen.

Binnen het Demonstratieproject Patiëntendosimetrie radiologie hebben de deelnemende afdelingen metingen uitgevoerd bij een tiental verschillende doorlichting/contrast onderzoeken. Figuur 1 geeft de verschillende onderzoeken weer met de spreiding in de gemeten DOP-waarden. Daarnaast zijn ook de conversiefactoren per onderzoek vermeld die gebruikt zijn voor de omrekening naar de effectieve dosis op basis van ICRPInternational Commission on Radiological Protection-60 (zie ook Maat voor de stralingsbelasting).

 


Figuur 1 Overzicht van de gemiddelde DOP-waarden voor doorlichting/contrast onderzoeken met daarbij aangegeven de standaarddeviatie (Demonstratieproject Patiëntendosimetrie radiologie). Rechts staan de conversiefactoren die gebruikt zijn voor omrekening van DOP-waarde naar de effectieve dosis op basis van ICRP-60.

Door het combineren van de dosisgegevens uit het Demonstratieproject Patiëntendosimetrie radiologie met het aantal onderzoeken uit de Jaarenquête Beeldvormende Diagnostiek (JBDJaarenquête Beeldvormende Diagnostiek) is de gemiddelde effectieve dosis per inwoner bepaald. In figuur 2 is een overzicht te zien van het aantal onderzoeken, de effectieve dosis per onderzoek en de hieruit volgende gemiddelde effectieve dosis per inwoner voor 2002 (op basis van ICRP-60). De gemiddelde effectieve dosis voor de tien gemeten onderzoeken varieert van 0,7 - 6,8 mSvmillisievert. De minimale en maximale dosis bij de uitvoering van één onderzoek (oes/maag) kan uiteenlopen van ongeveer 0,2 tot 39 mSv (figuur 2).

Het totaal aan doorlichting/contrast onderzoeken is in 2005 met 13% afgenomen ten opzichte van 2002. Hoe deze afname precies verdeeld is binnen de verschillende onderzoeken is niet bekend. De dosis voor 2005 is dus alleen over het totaal berekend. De gemiddelde effectieve dosis per inwoner als gevolg van doorlichtings/contrast onderzoeken (excl. angiografie), is voor 2005 geschat op 0,07 mSv. Dit is een daling van 13% ten opzichte van 2002, gelijk aan de afname van het aantal onderzoeken. Voor 2006 zijn het aantal doorlichting/contrast onderzoeken en de gemiddelde effectieve dosis per inwoner weer toegenomen tot 0,08 mSv, een stijging van 11% bij hetzelfde aantal en gelijke dosis als in 2002. In 2008 en 2009 is de bijdrage van de doorlichting/contrastonderzoeken 0,09 mSv.

 

 

Figuur 2 Overzicht van doorlichting/contrast onderzoeken in 2002. Het aantal onderzoeken per 1000 inwoners (links), de gemiddelde effectieve dosis per onderzoek met daarbij de minimum en maximum waarden aangegeven (midden) en de gemiddelde effectieve dosis per inwoner voor de verschillende onderzoeken (rechts) op basis van ICRP-60. Verklaring afkortingen; Colon: colon onderzoek, Oes/maag: oesophagus/maag onderzoek, IVPintraveneus pyelogram,: intraveneus pyelogram, DDPdunne darm passage: dunne darm passage, Oes: oesophagus onderzoek, ERCPendoscopische retrograde cholangio- pancreaticografie: endoscopische retrograde cholangio- pancreaticografie, MCUGmictie cysto-urethrogram: mictie cysto-urethrografie, Defaecogr: defaecografie, HSGhysterosalpingografie: hysterosalpingografie, Video-oes: oesophagus videografie.