Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden

Borstkanker

Kort en bondig
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Omvang van het probleem
Geografische verschillen

Kijk ook eens bij:

Kijk ook eens bij andere websites:

19 augustus 2008
Borstkanker
Borstkanker samengevat

Meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen

Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen, al komt het sporadisch ook bij mannen voor. Onder vrouwen van 30 tot 59 jaar is het één van de belangrijkste doodsoorzaken. Het aantal nieuwe gevallen dat zich jaarlijks voordoet en de sterfte zijn in Nederland hoog, ook internationaal gezien. Het totaal aantal vrouwen dat op 1 januari 2002 in leven was en in de 10 jaar daaraan voorafgaand borstkanker heeft gekregen wordt geschat op 76.000 (9,3 per 1.000 vrouwen). In 2003 was het aantal nieuwe gevallen van borstkanker bij vrouwen 11.687 (1,43 per 1.000 vrouwen). Van de vrouwen bij wie in 2003 borstkanker werd vastgesteld had 6% al kanker in de andere borst gehad. In 2004 overleden 3.315 vrouwen aan borstkanker.

Aantal nieuwe gevallen stabiliseert

In de periode 1989-1994 is het aantal nieuwe gevallen van borstkanker toegenomen. Gecorrigeerd voor de omvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking bedroeg deze toename 21%. Tussen 1994 en 1999 bleef het aantal nieuwe gevallen vrijwel constant en vanaf 1999 ligt dit aantal op een hoger niveau. De sterfte aan borstkanker is in de periode 1979-1994 gelijk gebleven, en vanaf 1994 afgenomen.

Screening beïnvloedt de trend in het aantal nieuwe gevallen

De toename tot 1994 van het aantal nieuwe gevallen van borstkanker is onder meer het gevolg van de invoering van het bevolkingsonderzoek. Hierdoor zijn meer gevallen aan het licht gekomen. Doordat een groot deel van de langzaam groeiende tumoren in de eerste ronde van het bevolkingsonderzoek is ontdekt, heeft het aantal nieuwe gevallen zich na 1994 gestabiliseerd. Het feit dat de incidentie vanaf 1999 op een hoger niveau ligt is waarschijnlijk het gevolg van uitbreiding van het bevolkingsonderzoek op borstkanker met vrouwen tussen de 70 en 75 jaar. Tot dan toe werden alleen vrouwen van 50 tot 69 jaar uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek.

Afname sterfte door screening, betere diagnostiek en behandeling

Dat de sterfte sinds 1979 niet toeneemt en sinds 1994 iets daalt, is voor een groot deel te danken aan de invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Hierdoor wordt borstkanker in een eerder stadium omtdekt. De daling heeft daarnaast te maken met betere voorlichting over vroege symptomen en aan verbeteringen in diagnostiek en behandeling.

Bijna een vijfde van de kosten gaat naar openbare gezondheidszorg

Ruim de helft van alle kosten van zorg voor borstkanker ging in 2005 naar ziekenhuiszorg en 18% naar de openbare gezondheidszorg (inclusief preventieve zorg). Deze laatste kosten worden vooral gemaakt voor de uitvoering van de borstkankerscreening. In 2005 bedroegen de totale kosten voor de zorg voor mensen met borstkanker 247 miljoen euro. In 2005 lagen vrouwen met borstkanker gemiddeld vijf dagen in het ziekenhuis, vijf dagen korter dan in 1995. Het aantal dagopnamen is in diezelfde periode meer dan verviervoudigd.

Stijging borstkanker verwacht door toename risicofactoren

Het aantal vrouwen dat is blootgesteld aan factoren die het risico van borstkanker verhogen neemt toe. Het gaat hierbij om de volgende risicofactoren: eerste menstruatie op jongere leeftijd, geboorte van het eerste kind op latere leeftijd, afnemend kindertal, toename in het gebruik van orale anticonceptie. Andere risicofactoren zijn alcoholconsumptie, lichamelijke inactiviteit en ernstig overgewicht. Nu de screening op borstkanker volledig is ingevoerd (in 1997), zal het aantal ontdekte nieuwe gevallen van borstkanker niet verder stijgen. Dat meer vrouwen te maken krijgen met de genoemde risicofactoren die samenhangen met de voortplanting, zal echter een ongunstig effect hebben op het aantal nieuwe gevallen van borstkanker. Het 'netto'-effect van deze ontwikkelingen is moeilijk te voorspellen.


