Rubella (rodehond) en zwangerschap

  • Mensen die in hun jeugd niet zijn gevaccineerd of die de ziekte niet doorgemaakt hebben kunnen besmet worden.
  • Besmettelijke periode: van 10 dagen voor tot 7 dagen na het begin van de huiduitslag. Kinderen met CRS/CRI kunnen langere tijd virus uitscheiden.

Risico's

Risico voor zwangere (zelf)

Niet anders dan buiten de zwangerschap, dat wil zeggen: meestal een mild beloop, maar in zeldzame gevallen complicaties als encefalitis, Guillain Barré en trombocytopenische purpura. Artralgie of arthritis komt vaker voor. Daarnaast de risico's van de gynaecologische complicaties van een spontane abortus.

Risico voor het ongeboren kind

Het risico op het congenitale rubellasyndroom, waarbij gedurende het foetale leven kunnen verschillende organen (orgaansystemen) zijn aangedaan. Dit is afhankelijk van welke organen gedurende de infectie in een cruciale ontwikkelingsfase zaten. Het infectierisico van de foetus is evenals het risico op congenitale afwijkingen afhankelijk van de duur van de zwangerschap. Bij een vroege infectie zijn meestal meerdere orgaansystemen aangedaan. Naarmate de infectie later in de zwangerschap optreedt, nemen over het algemeen de ernst en diversiteit van de orgaanbeschadigingen af.

De volgende afwijkingen worden beschreven:

  • Hartafwijkingen (open ductus, VSD, coarctatie, pulmonaalstenose, myocarditis)
  • Oogafwijkingen (cataract, microphthalmie, retinopathie, glaucoom)
  • Slechthorendheid/doofheid
  • Groeiachterstand
  • Trombocytopenie met purpura en petechiën
  • Hepatosplenomegalie
  • Aandoeningen van het centraal zenuwstelsel (psychomotore retardatie, microcefalie meningo-encefalitis, diplegie etc.)
  • Botafwijkingen
  • Afwijkingen aan de tractus urogenitalis
  • Paarse huidlaesies, de zogenaamde 'blueberry muffin spots'

De sterfte van kinderen met CRS hangt af van de specifieke afwijkingen en bedraagt gemiddeld zo’n 10% gedurende de neonatale periode, maar blijft ook gedurende de rest van het eerste levensjaar hoog.

Bij een primaire infectie gedurende de zwangerschap is het risico op een foetale viremie zeer hoog (afhankelijk van de zwangerschapsduur variërend van enkele procenten later in de zwangerschap tot 75-100% in het eerste trimester). Infectie resulteert over het geheel genomen tot in 20% van de gevallen in een spontane abortus.
E
en primaire rubella-infectie in de eerste 4 weken van de zwangerschap geeft een zeer grote kans op klinische afwijkingen (±80%), deze kans neemt af naarmate de zwangerschap vordert (bij 13-16 weken zwangerschap ±10%). In de tweede helft van de zwangerschap is de incidentie van rubella geassocieerde afwijkingen minder dan 2%.

Advies

Rodehond kan ernstige aangeboren afwijkingen geven bij het ongeboren kind. De meeste zwangeren zijn beschermd door vaccinatie of doordat zij zelf rodehond hebben doorgemaakt. Zwangeren die rodehond hebben gehad of die ertegen zijn gevaccineerd, zijn voldoende beschermd. Hun kind loopt dan geen gevaar. In Nederland zijn vrouwen die geboren zijn na 1963 meestal gevaccineerd tegen rodehond. Vrouwen die elders geboren zijn, zijn vaak niet gevaccineerd. Zwangeren die contact hebben gehad met iemand met rodehond en het niet duidelijk is of zij gevaccineerd zijn tegen rodehond moeten contact opnemen met de verloskundige, gynaecoloog of huisarts.

Vanaf 1974 is vaccinatie tegen rubella opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma: eerst alleen voor meisjes, en vanaf 1987 als onderdeel van de BMR-vaccinatie voor alle kinderen. Omdat de meeste kinderen worden ingeënt komt de ziekte in Nederland niet veel meer voor.

Naar de brochure over zwangerschap en infecties 

Professionals

Mag BMR-vaccinatie gegeven worden tijdens de zwangerschap?

Omdat het BMR-vaccin een levend vaccin is, mag het niet aan zwangere vrouwen worden gegeven.

Wat is het beleid als onbedoeld een zwangere vrouw toch een BMR-vaccinatie heeft gekregen?

Er zijn geen gevallen van CRS beschreven na vaccinatie tijdens de zwangerschap.

Hoe lang moet een vrouw zwangerschap vermijden als zij een BMR-vaccinatie heeft gehad?

Na BMR-vaccinatiegedurende 4 weken zwangerschap te vermijden.

Wat is het beleid t.a.v. rubellascreening tijdens de zwangerschap?

Er is geen landelijk, uniform screeningsbeleid voor rubella. De NHG adviseert bepaling van de rubellatiter na het eerste consult in de zwangerschap alléén voor vrouwen van wie het onwaarschijnlijk of onzeker is dat zij in het verleden gevaccineerd zijn, zoals buitenlandse vrouwen.
Zwangere vrouwen die tegen rubella zijn gevaccineerd moeten als voldoende beschermd worden beschouwd (ook als de zwangere seronegatief is en ooit is gevaccineerd, is ze toch beschermd). Voor die vrouwen is rubellascreening in de zwangerschap niet nodig. Indien de vaccinatie lang geleden is gegeven en er geen boostering door natuurlijke blootstelling heeft plaatsgevonden, zakt de antistoftiter. De hoogte van de gemeten titer zegt dus eigenlijk weinig over het aanwezige immunologische geheugen.

