RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

PBT-nieuwsbrief maart 2014

PBT = Persistent - Bioaccumulerend - Toxisch De PBT nieuwsbrief geeft informatie over ontwikkelingen op het gebied van wetgeving, stoffen-beoordelingen, methodiekontwikkeling, en discussies die spelen op het gebied van de beoordeling van PBT-stoffen.

3e nieuwsbrief PBT
 

 

Tweede PBT workshop

Na de succesvolle PBT workshop die eind 2011 is gehouden, wil het RIVM voorjaar 2015 een vervolgworkshop organiseren. Het doel is een interactieve workshop waarbij de focus ligt op nieuwe ontwikkelingen bij de verschillende kaders én waar in een open atmosfeer gesproken kan worden over de actuele discussiepunten. De komende tijd gaan we aan de slag met de invulling van het programma, maar daarbij is zeker nog ruimte voor input van externe partijen. Mocht u ideeën hebben voor discussiepunten of zelf met een bijdrage mee willen werken aan deze workshop, neem dan contact op met Caroline Moermond; caroline.moermond@rivm.nl.

REACH – Stofevaluatie potentiële PBT/vPvB’s

Binnen REACH kunnen Europese lidstaten in opdracht van ECHA een stofevaluatie uitvoeren, hetgeen leidt tot een besluit, opgedragen aan de industrie, om verdere informatie aan te leveren om de zorg over een stof weg te nemen of te bevestigen. In 2012 zijn de eerste stofevaluaties gestart. In onderstaand overzicht is aangegeven welke stoffen Nederland aan een stofevaluatie onderwerpt vanwege hun potentiële PBT/vPvB-eigenschappen:

  • In 2012 is begonnen met het evalueren van de gegevens in de registratiedossiers en openbare literatuur aangaande de potentiële PBT/vPvB eigenschappen van triclosan (CAS Nr. 3380-34-5) en het belangrijkste afbraakproduct methyl-triclosan. Parallel daaraan heeft de Deense competente autoriteit de potentiële hormoonverstorende werking van triclosan geëvalueerd. In 2013 is het ontwerpbesluit aan de registrant voorgelegd die hierop commentaar heeft geleverd. De NL-CA heeft onlangs het commentaar beoordeeld en aanvullende monitoringsdata ter onderbouwing van het definitieve besluit opgenomen. Het definitieve besluit zal in de loop van 2014 worden genomen.
  • In 2013 is de  stofevaluatie van HGC-TLF (een reactieproduct van geperfluoreerde verbindingen; EC Nr. 700-161-3) gestart, waarvoor momenteel samen met ECHA de laatste hand wordt gelegd aan het ontwerpbesluit om na te gaan welke informatie er nodig is om tot een oordeel te komen over potentiële PBT/vPvB eigenschappen.
  • In 2014 worden twee nieuwe stoffen op PBT/vPvB-eigenschappen beoordeeld, te weten ditolylether (CAS Nr. 28299-41-4) en trismethylphenylfosfaat (TCP; CAS Nr. 1330-78-5). Laatstgenoemde stof staat ook sterk in de belangstelling vanwege vermeende neurotoxische effecten bij piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen.

naar boven

PBT beoordeling van biociden – veranderingen

Met ingang van 1 september 2013 is nieuwe Europese wetgeving van kracht die de toelating van biociden op de Europese markt regelt. Deze wetgeving is een Verordening (528/2012/EU) die in alle EU lidstaten op gelijke wijze van kracht is.
Per 1 januari 2014 is de verantwoordelijkheid, coördinatie en uitvoering van het Europese beoordelingswerk van biociden naar het ‘European Chemicals Agency’ (ECHA) in Helsinki overgeheveld. Onder de oude biociden-richtlijn (98/8/EG) werden actieve stoffen van biociden ook op PBT eigenschappen beoordeeld. De nieuwe Verordening brengt een aantal belangrijke wijzigingen met zich mee die gerelateerd zijn aan de PBT criteria:

  • Voor de PBT en vPvB criteria wordt nu rechtstreeks verwezen naar de wettelijk vastgelegde criteria in Annex XIII van REACH (laatstelijk gewijzigd door Verordening 253/2011/EU). Voor de wetenschappelijk inhoudelijke beoordeling van PBT eigenschappen is op Europees niveau afgesproken dat voor biociden de REACH PBT guidance (R.11) gevolgd wordt.
  • Het voldoen aan de P, B en T en/of de vP en vB criteria is reden om een actieve stof niet op de Europese markt toe te laten. Kort gezegd: het PBT en/of vPvB zijn van een stof is een 'exclusie-criterium'. Op het 'niet toelaten van PBT en vPvB stoffen' zijn enkele uitzonderingsregels van toepassing. Dit zijn bijvoorbeeld: een verwaarloosbaar geacht risico wegens geringe blootstelling aan de stof of het beschikken over de stof wordt essentieel geacht om een ernstig gevaar voor mens, dier of milieu te kunnen bestrijden.
  • Een actieve stof komt voor substitutie in aanmerking als deze voldoet aan twee van de drie PBT criteria. Een stof die kandidaat is voor substitutie wordt voor een kortere periode goedgekeurd voor plaatsing op de markt. Wanneer biocide producten met de substitutie-kandidaat in lidstaten worden aangeboden voor registratie, wordt bekeken of er een goede vervanger is. Deze beoordeling kan leiden tot inperking van het gebruik of een verbod van het product met de substitutie-kandidaat.

naar boven

Biociden Helpdesk


RIVM beheert in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een helpdesk voor vragen over behandelde voorwerpen. Behandelde voorwerpen, per 1-9-2013 geregeld in de Biocidenverordening 528/2012, zijn stoffen, mengsels of voorwerpen, behandeld met biociden. De helpdesk is bedoeld voor iedereen en betreft informatie over definities, principes, werkzame stof goedkeuring, scope, etikettering, overgangsrecht en handhaving. Vragen over complexe artikelen en over productveiligheid kunnen ook terecht komen bij de helpdesk.
Informatie en FAQ’s worden aangeboden via de site www.biociden.nl/behandelde_voorwerpen, waar tevens het vragenformulier te vinden is. De RVS-helpdesk regelt als ‘back-office’ de afwikkeling van de vragen.

naar boven 

9e POP Review Committee (POPRC) vergadering, FAO Rome, 13-18 oktober 2013


Het proces van toevoeging van stoffen aan het UNEP POP-verdrag (Verdrag van Stockholm) verloopt stapsgewijs.
Na nominatie door één van de partijen wordt een risicoprofiel opgesteld dat beoordeeld wordt door de POPRC waarna een risk management evaluatie opgesteld en beoordeeld wordt. Vervolgens brengt de POPRC advies uit aan de ‘Conference of Parties’ over opname van de stof.
Tijdens de 9e POPRC vergadering zijn van twee stoffen de risico management evaluaties besproken: Polychlorinated Naphthalenes (PCNs) en Hexachloorbutadieen (HCBD). Voor beide stoffen is door de POPRC aanbevolen om ze op te nemen in Annex A (eliminatie) en Annex C (unintentional production) van het verdrag.
Voor Pentachloorfenol (PCP) is het risicoprofiel bediscussieerd en uiteindelijk geaccepteerd. Dit op basis van de karakteristieken van het afbraakproduct Pentachlooranisool. Pentachloorfenol voldoet zelf niet aan alle criteria voor POP zoals vastgelegd in het verdrag. PCP is in Noord Amerika op grote schaal toegepast in telefoonpalen en spoorbielzen en kan bij opname in het verdrag problemen opleveren voor de afvalfase van deze producten. Dit jaar wordt een risk management evaluatie uitgevoerd wat vermoedelijk interessante discussies oplevert.
Door Noorwegen is in mei 2013 een nominatie dossier ingediend voor decabroomdifenylether (decaBDE) met de bedoeling deze stof toe te voegen aan het verdrag. Het dossier leverde veel discussie op, met name over het voldoen aan de toxiciteit en bioaccumulatie criteria. In de beslissing is debrominatie opgenomen als extra argument om aan een risicoprofiel te gaan werken voor decaBDE. Ook biedt het werk aan het risicoprofiel ruimte om de biomagnificatie factor (BMF) en ‘Trophic Magnification Factor’ (TMF) voor decaBDE beter te onderbouwen.

naar boven

BDEs in End of Live Vehicles (ELVs) en Waste of Electronics and Electrics (WEEE)


In 2009 zijn twee gebromeerde brandvertragers, ‘commercial pentaBDE’ en ‘commercial octaBDE’, vanwege hun kwalijke eigenschappen toegevoegd aan het Verdrag van Stockholm en in 2010 aan de Europese POP Verordening 850/2004. Met deze toevoeging is productie en gebruik van deze twee commerciële producten verboden, met uitzondering van artikelen die deze stoffen reeds bevatten op het moment van kracht worden van dit verbod.
In tegenstelling tot veel andere stoffen in het verdrag zijn beide brandvertragers toegepast in vele artikelen, o.a. in PUR- schuim en in consumentenelektronica (behuizing tv's, computers, etc.). Tijdens het proces van opname van deze twee stoffen in het Verdrag is onderkend dat deze stoffen nog lang een probleem kunnen vormen, met name in de afvalfase. Daarom is naast de uitzondering op bestaande artikelen met deze POP-BDE’s in het Verdrag een speciale annex opgenomen over het vooralsnog toestaan van recycling/hergebruik en het verantwoord vernietigen van producten met beide POP-BDE's. De uitzondering voor bestaande artikelen vervalt uiterlijk in 2030.
In 2013 is door IVM/IVAM in opdracht van het Ministerie van IenM onderzoek uitgevoerd zowel naar het voorkomen als de hoeveelheid POP-BDE’s in afvalfase van auto’s (ELVs) en elektronica (WEEE). Monsters uit verschillende fases in de keten zijn eerst gescreend met een snelle en kosteneffectieve screening methode (atmospheric pressure chemical ionization-high resolution time-of-flight mass spectrometry = APCI-HR TOFMS) en vervolgens doorgemeten met Gaschromatografie gekoppeld aan massaspectrometrie (GCMS). Uit de metingen werd bevestigd dat ‘commercial pentaBDE’ voornamelijk kan worden aangetroffen in auto’s en auto-afval, terwijl het BDE-patroon in elektronica-afval de toepassing van ‘commercial octaBDE’ bevestigde. POP-BDE’s zijn in slechts een beperkt aantal auto’s aangetroffen. Zowel in termen van plastic afvalstromen als in termen van POP-BDE concentraties blijkt elektronica-afval relevanter dan auto-afval. De totale massa plastic-afval bedroeg respectievelijk 72 en 20 kiloton, terwijl de concentraties aan POP-BDE’s in elektronica-afvalstroom tien maal hoger was.
Het rapport komt in de eerste helft van 2014 beschikbaar.

naar boven

POPs in moedermelk


In april 2013 heeft Nederland, als partij bij het verdrag van Stockholm, een uitnodiging ontvangen om te participeren in een mondiaal UNEP/WHO moedermelk onderzoek. Dit onderzoek borduurt voort op eerder door de WHO gecoördineerd onderzoek naar moedermelk.
Voor deelname zijn wereldwijd 45 verschillende landen aangeschreven. Het is de bedoeling dat in deze landen moedermelk wordt verzameld en per deelnemend land de gehaltes van de huidige 22 POP’s worden vastgesteld, waaronder dioxines, PCB’s, PFOS en BDE’s. Een compleet overzicht van de te onderzoeken stoffen is te vinden in het verdrag: http://chm.pops.int/TheConvention/ThePOPs/ListingofPOPs/tabid/2509/Default.aspx
Het RIVM verzorgt de organisatie en de logistiek rond het verzamelen van de moedermelk en heeft daarvoor 20 kraamcentra benaderd. Voor de deelnemende toekomstige moeders zijn pakketjes samengesteld met voorlichtingsmateriaal en monsterbenodigdheden. De monsters worden uiteindelijk verstuurd naar het ‘State Institute for Chemical and Veterinary Analysis of Food’ in Freiburg, waar alle metingen wereldwijd worden verricht.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in de eerste helft van 2014 en de resultaten worden verwacht voor het eind van het jaar. Het onderzoek maakt het mogelijk verschillen tussen de deelnemende landen te detecteren en de resultaten te vergelijken met metingen die in het verleden in Nederland zijn uitgevoerd aan dioxines en PCB’s. Bovendien wordt hiermee de uitgangssituatie voor een aantal nieuwe POP’s, zoals PFOS en BDE’s, vastgesteld.

naar boven 

De prioritering van ‘emerging substances’ binnen het Europese NORMAN netwerk

NORMAN is een Europees netwerk dat bestaat uit vertegenwoordigers van meer dan 50 Europese onderzoeksinstellingen die zich bezig houden met ‘emerging substances’. NORMAN is in 2009 ontstaan als één van de initiatieven van de EU binnen kaderprogramma 6 en heeft als belangrijkste doel: het uitwisselen van informatie over ‘nieuwe’ stoffen in het aquatische milieu, onder andere ten behoeve van risicobeoordeling, prioritering en de stoffenkant binnen de Kader Richtlijn Water (KRW). Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan de kwaliteit van monitoringsgegevens en wordt met enige regelmaat het netwerk ingezet voor het identificeren van nieuwe ‘emerging substances’ die kandidaat zijn voor toekomstige regulering, afhankelijk van hun ecotoxicologisch profiel en persistentie. Op dit moment zijn meer dan 700 stoffen als ‘emerging’ binnen NORMAN geoormerkt.
Één van de activiteiten binnen NORMAN betreft het prioriteren van ‘emerging substances’, waarbij het de bedoeling is om een lijst te genereren van stoffen met de hoogste zorg. Deze zorg kan gerelateerd zijn aan de PBT-eigenschappen maar ook aan het feit dat uit monitoringsgegevens geconstateerd wordt dat de stof in toenemende mate in het Europese milieu voorkomt. Voor het doel van prioritering is onder andere met behulp van UFZ Leipzig een prioriteringssystematiek opgezet die in April 2013 als NORMAN-rapport is gepubliceerd (ISBN 978-2-9545254-0-2 en zie ook de NORMAN website: http://www.nroman.eu/).
Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van de methodiek én de toepassing ervan op de NORMAN lijst van ‘emerging substances’. Een eerste screening, waarbij nog geen verdere selectie van de zorgstoffen is toegepast, kwam tot de volgende top-10 van probleemstoffen waarbij aangetekend dat lang niet alle stoffen in deze lijst ‘emerging’ zijn:

  1. PFOS
    Is al een ‘priority substance’ en wordt niet verder beschouwd.
  2. Bisphenol A
    Is een endocrine disruptor, wordt vaak aangetroffen in gehaltes waarvan de 95 % percentiel een factor 6 boven de PNEC ligt.
  3. Triclosan
    Wordt veel gebruikt (o.a. biocide, cosmetica), vaak aangetroffen in het milieu.
  4. Diazinon
    Is een biocide, wordt al aangepakt binnen Europa. Blijft op de NORMAN lijst met het oog op monitoring van het effect van eerder in gang gezette maatregelen.
  5. Terbutylazine
    Is uitgefaseerd in Europa. De vraag is hoe om te gaan met de PNEC. NORMAN gaat uit van de laagste Effect Concentratie met een factor van 1000.
  6. Bentazone
    Is al afgewezen voor Europese Risk Assessment, maar de destijds door BASF aangeleverde laagste aquatische chronische NOEC van 5.4 mg/L lijkt veel te hoog (3 ordes van grootte?). Wel is er potentieel gevaar voor drinkwater.
  7. Carbamazepine
    Wordt vaak aangetroffen in oppervlaktewater en in grondwater.
  8. Dibutylphthalate
    Is vaak aangetroffen in risicobeoordeling die wordt uitgevoerd. Later zal bekeken worden wat er met de groep van ftalaten wordt gedaan.
  9. Phenanthrene
    Is bekende POP. Alhoewel phenanthrene geen ‘priority substance’ is, is het geen ‘emerging substance’. Gaat van de lijst af, ook al omdat de PEC/PNEC ratio laag is.
  10. Estrone
    Gaat indirect deel uitmaken van de Europese ‘watch list’ van hormonen. Kan wat dat betreft van de lijst van prioritaire stoffen van NORMAN af. Echter, estrone is het hormoon dat in de hoogste gehaltes voorkomt terwijl de onderlinge toxiciteit gelijk is.
    Onlangs is verder een begin gemaakt met de uitbreiding van de lijst van ‘emerging compounds’. Inmiddels zijn o.a. al toegevoegd: gefosforeerde broomvertragers, enkele biocides, ‘personal care products’ en ‘food additives’. In totaal staan er nu meer dan 900 stoffen op de ‘NORMAN-lijst’. Vooral de lijst met biocides wordt op basis van een Duits project (Fraunhofer) nauwgezet bijgehouden.
    De lijst met prioritaire stoffen wordt vanuit het netwerk actief ingebracht in lopende discussies in Europa over stoffen, zoals REACH, KRW, etc.

naar boven

Uitbreiding toepassingsgebied Wet Milieubeheer

Op 1 maart is het besluit genomen om het toepassingsgebied voor de Wet Milieubeheer op sommige onderdelen uit te breiden. Dit besluit beoogt de nakoming te verzekeren van de verplichting die Nederland als lidstaat van de EU heeft om verordeningen van de EU niet alleen op het Nederlandse grondgebied en in de Nederlandse territoriale zee uit te voeren, maar ook in de Nederlandse exclusieve economische zone in de Noordzee (EEZ). Het bijgevoegde besluit staat gepubliceerd in het Staatsblad, de inwerkingtreding is op 1 juli 2014 vanwege de vaste inwerkingtredingsdata. Daarmee kunnen vanaf dat moment de genoemde verordeningen eigenstandig op boorplatforms in de EEZ worden gehandhaafd. Het betreft de volgende verordeningen:

  1. De detergentiaverordening
  2. De POP-verordening
  3. De F-gassenverordening
  4. De verordening registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen (REACH)
  5. De kwikverordening
  6. De verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening)  
  7. De ozonverordening.

naar boven

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / PBT-nieuwsbrief maart 2014

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu