In 2014 is het aantal meisjes dat is ingeënt tegen het humaan papillomavirus (HPVhumaan papillomavirus-virus) gestegen. Dit virus kan op latere leeftijd baarmoederhalskanker veroorzaken. Per 1 januari heeft 60,7% van de meisjes die in 1999 zijn geboren alle drie de HPV-prikken gehad. In vergelijking met de groep meisjes uit 1998 is dat een stijging van 0,8%. Deze geleidelijk stijgende trend is te zien vanaf 2010 toen de HPV-vaccinatie werd opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma.

Voor de meisjes geboren in 1999 geldt dat het percentage meisjes dat driemaal is ingeënt, is gestegen van 54,9% per 1 januari 2013 naar 60,7% per 1 januari 2014. In totaal gaat het om 99.214 meisjes. Naast deze volledig gevaccineerde meisjes is nog 2,2% tweemaal ingeënt en 2,3%  eenmaal.
Van de meisjes geboren in 2000 heeft tot nu toe ruim de helft (56%) drie HPVhumaan papillomavirus-inentingen gehad. In totaal gaat het daarbij om 101.930 meisjes. 7,4% is tweemaal ingeënt en 3% eenmaal. Voor deze groep zijn deze cijfers een tussenstand omdat zij nog gelegenheid krijgen de serie af te maken.
Begin 2014 is er een wijziging in het HPV-vaccinatieschema ingevoerd: van een 2+1 schema naar een 1+1 schema. De 7,4 % meisjes die nu al 2x gevaccineerd zijn, zijn hierdoor al voldoende gevaccineerd.

Opkomst per provincie

Het opkomstpercentage binnen de provincies varieert tussen 51% tot 67,5%. Noord-Brabant, Limburg, Friesland, Drenthe, Groningen, Zeeland en Gelderland behalen een vaccinatieopkomst boven de 60%. In Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Flevoland ligt het opkomstpercentage tussen de 50% en 60%.

Eerste effecten HPV-vaccinatieprogramma lijken gunstig

Het risico op HPV-infectie daalt sterk bij meisjes die zijn ingeënt tegen HPV. Dit blijkt uit het onderzoek van Madelief Mollers die gisteren gepromoveerd is bij het VUmcVrije Universiteit Medisch Centrum Amsterdam te Amsterdam en werkzaam bij het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Vanwege de lange duur tussen de HPV-infectie en het optreden van baarmoederhalskanker wordt het effect van de inenting op het aantal patiënten met baarmoederhalskanker pas op lange termijn zichtbaar. Daarom richt het promotieonderzoek zich op de vroege signalen van baarmoederhalskanker: het voorkomen van een HPV-infectie en de aanwezigheid van HPVpoliovirus-afweerstoffen.