De bof is een besmettelijke ziekte. Mensen krijgen het door een virus. De klier die speeksel maakt is dan ontstoken. Deze klier zit bij het oor.

Niet iedereen die de bof heeft wordt ziek.

De klachten kunnen zijn:

  • dikke wang en hals, vaak aan 1 kant van het gezicht,
  • pijn in of achter het oor, vooral bij kauwen en slikken,
  • droge mond,
  • koorts,
  • hoofdpijn.

De tijd tussen het besmet raken en ziek worden is 12 tot 25 dagen. Meestal ongeveer 17 dagen.

Het virus zit in de neus en keel van iemand die besmet is. Door hoesten en niezen komen kleine druppeltjes met het virus in de lucht. Mensen kunnen deze druppeltjes inademen en besmet raken.

Iemand is al 1of 2 dagen besmettelijk voordat hij zelf ziek wordt. De bof is besmettelijk tot 5 dagen na het begin van de klachten. Iemand kan de bof hebben zonder klachten. Ook dan kan iemand anderen besmetten.

Iedereen kan de bof krijgen.

Heeft iemand 2 inentingen tegen de bof gehad? Dan is hij goed beschermd tegen de ziekte.

Soms krijgen de mensen die ingeënt zijn toch de bof. Door de inenting zijn ze er dan minder ziek door.

Sommige mensen hebben meer kans om ziek te worden:

  • baby’s tussen de 6 en 14 maanden oud,
  • mensen die niet zijn ingeënt tegen de bof en de ziekte nog niet hebben gehad.

Sommige mensen kunnen erger ziek worden door de bof. Kinderen tussen 3 en 7 jaar oud hebben een kleine kans op hersenvliesontsteking. Volwassen mannen krijgen soms een ontsteking van de zaadbal. Hierdoor kan een man minder vruchtbaar worden.

Iemand die de bof heeft gehad kan de ziekte niet opnieuw krijgen.

Er is een inenting om de ziekte te voorkomen. Deze inenting is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Kinderen krijgen 2 keer een BMRbof, mazelen,rodehond-inenting (inenting tegen bof, mazelen en rodehond). Ze krijgen er 1 als ze 14 maanden oud zijn en 1 als ze 9 jaar oud zijn.

Netjes hoesten of niezen kan ook helpen om de bof te voorkomen:

  • Gebruik een papieren zakdoek. Heb je geen papieren zakdoek bij de hand? Hoest dan in de plooi van je elleboog.
  • Gebruik een zakdoek maar één keer.
  • Gooi de zakdoek na gebruik weg.
  • Was hierna je handen.
  • Het is niet nodig om bij iedereen die hoest of niest uit de buurt te blijven. Houd pasgeboren baby’s wel uit de buurt van hoestende en niezende mensen.

Was regelmatig de handen met water en zeep, zeker na hoesten, niezen en neus snuiten.

Handen wassen doet u zo:

  • Maak de handen goed nat onder stromend water.
  • Neem wat vloeibaar zeep uit een pompje.
  • Wrijf de handen over elkaar. Zorg dat er zeep op de binnenkant en buitenkant van de handen zit.
  • Wrijf goed alle vingertoppen in. Vergeet de duimen niet. Wrijf ook tussen de vingers.
  • Spoel de zeep goed af, onder stromend water.
  • Droog de handen goed af aan een schone handdoek of aan een papieren handdoek, bijvoorbeeld de keukenrol.

Zie ook de film 'Handen wassen - Doe het goed en vaak' van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

De bof gaat na een week vanzelf weer over.

Bel de huisarts als je denkt dat je de bof hebt. De huisarts kan onderzoeken of je de bof hebt.

Voelt een kind zich goed? Dan kan het gewoon naar de kinderopvang of school. De bof is al besmettelijk voordat iemand klachten krijgt. Thuisblijven helpt niet om te voorkomen dat anderen ziek worden.

Heeft jouw kind de bof? Vertel het dan aan de pedagogisch medewerker of de leerkracht. Zij kunnen in overleg met de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst andere ouders informeren. Ouders kunnen dan letten op de klachten van de bof bij hun kind.

Voelt een volwassene met de bof zich goed? Dan kan hij weer naar het werk. Werk je in de zorg of met kleine kinderen? Overlegd dan eerst met uw werkgever, de bedrijfsarts of de GGD voor je weer gaat werken.

Heb je meer vragen over de bof?

Vraag het de GGD-afdeling Infectieziekten of de huisarts.