E. van Duijkeren Antibiotica zijn belangrijk bij de behandeling van bacteriële infecties. Sommige bacteriën produceren extended-spectrum β-lactamase (ESBLExtended spectrum beta-lactamases-) enzymen. Deze ESBL-enzymen kunnen bepaalde antibiotica inactiveren. ESBL-producerende bacteriën zijn een belangrijke oorzaak van ziekenhuisinfecties en kunnen ook buiten het ziekenhuis onder andere urineweginfecties veroorzaken. Verspreiding kan plaatsvinden binnen ziekenhuizen/zorginstellingen, maar daarnaast speelt de introductie van resistente bacteriën vanuit (landbouw)huisdieren, voedsel en het milieu mogelijk ook een rol bij de besmetting van mensen in de open bevolking.

Voor een efficiënte aanpak van ESBLExtended spectrum beta-lactamases-producerende bacteriën is meer inzicht nodig in het aandeel van overdracht van deze resistente bacteriën en hun resistentiegenen vanuit niet-humane reservoirgastheren zoals huis- en landbouwhuisdieren. ESBLsExtended Spectrum Beta-Lactamases komen vooral voor bij Enterobacteriaceae. Dit zijn darmbacteriën. ESBL-producerende Enterobacteriaceae komen niet alleen bij mensen voor, maar ook bij dieren. Mensen kunnen ESBL-producerende Enterobacteriaceae binnenkrijgen door direct contact met dieren, het eten van besmet voedsel en door blootstelling via het milieu. Het is op dit moment nog onbekend hoe groot de bijdrage vanuit deze potentiële reservoirs is aan de totale ziektelast van infecties met ESBL-producerende Enterobacteriaceae bij de mens, zoals bijvoorbeeld Escherichia coli. Deze kennis is echter essentieel om de juiste interventies te kunnen doen. Bij het centrum Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) wordt onderzoek gedaan naar het belang van deze transmissieroutes en de daaraan verbonden risico’s voor de volksgezondheid. Dit vraagt om een One-Health-benadering. Deze One-Health-benadering impliceert nauwe samenwerking tussen de verschillende sectoren, zoals tussen dierenartsen en artsen, maar ook tussen experts uit verschillende expertisevelden, zoals microbiologen, epidemiologen en modelleurs. Daarnaast wordt onderzoek gedaan bij zowel mensen als dieren en de omgeving. De doelstelling van dit artikel is om een aantal voorbeelden te geven van deze One-Health-benadering en inzicht te geven in de transmissie van ESBL-producerende bacteriën tussen dieren en mensen.

Hebben mensen die op vleeskuikenboererijen wonen en/of werken een hoger risico op dragerschap?

ESBL-producerende bacteriën worden vaak gevonden bij vleeskuikens. Om te onderzoeken of mensen die wonen en/of werken op deze bedrijven vaker drager zijn dan mensen in de algemene bevolking, is een cross-sectioneel onderzoek naar ESBL-producerende bacteriën uitgevoerd op 50 conventionele en 8 biologische vleeskuikenhouderijen. (1, 2) Met dit onderzoek werd inzicht verkregen in de prevalentie van ESBL-producerende bacteriën bij vleeskuikens, bij pluimveehouders, gezinsleden en medewerkers op het bedrijf. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen mensen met veel en weinig contact met de dieren. Voor ESBL-detectie zijn cloacaswabs genomen van 20 vleeskuikens verdeeld over alle aanwezige stallen op het bedrijf. Monstername bij vleeskuikenhouders, gezinsleden woonachtig op het bedrijf en vaste medewerkers van het bedrijf vond plaats op vrijwillige basis. Hen werd gevraagd om zichzelf te bemonsteren door het afnemen van een rectumswab en om een vragenlijsten in te vullen. Dit en alle andere hier beschreven onderzoeken zijn goedgekeurd door een ethische commissie. De monsters werden gekweekt met selectieve ophoping en kweek volgens een standaardprotocol. ESBL-genen werden aangetoond met PCRpolymerase chain reaction (polymerase chain reaction) en door sequencen.

ESBL-producerende E. coliEscherichia coli werden gevonden op alle 50 onderzochte conventionele vleeskuikenbedrijven en ook op alle 8 biologische bedrijven. De prevalentie bij mensen die wonen en/of werken op vleeskuikenbedrijven was hoger dan die in de algemene bevolking. Op de conventionele bedrijven was 19.1% (95% CICanadian Intense 13.0%-26.6%) van de 141 onderzochte mensen op 27 bedrijven drager van ESBL-producerende E. coli. Op de biologische bedrijven waren 5 van de 27 (18.5%; 95% CI 6.3–38.1) mensen positief voor ESBL-producerende E. coli. De prevalentie in de algemene bevolking is lager, namelijk 5.1% (95% CI 3.8–6.6%). Bij mensen die intensief contact hadden met de conventionele vleeskuikens (zoals de veehouder en medewerkers), was de prevalentie 27.1% en bij mensen zonder intensief contact (zoals partners en kinderen) 14.3% (OR = 2.5; P = 0.08). Dit suggereert dat direct contact de belangrijkste risicofactor is voor dragerschap van mensen die wonen/werken op deze bedrijven.

Moleculaire typeringen

Op de conventionele en de biologische bedrijven werden dezelfde ESBL-genen gevonden bij vleeskuikens en bij de mensen die daar wonen en/of werken. blaCTXCerebrotendineuze Xanthomatose-M-1 en blaCMY-2 kwamen het vaakst voor. Er waren ook E. coli-isolaten van vleeskuikens en mensen die hetzelfde gen, plasmide en
E. coli-multilocus-sequencetype (ST) hadden, maar meestal werden bij mensen andere E. coli-STs gevonden, die wel hetzelfde ESBL-gen hadden als de vleeskuikens op het bedrijf. Multilocus sequence typing (MLSTmultilocus sequence typing) is een typeringstechniek waarbij de sequentie van meerdere huishoudgenen van de bacterie wordt bepaald. Dit wijst op zowel clonale (via de bacteriestam zelf) als horizontale (via overdracht van het plasmide naar een andere bacteriestam) verspreiding van ESBL-genen tussen vleeskuikens en mensen. Bij clonale transmissie vind je bij mens en vleeskuikens dezelfde E. coli-stam met hetzelfde ESBL-gen, terwijl bij horizonale transmissie het ESBL-gen in een andere E. coli-stam (dus een ander E. coli-ST) gevonden wordt.

Omdat slechts een klein deel van de algemene bevolking direct contact heeft met vleeskuikens, is de verwachting dat direct contact met vleeskuikens slechts een beperkte bijdrage levert aan dragerschap in de algemene bevolking. Transmissie treedt wel op binnen het gezin van de veehouder naar andere gezinsleden. Op dit moment is onbekend of er ook verspreiding plaats vindt via vleeskuikenhouders en hun gezinsleden naar mensen in de algemene bevolking.

Hebben mensen die in gebieden met veel veehouderijen wonen een hoger risico op dragerschap?

Eerst is een prevalentieonderzoek uitgevoerd bij 1025 mensen die in gemeenten met veel of weinig/geen vleeskuikenbedrijven woonden, maar niet woonden/werkten/ op een pluimveebedrijf. (3) Mensen die woonden in gebieden met een hoge dichtheid van vleeskuikenbedrijven bleken geen verhoogde kans op dragerschap te hebben. De prevalentie van ESBL-dragerschap bij alle deelnemers was 5.1%. In gebieden met veel vleeskuikenbedrijven was de prevalentie 3.6%, terwijl dat in gebieden met geen of weinig vleeskuikenbedrijven 6.7% was. Het risico om drager te zijn van ESBL-producerende Enterobacteriaceae was dus juist lager (OR = 0.45; p 0.009) bij mensen die woonden in gebieden met veel vleeskuikenbedrijven.

In de studie Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGOLivestock farming and the health of local residents) is gekeken of mensen die wonen in een gebied met veel veehouderijen een groter risico hebben op dragerschap van ESBL-producerende bacteriën (4). Mensen die woonden of werkten op een veehouderij waren uitgesloten van deelname. Er werden bij 109 van de 2432 onderzochte mensen ESBL-producerende E. coli (n=102), Klebsiella pneumoniae (n=5) of beide soorten bacteriën (n=2) gevonden. Dit resulteerde in een prevalentie van 4.5% (95% CI 3.7–5.4). Mensen die dicht bij pluimvee-, varkens, of rundveebedrijven wonen bleken niet vaker drager dan mensen die er verder van af wonen. Alleen het wonen in een straal van 1000 meter van een nertsenbedrijf was geassocieerd met een hogere kans op dragerschap (OR 2.26; 95% CI 1.28-3.98). Van de 225 mensen die woonden binnen een straal van 1000 m van een nertsenbedrijf waren 19 (8.4%) mensen ESBL-positief. Andere risicofactoren voor ESBL-dragerschap waren reizen naar Afrika, Azië en Zuid-Amerika (OR 2.82; 95% CI 1.71-4.63), het houden van koeien als hobby (OR 3.77; 95% CI 1.22-11.64) en het gebruik van maagzuurremmers (OR 1.84; 95% CI 1.05-3.23).

Hebben mensen met gezelschapsdieren een groter risico op ESBL-dragerschap?

In de voorgaande studie naar ESBL-dragerschap bij 1025 mensen die woonden in gebieden met veel of weinig vleeskuikens bleek het houden van paarden als hobby het risico op dragerschap te verhogen: de prevalentie onder de 64 paardeneigenaren was 15.6% terwijl dat bij mensen zonder paard 4.4% was (OR = 4.69; p ≤0.0001). Paardeneigenaren hadden echter vaak meerdere soorten (gezelschaps)dieren. De ESBL-prevalentie bij mensen zonder (gezelschaps)dier was 4%, terwijl de prevalentie bij mensen met 4 of meer soorten gezelschapsdieren of als hobby gehouden landbouwhuisdieren (zoals katten, honden, paarden, geiten, knaagdieren of kippen) bijna 12% was. (3) Het verschil was echter alleen significant voor contact met paarden. ESBL-producerende bacteriën komen ook voor bij gezelschapsdieren en de ESBL-genen en bacterie stammen bij mensen en dieren lijken op elkaar. Dit suggereert dat er transmissie tussen mensen en hun gezelschapsdieren mogelijk is. (5)

Is het eten van (kippen)vlees een belangrijke besmettingsbron voor de mens?

In een onderzoek naar de blootstelling van consumenten aan ESBL-producerende E. coli door het eten van vlees is gekeken naar de mate waarin verschillende vleessoorten bijdragen aan deze blootstelling. Voor de berekeningen werd gebruik gemaakt van een eenvoudig risicomodel, sQMRAswift Quantitative Microbiological Risk Assessment (swift Quantitative Microbiological Risk Assessment). In dit model werd de toe- en afname van het aantal micro-organismen op een portie voedsel door de voedselketen heen berekend (rekening houdend met bewerkingen zoals fermenteren, zouten of drogen, bewaartemperatuur, en bereiding in de keuken), tot en met het aantal dat uiteindelijke met de portie opgegeten wordt door de mens. (6) Van de onderzochte vleessoorten was rundvlees verantwoordelijk voor circa 78% van de totale blootstelling via het eten van vlees. Dat kwam vooral doordat sommige rundvleesproducten rauw worden gegeten, zoals filet américain. Op rauw kippenvlees komen de meeste ESBL-producerende bacteriën voor. Maar omdat het meestal goed wordt verhit voordat het wordt gegeten, is de blootstelling via kippenvlees veel lager (18%). Mensen kunnen wel door rauw kippenvlees besmet raken door kruisbesmetting in de keuken, bijvoorbeeld door kip en groente met hetzelfde mes of op dezelfde snijplank te snijden. Het ging in dit onderzoek om het verschil tussen soorten vlees. Het is onduidelijk wat het aandeel van vlees is in de totale blootstelling aan ESBL-producerende bacteriën, omdat mensen ook via andere bronnen worden blootgesteld. (6)

Om meer inzicht te krijgen in de blootstelling via vlees doet het RIVM op dit moment een bevolkingsonderzoek naar de prevalentie van en risicofactoren voor ESBL-dragerschap bij vegetariërs/veganisten en mensen die vlees eten (Vegastudie). De resultaten van dit onderzoek zullen begin 2018 bekend worden.

Lijken de ESBL-producerende E. coli-isolaten afkomstig van vleeskuikens op die van de mens?

De isolaten verkregen uit het bevolkingsonderzoek bij mensen die in gemeenten met veel of geen/weinig vleeskuikens zijn verder getypeerd. Er waren 51 isolaten met een ESBL-gen en deze werden geïsoleerd uit de feces van 49 mensen. De meeste van deze isolaten waren E. coli (n = 51), terwijl, Klebsiella pneumoniae (n = 2) slechts sporadisch werd gevonden. (7) De meest voorkomende ESBL-genen bij vleeskuikens en mensen die wonen en/of werken op vleeskuikenbedrijven waren blaCTX-M-1, blaCMY-2 and blaSHV-12, terwijl in isolaten afkomstig van mensen in de algemene bevolking blaCTX-M-1, blaCTX-M-14 en blaCTX-M-15 het vaakst werden gevonden (Figuur 1). Een multivariate analyse gebaseerd op ESBL/pAmpC-resistentiegen, virulentiefactoren en fylogenetische groepen van de E. coli-isolaten, liet zien dat de isolaten van vleeskuikens en mensen die wonen/werken op vleeskuikenbedrijven clusteren. Isolaten van mensen uit de algemene bevolking vertoonden beperkte overlap met deze eerstgenoemde isolaten en vormden een apart cluster. (8) Dit wijst erop dat pluimvee waarschijnlijk een belangrijke bron is van ESBL-producerende Enterobacteriaceae voor mensen die wonen en werken op een vleeskuikenbedrijf, maar slechts een beperkte rol hebben als bron voor mensen in de algemene bevolking, inclusief mensen die wonen in gebieden met veel pluimveebedrijven.


Figuur 1. Het voorkomen van de verschillende ESBL-genen bij mensen in de algemene bevolking in pluimveerijke en pluimveearme gemeenten, mensen die wonen/werken op vleeskuikenbedrijven en vleeskuikens


Conclusie

  • Mensen die op vleeskuikenbedrijven wonen en werken hebben een grote kans om ESBL-producerende E. coli bij zich te dragen. De ESBL-genen van de vleeskuikens en de mensen die op dezelfde bedrijven wonen/werken lijken ook op elkaar. Overdracht van E. coli en hun ESBL-genen van kip naar mens door direct contact lijkt een belangrijke transmissieroute voor deze risicogroep. Het is op dit moment niet bekend of deze mensen een bron zijn voor andere mensen buiten het eigen gezin.
  • E. coli-isolaten en ESBL-genen afkomstig van mensen in de algemene bevolking en van vleeskuikens, hebben slechts een beperkte overeenkomst. Voor mensen die geen direct contact met vleeskuikens hebben is het risico op transmissie vanuit het reservoir kip waarschijnlijk beperkt.
  • Mensen die wonen in de omgeving van veehouderijen hadden geen verhoogd risico op ESBL-dragerschap, behalve mensen die wonen in de omgeving van nertsenbedrijven.
  • Een QMRAQuantitative microbial risk assessment liet zien dat het eten van rundvlees tot een hogere blootstelling aan ESBL-E. coli leidt dan het eten van kip. Met de resultaten van de Vegastudie hopen wij te achterhalen of vegetariërs/veganisten minder vaak ESBL-producerende Enterobacteriaceae bij zich dragen dan mensen die vlees eten.
  • ESBL-producerende Enterobacteriaceae komen ook bij andere dieren voor. Met sommige van deze dieren hebben veel mensen intensief contact, zoals bijvoorbeeld met honden, katten en paarden. Verder onderzoek is nodig om de relatieve bijdrage van andere reservoirs te kwantificeren.

Auteurs

E. Van Duijkeren, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM

Correspondentie

Engeline.van.duijkeren@rivm.nl

Literatuur

  1. Huijbers, P.M.C., Graat, E.A.M., Haenen, A.P.J., van Santen, M.G., van Essen-Zandbergen, A., Mevius, D.J., van Duijkeren, E., van Hoek, A.H.A.M. Extended-Spectrum β-Lactamase- and AmpC β-lactamase-producing Escherichia coli in broilers and people living and/or working on broiler farms: prevalence, risk factors, and molecular characteristics. J. Antimicrob. Chemother. 2014; 69(10):2669-75.
  2. Huijbers P.M.C., van Hoek, A.H.A.M, Graat, E.A.M., Haenen, A.P.J., van der Meij-Florijn, A. Hengeveld P.D., van Duijkeren, E., Methicillin-Resistant Staphylococcus aureus and Extended-Spectrum Beta-Lactamase/AmpC-producing Escherichia coli in broilers and in people living and/or working on organic broiler farms. Vet. Microbiol. 2015; 176: 120–125.
  3. Huijbers, P.M.C., de Kraker, M., Graat, E.A.M., van Hoek, A.H.A.M., van Santen, M.G., de Jong, M.C.M., van Duijkeren, E., de Greeff, S.C. Prevalence of extended-spectrum β-lactamase-producing Enterobacteriaceae in humans living in municipalities with high and low broiler density. Clinical Microbiology and Infection, 2013;19 (6), E256-E259.
  4. Wielders CCH, van Hoek AHAM, Hengeveld PD, Veenman C, Dierikx CM, Zomer TP, Smit LAM, van der Hoek W, Heederik DJ, de Greef SC, Maassen CBM, van Duijkeren E. Extended-spectrum β-lactamase- and AmpC-producing Enterobacteriaceae among the general population in a livestock-dense area. Clin. Microbiol. Infect. 2017; 23(2):120.e1-120.e8.
  5. Pomba, C., Rantala, M., Greko, C., Baptiste, K., Catry,
    B., van Duijkeren, E., Mateus, A., Moreno, M., Pyorala, S., Sanders, P., Teale, C., Threlfall, J., Kunsagi, Z., Torren EJ., Jukes, H., Törneke, K. The public health risk of antimicrobial resistance transfer from companion animals. J. Antimicrob. Chemother. 2017;72(4):957-968.
  6. Evers, EGEuropese Gemeenschap, Pielaat A, Smid, JH, van Duijkeren E., Vennemann, FBC., Wijnands LM, Chardon,JE. Comparative exposure assessment of ESBL-producing Escherichia coli through meat consumption. PlosOne. 2017 Jan 5;12(1):e0169589
  7. van Duijkeren E, Schouls L, van Santen MG, Florijn A, de Greeff SC, van Hoek AHAM. Molecular characteristics of extended-spectrum cephalosporin-resistant Enterobacteriaceae from humans in the community. PlosOne 2015; 10(6):e0129085.
  8. Van Hoek AHAM, Stalenhoef J, van Duijkeren E, Franz E. Comparative virulotyping of extended-spectrum cephalosporin-resistant E. coli isolated from broilers, humans on broiler farms and in the general population and UTI patients. Vet. Microbiol. 2016. 194: 55-61.