Over de mogelijke risico’s van nanotechnologische toepassingen voor mens en milieu is nog veel onduidelijk. Biomedicus Hedwig Braakhuis (27) doet bij het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu vier jaar lang promotieonderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten van het inademen van nanomaterialen. Innovatie kunnen we alleen maar toejuichen, maar hoe weten we of nanodeeltjes wel veilig zijn voor onszelf en onze leefomgeving?

'Nanodeeltjes zijn bijzonder klein en dringen gemakkelijk door tot op celniveau. Dit kan zowel voor- als nadelen hebben voor mens en milieu. Samen met collega’s van het RIVM, Universiteit Utrecht en NanoNextNL bestudeer ik of de deeltjes in de menselijke cel mogelijk schade toebrengen. Het vakgebied dat zich hiermee bezighoudt heet nanotoxicologie. Ik onderzoek hoe we nanomaterialen het beste op hun veiligheid kunnen testen. En dan met name wanneer nanodeeltjes in het lichaam terechtkomen, bijvoorbeeld bij gebruik in een spray waarbij nanodeeltjes kunnen worden ingeademd. De longen zijn kwetsbaarder dan de huid en zouden dus meer gezondheidsrisico’s kunnen lopen.’ ‘Nanotechnologie ontwikkelt zich razendsnel. Met behulp van nanotechnologie kun je allerlei stoffen manipuleren, waardoor ze gunstiger eigenschappen krijgen. Denk aan toepassingen in de cosmetische en farmaceutische industrie: zonnebrandcrème, deodorant en geneesmiddelen.

Maar je kunt er ook bacteriedodend of vuilafstotend materiaal mee produceren, voor tafelbladen, wondverband of textiel. Juist die brede toepassing maakt nanotechnologie zo boeiend.’ ‘Mijn werkweek is heel afwisselend. Ongeveer twee dagen per week sta ik in een witte labjas nieuwe experimenten uit te voeren. De overige dagen ben ik druk met het analyseren van de onderzoeksresultaten, rapporten schrijven en kennisdelen, zowel nationaal als internationaal. Ik vind het boeiend dat mijn werk zoveel facetten kent, en bovendien veel vrijheid. Alle experimenten zijn nieuw en elke test levert nieuwe resultaten en inzichten op, die vanzelf weer tot nieuwe experimenten leiden. Mijn onderzoek kun je echt niet in je eentje doen. Je moet dus samenwerken en kennis uitwisselen. Ook dat vind ik een heel fijne bijkomstigheid. Ik heb nog anderhalf jaar te gaan voor mijn promotie en nog geen idee wat ik daarna ga doen. Ik hoop in elk geval dat mijn proefschrift aanleiding is voor vervolgonderzoek door een nieuwe aioarts in opleiding.’

Tekst: Nicole Beaujean