De intensiteit van kosmische straling neemt toe met de hoogte boven zeeniveau, omdat de atmosfeer op grotere hoogten minder straling afschermt. Zwaardere deeltjes (neutronen, protonen) die de grond niet kunnen bereiken, dragen op vlieghoogte wel bij aan de stralingsdosis.

Het dosistempo van 40 nSv/hnanosievert per uur op grondniveau loopt op tot 4000 nSv/h of meer op vlieghoogte. Mensen die het vliegtuig nemen worden daarom tijdelijk blootgesteld aan een hogere dosis kosmische straling dan op zeeniveau.

Voor regionale vluchten in West-Europa is de dosis voor een passagier of bemanningslid ongeveer
4 microSv per vlucht. Voor vluchten naar Noord-Amerika is de dosis per enkele reis zo'n 0,04-0,05 mSvmillisievert. Het aardmagnetische veld buigt bij de evenaar de straling sterker af, de extra kosmische stralingsdosis is bij een vlucht over de polen dan ook hoger dan bij vlucht over de evenaar. In 1997 bedroeg de gemiddelde dosis voor een retourvlucht ongeveer 0,036 mSv.

Voor passagiers die vaak vliegen en bemanningsleden leidt dit tot een verhoging van de jaardosis, waarbij in individuele gevallen zelfs jaardoses van 10 mSv mogelijk zijn. Inmiddels is in regelgeving bepaald dat Europese luchtvaartmaatschappijen de dosis van hun werknemers moeten registreren.

De toename in jaardosis door vliegen voor alle Nederlanders samen (de toegevoegde collectieve jaardosis) bedraagt zo'n 300 mensSvmensSievert. Dit betekent dat de jaardosis per hoofd van de bevolking hierdoor ongeveer 0,02 mSv is. Dit is een verdubbeling ten opzichte van berekeningen uit 2001.

De getallen op deze pagina zijn afkomstig uit het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu-rapport 'Kosmische straling tijdens vliegverkeer'.