13 december 2005
Borstkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat is borstkanker en wat is het beloop?


Ziektebeeld

Meeste tumoren groeien door in omliggend weefsel

Bij borstkanker (ICD-9 code 174; ICD-10 code C50) is sprake van kwaadaardige (maligne) tumoren van de borst. Borstkanker komt met name voor bij vrouwen, maar ook mannen kunnen borstkanker krijgen. Het hier beschreven ziektebeeld en beloop van borstkanker beperkt zich tot vrouwen.

Borstkanker is onder te verdelen in twee typen tumoren:

  • invasief: tumoren die doorgroeien in het omliggende (steun)weefsel;
  • niet-invasief of ‘in-situ’: tumoren die in eerste instantie begrensd blijven tot de klierstructuren van de borst.

In 2003 was 91,3% van de geregistreerde borsttumoren invasief en 8,7% niet-invasief (bron: NKR). 75-80% van de borsttumoren ontstaat in de melkgangen van de borstklier (ductale type). 10-15% van de borsttumoren ontstaat in de melkkliertjes en groeit meestal verspreid door de borst (lobulair type) (NKR, 1995).

Veel vrouwen ontdekken de ziekte zelf

De meeste patiënten ontdekken de ziekte doordat ze een knobbeltje in de borst voelen. Het knobbeltje is dan bijna altijd groter dan 1 centimeter. Andere signalen, minder vaak voorkomend, zijn veranderingen in de grootte of contour van de borst, intrekking van de huid of de tepel, veranderingen van de tepelstand, een gevoel van zwaarte of pijn, uitscheiding van vocht uit de tepel en eczeem van tepel en tepelhof. Begin jaren negentig ontdekte 85% van de patiënten de borsttumor zelf (Zwaveling et al., 1991). Deze gegevens hebben betrekking op de periode die voorafging aan de volledige invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. De gefaseerde invoering van het bevolkingsonderzoek ging in 1988 van start en in 1997 waren alle vrouwen van 50 tot en met 69 ten minste eenmaal uitgenodigd voor het onderzoek. Vanaf 1999 worden ook de vrouwen van 70 tot en met 74 jaar uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek.

Tegenwoordig steeds vaker kleine tumoren ontdekt

Door het toegenomen gebruik van gevoelige diagnostische technieken worden tegenwoordig meer kleine tumoren gevonden die nog geen klachten veroorzaken en niet als een knobbeltje voelbaar zijn. Dit is vooral het gevolg van de invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Het bevolkingsonderzoek leidt bovendien tot de opsporing van veel meer niet-invasieve ductale tumoren, die vaak gepaard gaan met minuscule verkalkingen. Deze verkalkingen zijn niet voelbaar, maar op de röntgenfoto van de borst (mammografie) zijn ze wel zichtbaar.

Ziekte bij diagnose meestal beperkt tot de borst of oksellymfeklieren

Al in een vroeg stadium van borstkanker hebben cellen het vermogen zich los te maken van de primaire tumor en zich naar de lymfeklieren in (met name) de oksel te verspreiden. Op het moment van diagnose is de ziekte bij ongeveer 90-95% van de patiënten beperkt tot de borst of de lymfeklieren in de oksel. Ruim de helft van deze groep vrouwen heeft elders in het lichaam toch verborgen, klinisch niet aantoonbare uitzaaiingen (Veronesi, 1990). Blijven deze uitzaaiingen onbehandeld, dan zullen ze op korte of lange termijn, maar meestal binnen drie jaar, zo ver in omvang toenemen dat ze klachten gaan veroorzaken. Vanaf het moment dat uitzaaiingen worden vastgesteld leven de patiënten gemiddeld nog twee jaar. Met name in het laatste levensjaar hebben deze patiënten intensieve palliatieve zorg nodig.


Beloop

Stadiumindeling

Bij borstkanker zijn diverse ziektestadia te onderscheiden (zie tabel 1). De indeling is gebaseerd op:

  • de maximale omvang van de tumor;
  • de uitbreiding van de ziekte naar de lymfeklieren in het okselgebied;
  • de aanwezigheid van uitzaaiingen in andere delen van het lichaam.

In de jaren 1999-2001 werd in de IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland) bij 89% van de vrouwen met borstkanker de ziekte in een operabel (te opereren) stadium ontdekt, dat wil zeggen in stadium I, IIA, IIB of IIIA (Visser & Leeuwen, 2005)

Tabel 1: Stadiumverdeling van borstkanker in de IKA-regio in de periode 1999-2001 (Bron: Visser & Leeuwen, 2005).

Stadium

Uitgebreidheid tumor en uitzaaiingen

Verdeling bij diagnose (%)

Stadium I

De tumor beperkt zich tot de borst en is kleiner dan 2 cm. De tumor is operabel.

36

Stadium IIA, IIB, IIIA

De tumor beperkt zich tot de borst en is groter dan 2 cm, of de tumor is uitgezaaid naar de lymfeklieren in de oksel. De tumor is operabel.

53

Stadium IIIB

Uitgebreide lokale groei van de tumor in de borst, de borstwand, de huid of de oksel. De tumor kan doorgaans niet meer operatief verwijderd worden.

5

Stadium IV

De tumor heeft zich verder uitgezaaid dan de oksellymfeklieren. Alleen palliatieve behandeling is nog mogelijk.

5

Borstkanker in een vroeger stadium ontdekt

Bij vrouwen met borstkanker is het percentage stadium I tumoren in de periode 1980-1994 (toen er nog niet of nauwelijks bevolkingsonderzoek plaatsvond) sterk toegenomen. In dezelfde periode nam het percentage vrouwen met een stadium III tumor sterk af. Dit blijkt uit gegevens afkomstig van de IKZ-regio. Bij vrouwen met borstkanker in de leeftijdsgroep van 50-69 jaar nam het percentage met een stadium I tumor toe van 27 tot 40% en nam het percentage met een stadium III tumor af van 27 tot 9 %. In de periode 1995-1999 (tijdens en direct na invoering van het bevolkingsonderzoek) is bij vrouwen in dezelfde leeftijdsgroep het percentage met stadium I verder toegenomen tot 48%. Het percentage vrouwen dat bij de diagnose klinisch aantoonbare uitzaaiingen elders in het lichaam heeft, zoals in de botten, de lever, de longen of de hersenen, is ongeveer 5% (IKZ, 2005, Visser & Leeuwen, 2005).

Prognose van borstkanker sterk verbeterd

De prognose van borstkanker is sinds 1955 sterk verbeterd. De relatieve 10-jaarsoverleving is toegenomen van ruim 30% in de periode 1955-1969 tot ruim 70% in de periode 2000-2002 (IKZ, 2005). De relatieve 10-jaarsoverleving in de IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland) bedraagt 71% voor de periode 1988-2003.

Gunstiger beloop door eerdere opsporing

De invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker heeft het beloop van borstkanker gunstig beïnvloed. Als gevolg van het grootschaliger gebruik van mammografisch onderzoek is niet alleen een verschuiving opgetreden naar vroegere stadia van invasieve tumoren bij diagnose (Visser & Leeuwen, 2005; Ernst et al., 2004). Ook het percentage patiënten met een niet-invasieve tumor is de afgelopen 20 jaar sterk toegenomen (NKR). Naast de eerdere opsporing van borstkanker, heeft ook de ruimere toepassing van chemotherapie en hormonale therapie bijgedragen aan een betere prognose van borstkanker (KWF, 2004b).


13 december 2005
Borstkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op borstkanker?

Niet alle determinanten van borstkanker bekend

Hieronder volgt een overzicht van de bekende risicofactoren voor borstkanker. Niet alle gevallen van borstkanker kunnen door één of meer van deze factoren verklaard worden.

Borstkanker in de familie verhoogt het risico

Een vrouw met één eerstegraads familielid met borstkanker heeft een ongeveer tweemaal verhoogd risico. Bij twee eerstegraads familieleden met borstkanker is het risico drie- tot viermaal verhoogd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2001). Een vrouw heeft nog hogere risico’s als ze familieleden heeft bij wie zich op jonge leeftijd borstkanker ontwikkelde in beide borsten.

Mutatie in twee erfelijke genen verhoogt het risico met 40 tot 85 procent

BRCA is een afkorting voor BReast CAncer en staat voor de twee erfelijke borst- en eierstokkankergenen BRCA1 en BRCA2. Vrouwen met een mutatie in het BRCA1- of BRCA2-gen hebben een risico van 40 tot 85% om borstkanker te krijgen (Anglian Breast Cancer Study Group, 2000). Geschat wordt dat bij 5% van alle vrouwen met borstkanker een genetisch defect in het BRCA1- of BRCA2-gen een rol speelt. In Nederland zijn 700 tot 900 families geïdentificeerd met een mutatie. Een mutatie in het BRCA1-gen wordt viermaal vaker gezien dan een mutatie in het BRCA2-gen.

Verhoogde kans na goed- of kwaadaardige borstaandoening

Vrouwen die borstkanker hebben gehad, hebben een drie- à viermaal verhoogd risico om ook kanker in de andere borst te krijgen. Dit betekent dat bij 15 à 20% van de vrouwen die borstkanker overleven, binnen 20 jaar voor de tweede keer borstkanker wordt gediagnosticeerd. Goedaardige borstaandoeningen met specifieke weefselkenmerken - bijvoorbeeld atypische ductale hyperplasie (bovenmatige groei) - verhogen de kans op een kwaadaardige aandoening twee à drie keer. Andere goedaardige aandoeningen lijken geen verhoogd risico op te leveren. Een voorbeeld hiervan is het fibroadenoom, ontstaan door gezamenlijke groei van bindweefsel en klierepitheel. (Hartmann et al., 2005).

Hoger risico bij vrouwen zonder kinderen

Bij vrouwen die nooit zwanger zijn geweest, is het risico op borstkanker ongeveer tweemaal zo groot als bij vrouwen die wel kinderen hebben. Hierbij is de leeftijd waarop een vrouw haar eerste kind krijgt belangrijk. Vrouwen die na hun 35ste hun eerste kind krijgen, lopen ongeveer evenveel risico als vrouwen zonder kinderen, en driemaal zoveel risico als vrouwen die voor hun 18de een kind kregen. Onafhankelijk van de leeftijd waarop het eerste kind werd geboren, heeft een groot aantal kinderen een grotere beschermende werking.

Vroege menstruatie en late menopauze verhogen het risico

De leeftijd bij de eerste menstruatie en bij de menopauze zijn geassocieerd met borstkanker. Wanneer de eerste menstruatie vóór het 12de jaar optreedt, is het risico 30% hoger dan wanneer het na het 14de jaar optreedt. Vrouwen bij wie de menopauze na het 55ste jaar intreedt, hebben nadien een tweemaal zo hoog risico op borstkanker dan vrouwen bij wie de menopauze vóór het 45ste jaar begint. De beschermende werking van een vroege menopauze kan worden toegeschreven aan het beëindigen van de functie van de eierstokken. Vrouwen bij wie op jonge leeftijd de eierstokken zijn weggehaald, hebben ook decennia na de operatie nog een verlaagde kans op borstkanker (Kelsey & Berkowitz, 1988).

Beschermend effect borstvoeding

Borstvoeding heeft een beschermende werking tegen premenopauzale borstkanker. In een omvangrijk patiënt-controleonderzoek onder premenopauzale vrouwen bedroeg de risicovermindering 22% bij vrouwen die 4-12 maanden borstvoeding hadden gegeven. De vermindering van het risico was groter naarmate de vrouwen op jongere leeftijd borstvoeding hadden gegeven (Newcomb et al., 1994). Eerdere studies vonden alleen risicovermindering na het zéér langdurig geven van borstvoeding, dat wil zeggen één tot twee jaar over het gehele leven. Dat is in Nederland ongebruikelijk lang. Bij postmenopauzale vrouwen werd geen relatie gevonden tussen het geven van borstvoeding en borstkanker. Een meta-analyse heeft het beschermende effect van borstvoeding op het ontstaan van borstkanker bevestigd (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 2002). Geschat wordt dat het risico op borstkanker bij vrouwen in de westerse wereld met meer dan de helft verminderd zou kunnen worden (van 6,3 tot 2,7 per 100 vrouwen op 70-jarige leeftijd), indien het gemiddelde aantal geboorten en de totale duur van de borstvoeding hetzelfde zou zijn als tot voor kort in ontwikkelingslanden het geval was.

Risicoverhogend effect hormonale substitutie

In grootschalige onderzoeken in de VS werd een toename van de kans op borstkanker gevonden bij vrouwen die postmenopauzaal langer dan vijf jaar oestrogeensubstitutie gebruikten. De kans op het krijgen van borstkanker was bij deze vrouwen 30-40% groter dan voor vrouwen die geen hormonen hadden gebruikt (Colditz et al., 1995; Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1997). Tumoren die onder invloed van hormonale substitutie ontstaan, zijn vaak van het lobulaire type (Chen et al., 2002a).
Een grote Britse studie bevestigt de eerder gevonden toename van het risico van borstkanker bij het gebruik van producten met alleen een oestrogeen (toename 20-40%). Daarenboven toont de studie aan dat de toename van het risico veel groter is (90-210%) bij het gebruik van een combinatietherapie van oestrogeen en een progestageen (Million Women Study, 2003).
De toename van de kans op borstkanker is afhankelijk van de duur van de behandeling. De kans neemt af vanaf het moment dat HST wordt gestaakt. Vijf jaar na stopzetting van de therapie is het risico van borstkanker weer hetzelfde als bij vrouwen die nooit HST hebben gebruikt. Er blijkt geen verschil te zijn in het risico van borstkanker tussen specifieke preparaten of de wijze van toepassing.
Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) adviseert de artsen om bij het voorschrijven van HST een zo laag mogelijke effectieve dosis te gebruiken, voor een zo kort mogelijke duur. Met name bij langdurig gebruik moeten de voordelen van HST worden afgewogen tegen het verhoogde risico van optreden van borstkanker.

Verhoogd risico door anticonceptiepil

Vrouwen die de pil slikken hebben een verhoogd risico van 24% op het krijgen van borstkanker in vergelijking tot vrouwen die de pil niet slikken. Voor vrouwen die 1-4 jaar geleden zijn gestopt met de pil is er een verhoogd risico van 16%. Vrouwen die 5-9 jaar geleden zijn gestopt met de pil, hebben een verhoogd risico van 7%. Voor vrouwen die al langer dan tien jaar geen anticonceptiepil meer slikken is er geen verhoogd risico meer. De duur van het gebruik van de anticonceptiepil, de dosis en de samenstelling hebben geen effect op het risico. Vrouwen die vóór de leeftijd van 20 jaar beginnen met het slikken van de pil hebben een wat hogere kans op het krijgen van borstkanker gedurende het gebruik van de pil. Het absolute risico van borstkanker is echter laag in deze leeftijdsgroep (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1996).

Mogelijk verband met alcoholgebruik

Er bestaat mogelijk een oorzakelijk verband tussen alcoholconsumptie en een verhoogde kans op borstkanker. De precieze aard van dit verband is echter niet duidelijk. In een analyse van de gegevens van zes prospectieve studies is een risicotoename gevonden van 9% bij inname van 10 gram alcohol per dag (ongeveer 0,75 á 1 glas). Tot een inname van 60 gram per dag (ca. 5 glazen) neemt het risico lineair toe (Smith-Warner et al., 1998). Er zijn onvoldoende gegevens om bij een hogere dagelijkse inname de aard van het verband vast te stellen.

Gunstig effect lichamelijke activiteit

Vrouwen die regelmatig lichamelijk actief zijn, hebben naar schatting 20 tot 40% minder kans op borstkanker dan vrouwen die weinig lichamelijk actief zijn. Deze schatting is gebaseerd op de resultaten van zowel cohortstudies als patiënt-controlestudies naar het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker. Het effect van lichamelijke activiteit op het risico van borstkanker is gelijk voor vrouwen met en zonder overgewicht (KWF, 2005c)

Overgewicht mogelijke risicofactor

Bij vrouwen na de menopauze is overgewicht een risicofactor. Het risicoverhogend effect van overgewicht na de menopauze wordt geschat op 30 tot 50%. Vóór de menopauze hebben vrouwen met overgewicht geen verhoogd risico om borstkanker te krijgen (KWF, 2005c).


13 december 2005
Borstkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?

Diagnostiek van mammacarcinoom

De diagnostiek van afwijkingen in de borst geschiedt aan de hand van de zogenaamde triple-diagnostiek:

  • lichamelijk onderzoek
  • beeldvorming (mammografie en echografie)
  • punctie-diagnostiek (cytologie of histologie).

In de onder auspiciën van het CBO ontwikkelde richtlijnen voor screening en diagnostiek zijn hiervoor toepassingsregels opgesteld (Rutgers & Tuut, 2001). Een overzicht van beeldvormende diagnostische technieken is weergegeven in tabel 1.

Tabel 1: Overzicht van mogelijkheden voor beeldvormende diagnostiek.