Wanneer een screening is uitgevoerd op routinebasis en negatief blijkt te zijn, is het beleid om alsnog na te gaan of de vrouw ooit (ten minste één keer) gevaccineerd is. Zo ja, dan kan zij als beschermd worden beschouwd. Seroconversie treedt na vaccinatie op bij 98-100% van de gevaccineerden. De beschermende werking van vaccinatie bedraagt 95-97%. De bescherming houdt lang aan door een memory effect. 

Hoe beoordeel ik de uitslag van een rubella IgG-screening?

Een IgG-waarde van 20 IU/ml of hoger, geldt als voldoende bescherming. Bij lagere waarden is de interpretatie afhankelijk van wat het laboratorium aangeeft of wordt dit overlegd met de microbioloog.

Wat is het beleid als een zwangere niet beschermd blijkt te zijn tegen rubella?

Tijdens de zwangerschap is BMR-vaccinatie gecontraïndiceerd. Na afloop van de zwangerschap kan alsnog gevaccineerd worden.

Zwangere vrouwen die contact hebben gehad met iemand met rodehond en van wie het niet duidelijk is of zij gevaccineerd zijn tegen rodehond moeten contact opnemen met de verloskundige, gynaecoloog of huisarts.

Wat is het advies voor vrouwelijke werknemers in de vruchtbare leeftijd in beroepen met een verhoogd risico op rodehond?

De NVAB adviseert om bij aanvang van de werkzaamheden in de gezondheidszorg, het primair onderwijs en kinderopvang bij vrouwelijke werknemers in de vruchtbare leeftijd de vaccinatiestatus te bepalen en bij twijfel de vaccinatie te herhalen. Ongevaccineerde vrouwelijke werknemers in de vruchtbare leeftijd kunnen desgewenst eerst gescreend worden op rubella-immuniteit, bij seronegativiteit wordt dan alsnog BMR-vaccinatie aangeboden

Wat is het beleid als een zwangere contact heeft gehad met een kind met mogelijk rubella?

Inventariseer eerst de aard van het contact. Bij vluchtig contact (< 15 minuten in dezelfde kamer) is geen actie nodig. Ga vervolgens de zwangerschapsduur na.

Bij meer dan 20 weken is geen actie nodig. Beoordeel de vaccinatiestatus van de zwangere.

Beoordeel de waarschijnlijkheid van de diagnose rubella bij het kind. Rubella komt in Nederland – zeker onder gevaccineerden- zelden meer voor en er zijn vele andere verwekkers die een vergelijkbaar klinisch beeld kunnen veroorzaken, waaronder parvovirus B19. Overleg zo nodig met de GGD en overweeg diagnostiek bij het kind.

Indien een ongevaccineerde zwangere contact heeft gehad met een kind met bewezen of waarschijnlijke rubella is nadere diagnostiek bij de zwangere geïndiceerd, om natuurlijke bescherming (IgG) of recente infectie (IgM, PCR) aan te tonen dan wel uit te sluiten.

Een (vatbare) zwangere heeft contact gehad met een kind met rubella. Wat is het beleid?

Overleg eerst met de arts-microbioloog over de interpretatie van de negatieve bevindingen met betrekking tot de bescherming bij de zwangere (soms is een hoge afkapwaarde gekozen).
Spreek vervolgens diagnostiek af om een eventuele infectie aan te tonen: 10 dagen na blootstelling: PCR op neus-keelwat en op bloed en 21 dagen na blootstelling: bloed IgM.

Hoe beoordeel ik de uitslag van een rubella-IgM-bepaling?

Een negatieve rubella IgM-titer in combinatie met een positieve IgG-titer sluit recente primo infectie uit.

Tot een paar dagen na aanvang van het exantheem kunnen de IgM- en IgG-titers nog negatief zijn. Een tweede bloedafname 7 à 10 dagen na het eerste monster kan uitsluitsel bieden. Bij recente infectie wordt een titeromslag of titerstijging gezien.
Voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van een positieve IgM-titer uitslag. Bevestiging middels 2e serum of middels een andere test is aangewezen. Raadpleeg altijd uw arts-microbioloog.

Is er plaats voor toediening van immunoglobulinen aan een vatbare zwangere na contact met een rubellapatiënt?

In Nederland overheerst de opvatting dat deze profylaxe meer na- dan voordelen kent. De effectiviteit in termen van preventie van CRS is onduidelijk en waarschijnlijk niet zo groot. 

Wat te doen met een zwangere met exantheem?

Bepaal antistoffen tegen rubella slechts indien hier aanleiding toe bestaat (contact met bewezen ziektegevallen). Denk ook aan andere meer voorkomende exanthemen, zoals vijfde ziekte (parvovirus B19). Veelal zal de zwangere beschermende antistoffen hebben en kan zij gerustgesteld worden.

Wat te doen met een zwangere met rubella?

In principe verwijzen naar een gynaecoloog voor counselling over het al dan niet voortzetten van de zwangerschap en eventuele aanvullende diagnostiek.

Naar de LCI-richtlijn Rodehond

Home / Onderwerpen / R / Rodehond / Rubella (rodehond) en zwangerschap

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu