Go to abstract

Samenvatting

In 2007 is de hoeveelheid gebruikte meststoffen op landbouwbedrijven gemiddeld genomen gedaald ten opzichte van 2006. Hierdoor wordt de bodem van deze bedrijven minder met stikstof en fosfaat belast (de zogeheten bodemoverschotten dalen). Deze daling is vooral op melkveebedrijven vastgesteld. Het bovenste grondwater op landbouwbedrijven bevatte in 2007 en 2008 gemiddeld minder nitraat dan in de jaren ervoor. De sterke daling in concentraties van deze stof die tussen 1992 en 2002 is gemeten, stagneerde echter.

Ontwikkeling sinds midden jaren negentig:
Al vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw daalt de stikstof- en fosfaatbemesting op melkveebedrijven geleidelijk. Deze tendens is vanaf 2006 versterkt doordat het mestbeleid is veranderd. Waar voorheen te grote overschotten op de mineralenbalans werden beboet, is vanaf 2006 een maximum gesteld aan de hoeveelheid gebruikte mest op bedrijven, afhankelijk van gewassen en grondsoorten. Bovendien wordt per 2006 ook fosfaatkunstmest meegeteld. Voor 2006 was dit niet het geval. Vanaf 2006 zijn vooral de fosfaatbemesting en de -bodemoverschotten op melkveebedrijven in alle grondsoortregio's versneld gedaald. Dit geldt ook voor akkerbouwbedrijven in de kleiregio.

Nitraat in grondwater:
Op 40 procent van de bedrijven in de zand- en lössregio voldoet de kwaliteit van het bovenste grondwater aan de Europese norm van 50 milligram nitraat per liter. Hierbij doen melkveebedrijven het beter dan akkerbouw- en hokdierbedrijven. In de kleiregio voldoet de waterkwaliteit op circa 70 procent van de bedrijven aan de nitraatnorm; in de veenregio op ongeveer 90 procent.

Dit blijkt uit gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), dat wordt beheerd door het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen Universiteit en Research Centrum. Het LMM is opgezet om de kwaliteit van het water op landbouwbedrijven te beschrijven en te verklaren in relatie tot beleidsmaatregelen en de landbouwpraktijk.

Abstract

On average, the amount of fertilizer applied in 2007 on Dutch farms has declined compared to 2006. This resulted in a lower charging of the soil with nitrogen and phosphate (the so-called surpluses on the soil balance go down). This decline is most notable on dairy farms. In 2007 en 2008 the upper ground water on farms contained on average fewer nitrates than in the preceding years. However the strong decline measured in the period from 1992 till 2002 has come to a halt.

Developments since the mid nineties of last century:
Already from the mid nineties of last century, the use of nitrogen and phosphate fertilizer at dairy farms gradually decreased. This tendency became stronger in 2006 due to a change in agricultural policy. In the past important surpluses in the mineral balance were fined. Since 2006 upper limits have been fixed of farm fertilizer inputs as a function of crops grown and soil type. In addition, since 2006 phosphate fertilizer is included in the regulations. This was not the case prior to 2006. Since 2006 notably the application of phosphate and related surpluses on dairy farms in all soil regions showed an accelerated decrease. The same is true for arable farms in the clay region.

Nitrate in ground water:
At about 40% of the farms in the sand region and loess region the average nitrate concentration in the shallow groundwater meets the EU-standard of 50 milligrams per liter. Generally dairy farms show a better quality than arable farms or industrial livestock farms. In the clay region about 70% or the farms meet the nitrate standard, in the peat region roughly 90%.

Above information emerges from the Minerals Policy Monitoring programme (LMM), which is managed by the RIVM and LEI, part of Wageningen University and Research Centre. The LMM has been established to assess and explain the water quality on farms in relation to sector policies and agricultural practice.

Overig

Grootte
423KB