Na het Fukushima kernongeval heeft het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu extra metingen op radioactiviteit in de buitenlucht gedaan. Dit extra meetprogramma is nog geruime tijd voortgezet. Inmiddels is duidelijk dat er nu geen sporen meer van radioactiviteit uit Japan worden aangetroffen in de Nederlandse buitenlucht.

Mede door de korte halfwaardetijd was het radioactieve I-131jodium isotoop 131 al vanaf begin mei niet meer te zien. Enkele weken later was ook het langer levende cesium (Cs-134 en Cs-137) verdwenen. Andere radionucliden waren al eerder niet meer aantoonbaar.

In het briefrapport van 13 april was al geconstateerd dat de in Nederland gemeten radioactiviteit uit Japan duizenden keren lager lag dan tijdens Tsjernobyl. Er bestond dus geen risico voor de bevolking. De metingen na 10 april laten gemiddeld lagere concentraties zien dan daarvoor. De conclusie dat er geen risico is geweest voor de Nederlandse bevolking blijft dus gehandhaafd.

De radioactiviteitsmetingen van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu zijn inmiddels teruggebracht naar de normale frequentie, waarbij wekelijks met gevoelige methodes de radioactiviteit in buitenlucht en depositie bepaald wordt. Dat gebeurt in EURATOMEuropean Atomic Energy Community kader: het EURATOM-verdrag uit 1957 verplicht alle EUEuropean Union -lidstaten, en dus ook Nederland, om de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu te meten en hierover jaarlijks te rapporteren.