RIVM logo, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

PBT-nieuwsbrief oktober 2015

PBT = Persistent - Bioaccumulerend - Toxisch De PBT nieuwsbrief geeft informatie over ontwikkelingen op het gebied van wetgeving, stoffen-beoordelingen, methodiekontwikkeling, en discussies die spelen op het gebied van de beoordeling van PBT-stoffen.

5e nieuwsbrief PBT

NL Stofevaluaties van potentiele PBT/vPvB stoffen

Binnen het REACH geven de lidstaten invulling aan het proces stofevaluatie (http://echa.europa.eu/information-on-chemicals/evaluation/community-rolling-action-plan/corap-table).
In 2011 is het RIVM, namens het Nederlands bevoegd gezag (NL-CA) begonnen met het screenen van gegevens in de REACH registratiedossiers en openbare literatuur om potentiële PBT/vPvB’s op te sporen. Een aantal van deze stoffen zijn op de CoRAP- (Community Rolling Action Plan) lijst geplaatst van ECHA (European Chemicals Agency). De volgende stoffen worden of zijn beoordeeld.
Triclosan
In 2012 heeft het RIVM de evaluatie van Triclosan gedaan. In juni 2014 heeft het Member State Comité (MSC) het ontwerpbesluit aangenomen en omgezet in een definitief besluit dat naar de registrant is verstuurd.
(http://echa.europa.eu/documents/10162/0fe59e36-9bdb-4e08-a9ef-7cb01c8a4477). Omdat de registrant het niet eens is met het besluit, heeft de registrant een bezwaar ingediend bij de Kamer van Beroep van ECHA (BOA). Er is door de BOA nog geen uitspraak gedaan,
Reaction mass of mixed (3,3,4,4,5,5,6,6,7,7,8,8,8-tridecafluorooctyl) phosphates, ammonium salt
In 2013 is het RIVM gestart met de stofevaluatie van bovenstaande stof.  In juni 2015 heeft het MSC het ontwerpbesluit aangenomen en omgezet in een definitief besluit dat naar de registrant is verstuurd. De registrant heeft 3 maanden de tijd om een bezwaar in te dienen bij het BOA.

Ditolylether en Trismethylfenylfosfaat (TCP)
In 2014 is het RIVM gestart met de stofevaluatie van twee nieuwe potentiële PBT/vPvB stoffen gestart, te weten ditolylether en trismethylfenylfosfaat (TCP). Laatstgenoemde stof staat ook sterk in de belangstelling vanwege vermeende neurotoxische effecten bij piloten en cabinepersoneel in vliegtuigen, welke ook in de evaluatie van TCP meegenomen worden. De ontwerpbesluiten zijn verstuurd naar de registranten die hun commentaar hierop hebben gegeven. Het commentaar wordt door het RIVM verwerkt en het streven is om het finale besluit af te handelen in de MSC van juni 2016. Voor TCP geldt dat de verdenking van PBT/vPvB is vervallen naar aanleiding van aanvullende gegevens. Dit is verwerkt in het ontwerpbesluit. De zorg over neurotoxische stoffen blijft.
Reactieproduct van tetrapropylene en benzeen en een verbinding van tert-butylperoxide
In 2015 is het  RIVM gestart met de evaluatie van deze twee nieuwe potentiële PBT/vPvB stoffen (zie CoRAP-tabel: http://echa.europa.eu/information-on-chemicals/evaluation/community-rolling-action-plan/corap-table). De verwachting is dat een eerste versie van het ontwerpbesluit eind december klaar is voor toezending naar ECHA.

PBT Expert Group

Op 29-30 september jl. vond de 10e PBT Expert Group vergadering plaats bij ECHA in Helsinki.
Deze Expert Groep besprak de voortgang van beoordelingen van potentiële PBT/vPvB stoffen uit diverse kaders (REACH, biociden en het Verdrag van Stockholm [POP Verdrag]). Naast inhoudelijke discussies over de PBT/vPvB eigenschappen van stoffen is ook gesproken over aanpassing van de PBT-guidance en testmethoden. Tijdens deze 10e vergadering was Dr. Mark Bonnell van het Canadese Milieudepartement uitgenodigd om een gastlezing te houden over de "weight of evidence" (WoE) aanpak die Canada toepast voor de risicobeoordeling van PBT/vPvB stoffen. Tussen de aanpak van de EU en Canada met betrekking tot WoE zijn geen grote verschillen te constateren maar de terminologie en definities die bij de WoE van PBT/vPvB van beide instanties worden gebruikt zou geharmoniseerd dienen te worden. Er is ook aanbevolen door verschillende PBT EG leden en ECETOC om dit in de revisie van de PBT guidance mee te nemen. Voor meer info zie:  https://chemicalwatch.com/42764/weight-of-evidence-dominates-pbt-expert-group-meeting

POP

Van 4 tot 8 mei vond de 7e Conference of the Parties van het Stockholmverdrag (COP7) plaats in Geneve. Voor deze vergadering waren drie stoffen voorgesteld om te worden toegevoegd aan het POP verdrag: polychlorinated naphthalenes (PCNs), hexachloorbutadieen (HCBD) en pentachloorphenol (PCP). Voor alle drie de stoffen zijn er moeizame onderhandelingen gevoerd. Voor de PCNs gaf Rusland aan het begin van de vergadering aan dat zij deze stoffen nog gebruiken. Bij HCBD had China moeite met opname in annex C van het verdrag (unintentional emissions) en bij PCP gaf India geen steun aan opname omdat India nog PCP produceert en gebruikt. Canada, dat nog PCP gebruikt in zogenaamde telefoonpalen en de dwarsbalken daarvan (utility poles and crossarms) stelde zich coöperatiever op.
Uiteindelijk zijn alle drie stoffen in het verdrag opgenomen:
a. HCBD listed in annex A. Further work for POPRC to investigate listing in annex C
b. PCNs listed in annex A and C with the exemptions for the productions of polyfluorinated naphthalenes, including octafluoronaphthalene as requested by Russia as in CRP 29
c. PCP listed in annex A with exemptions for utility poles and crossarms. 
Voor de opname van PCP was een afgedwongen stemming van alle aanwezige partijen noodzakelijk, hetgeen zeer ongebruikelijk is omdat besluiten binnen het verdrag normaliter bij consensus worden genomen.
http://chm.pops.int/TheConvention/ConferenceoftheParties/Meetings/COP7/tabid/4251/mctl/ViewDetails/EventModID/870/EventID/543/xmid/13075/Default.aspx

Behalve discussies over de nieuw toe te voegen stoffen is er ook uitgebreid gediscussieerd over de uitzonderingen voor het gebruik van PFOS. Een aantal uitzonderingen zullen vervallen omdat geen van de verdragspartijen te kennen heeft gegeven er nog langer gebruik van te willen maken. In de discussie over 'acceptable purposes' voor PFOS die momenteel time-unlimited zijn wilden een aantal Europese landen (Noorwegen voorop, maar ook Zweden, Denemarken en Zwitserland) de 'acceptable purposes' time limited maken. De discussie hierover was gecompliceerd omdat er verschil van interpretatie is of het eerste initiatief om uit te faseren bij de verdragspartijen ligt, of dat het verdrag dat kan afdwingen. Voor een aantal open toepassingen zoals fire fighting foam en insect baits is dat jammer. In Europa zijn nog een beperkt aantal uitzonderingen van toepassing.

SEAC

In juni 2015 presenteerden Frans Oosterhuis en Roy Brouwer (Instituut voor Milieuvraagstukken, Vrije Universiteit) tijdens de 27ste vergadering van het sociaal-economische analyse comité (SEAC) van ECHA een studie naar potentiële grenswaarden of benchmarks voor de kosteneffectiviteit van maatregelen om gebruik en emissie van PBT en vPvB stoffen in te perken http://reachhelpdesk.nl/Nieuws/Nieuws:230577/Publicatie_rapport_grenswaarden_voor_analyse_van_proportionaliteit_van_autorisaties_en_restricties_voor_PBT_en_vPvB_stoffen
In de studie is een analyse gemaakt van de kosteneffectiviteit van maatregelen ter vervanging door alternatieven, voor emissiebeperking en schoonmaken van vervuilde locaties voor een zevental PBT stoffen en stofgroepen zoals decabroom difenylether (decaBDE), polychloor bifenylen (PCBs) en hexabroom cyclododecaan (HBCDD).
Het uitgangspunt hierbij is dat dit overzicht van kosten per vermeden kilogram PBT of vPvB stoffen uit het verleden ons iets kan vertellen over de zogenaamde “willingness to pay” van de maatschappij om het gebruik en de emissie van PBT en vPvB stoffen in te perken. Het rapport is samen met een database het eindresultaat van een project uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met het RIVM. Voor SEAC levert de studie een belangrijke eerste stap in de richting van concrete grenswaarden (benchmarks) voor de proportionaliteitsbeoordeling.

SEAC beoordeelt voorstellen voor restricties en autorisatieverzoeken van stoffen in het kader van de Europese chemische stoffen wetgeving REACH. De belangrijkste taak van het comité is een wetenschappelijk onderbouwde opinie te vormen over de proportionaliteit van de voorstellen. Daarbij is de vraag in hoeverre de verwachte gezondheid en/of milieu baten (in termen van risico- of impact reductie) van de voorgestelde maatregel opwegen tegen de verwachte kosten van de maatregel. Voor PBT en vPvB stoffen is deze beoordeling een extra uitdaging omdat de risico's en impact op de mens en het milieu niet kunnen worden geschat omdat onzekerheden daarvoor te groot zijn of de informatie gewoon niet bekend is. Een SEAC PBT werkgroep stelde om deze reden in 2014 voor dat een proportionaliteitsafweging voor autorisatie en restricties van PBT en vPvB stoffen mogelijk kan worden ingevuld door middel van een bepaling van de kosteneffectiviteit van de maatregel. Dit betekent dat SEAC in haar beoordeling van de proportionaliteit van maatregelen voor dit type stoffen onder andere zal kijken naar de maatschappelijke kosten die worden gemaakt per kg vermeden emissie of verminderd gebruik of verwijdering van de PBT of vPvB stof. De vraag die dan nog open ligt is bij welke orde van grootte van kosteneffectiviteit de maatregel proportioneel dan wel niet proportioneel wordt geacht. Het uitgevoerde project geeft een eerste aanzet voor het toewerken naar grenswaarden (of benchmarks) die richting kunnen geven bij de beantwoording van die proportionaliteitsvraag.

Home / Documenten en publicaties / Uitgaven / PBT-nieuwsbrief oktober 2015

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu