De bof wordt veroorzaakt door het bofvirus. Het wordt overgedragen door besmette druppeltjes vocht die bofpatiënten uitademen, niezen of hoesten.

Niet iedereen die de bof heeft wordt ziek.
De klachten kunnen zijn:

  • Dikke wang en hals, vaak aan 1 kant van het gezicht.
  • Pijn in of achter het oor, vooral bij kauwen en slikken.
  • Soms koorts.
  • Soms hoofdpijn.

De klachten zijn meestal na een week over. Heel jonge kinderen kunnen hersenvliesontsteking krijgen. Mannen krijgen soms een ontsteking van de zaadbal. Dit kan als ze na de pubertijd de bof krijgen. Hierdoor kan een man minder vruchtbaar worden.

Het virus zit in de keel van iemand die de bof heeft. Door hoesten en niezen komen kleine druppeltjes met het bofvirus in de lucht. Mensen kunnen deze druppeltjes inademen en besmet raken. De tijd tussen het besmet raken en ziek worden is 2 tot 3 weken.

Iedereen kan de bof krijgen. Door 2 inentingen ontstaat meestal een goede bescherming tegen de ziekte. Soms krijgen de mensen die ingeënt zijn toch de bof. Door de inenting zijn ze er minder ziek door. Iemand die de bof heeft gehad, kan de ziekte niet opnieuw krijgen.

Er is een inenting om de ziekte te voorkomen. Deze inenting is opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. De inenting heet BMRbof, mazelen,rodehond (bof-mazelen-rodehond). De inenting wordt gegeven aan kinderen als ze 14 maanden oud zijn en als ze 9 jaar oud zijn. De inenting wordt op het consultatiebureau gegeven.
Netjes hoesten of niezen kan ook helpen om de bof te voorkomen:

  • Gebruik een papieren zakdoek. Heb je geen papieren zakdoek bij de hand? Hoest dan in de plooi van je elleboog.
  • Gebruik een zakdoek maar één keer.
  • Gooi de zakdoek na gebruik weg.
  • Was hierna je handen.
  • Het is niet nodig om bij iedereen die hoest of niest uit de buurt te blijven. Houd pasgeboren baby’s wel uit de buurt van hoestende en niezende mensen.

De bof gaat vanzelf over zonder behandeling of medicijnen. Neem contact op met de huisarts als je denkt dat je de bof heeft. De huisarts kan onderzoeken of je de bof heeft. Pijnstillers kunnen helpen tegen de pijn.

Voelt een kind zich goed? Dan kan het gewoon naar een kindercentrum of school. De bof is al besmettelijk voordat iemand klachten krijgt. Thuisblijven helpt niet om te voorkomen dat anderen ziek worden. De meeste kinderen zijn ingeënt tegen de bof. De kans dat ze de bof krijgen is daardoor minder groot.

Heeft je kind de bof? Vertel het dan aan de leidster of de leerkracht. Zij kunnen in overleg met de GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst andere ouders informeren. Ouders kunnen dan letten op de klachten van de bof bij hun kind. Soms zijn extra maatregelen op het kindercentrum of de school nodig.

Een volwassene met de bof die zich goed voelt, kan gewoon werken.

Heb je meer vragen over de bof?

Vraag het de GGD-afdeling Infectieziekten of de huisarts.