Diagnostiek

(Beoogd) effect

Huidig gebruik

mammografie

lokaliseren van borstafwijkingen en onderscheiden van goed- en kwaadaardige tumoren

algemeen toegepast

echografie

lokaliseren van borstafwijkingen, mogelijkheid tot gerichte punctie-diagnostiek en het onderscheiden van goed- en kwaadaardige tumoren

algemeen toegepast

PET-scan

detectie van metastasen op afstand en monitoren van respons van de tumor op behandeling

nog experimenteel; in toekomst bredere toepassing verwacht

MRI (magnetic resonance imaging)

opsporing van multipele tumorhaarden en vroegdetectie van tumoren bij genmutatiedraagsters; gebruikt als aanvulling op echografie en mammografie

in toekomst verdere toepassing verwacht

Sinds 1990 screening op borstkanker

In Nederland wordt sinds 1990 een screeningsprogramma voor borstkanker uitgevoerd. Elke twee jaar worden vrouwen van 50 tot en met 75 jaar uitgenodigd voor een borstonderzoek waarbij röntgenfoto's worden gemaakt van de borsten. Met deze methode is het mogelijk bij vrouwen die zelf geen onregelmatigheden in hun borsten voelen toch beginnende tumoren op te sporen. Binnen twee weken krijgen de vrouwen die hebben deelgenomen een brief met daarin de uitslag. Voor meer informatie over de screening, zie bij screening op borstkanker.

Borstsparende operatie bij kanker in een vroeg stadium

In een vroeg stadium (stadium I of II) ontdekt, is in de meeste gevallen een borstsparende operatie mogelijk. Deze is even effectief als amputatie van de gehele borst (Van Dongen et al., 2000). Daarna volgt bestraling van de gehele borst en een extra bestraling van het tumorgebied. Is de tumor relatief groot of zit er meer dan één tumor in dezelfde borst, dan wordt meestal de volledige borst weggenomen (mastectomie). Bestraling volgt dan als de lymfeklieren in de oksel zijn aangetast of als de tumor niet volledig is verwijderd. Als de tumor niet meer operatief te verwijderen is door uitgebreide lokale groei (stadium IIIB), of bij uitzaaiingen verder dan de oksellymfeklieren (stadium IV), dan is doorgaans alleen palliatieve behandeling mogelijk. Met bestraling, hormonale therapie, chemotherapie, immunomodulatoren of een combinatie hiervan wordt geprobeerd het tumorproces onder controle te houden. 30-70% van de vrouwen reageert gunstig op hormonale therapie of een combinatie van cytostatica (Veronesi, 1990).

Lymfeklierverwijdering geen vast onderdeel van operatie meer

Tot voor kort werden zowel bij een borstsparende operatie als bij volledige verwijdering van de borst doorgaans ook de lymfeklieren in de oksel verwijderd (okselkliertoilet). Verwijdering van deze klieren geeft vaak klachten van pijn, gevoelsstoornissen en bewegingsbeperkingen in de arm en de oksel.

Bij elke tumor zijn er één of twee lymfeklieren die als eerste het lymfevocht van het tumorgebied ontvangen en vervolgens stapsgewijs verspreiden. Als er in deze ‘schildwachtklieren’ tumorcellen aanwezig zijn, dan zitten er mogelijk ook in de rest van de oksellymfeklieren tumorcellen. Als er geen tumorweefsel in de schildklieren zit, dan is ook de rest van de lymfeklieren waarschijnlijk tumorvrij.

Door inspuiting in de borst van een radioactieve vloeistof in combinatie met een kleurstof lukt het bij ongeveer 80% van de vrouwen met klinisch onverdachte lymfeklieren om één of meer schildwachtklieren op te sporen. Bij ongeveer 30% van deze vrouwen bevat de schildwachtklier tumorweefsel. De schildwachtklier-techniek is dermate betrouwbaar gebleken dat de oksellymfeklieren niet meer verwijderd worden als de schildwachtklier tumorvrij is (Nieweg et al., 2001)

Ruimere toepassing van chemotherapie en hormonale therapie

Na een borstoperatie en eventuele bestraling kan aanvullende systemische therapie, bestaande uit chemotherapie, hormonale therapie of een combinatie van beide, noodzakelijk zijn. Met systemische therapie wordt de kans dat binnen 10 jaar na de behandeling uitzaaiingen ontstaan met 15% tot 40% (gemiddeld 25%) verminderd (EBCTCG, 2005). Het besluit om wel of geen aanvullende systemische therapie voor te schrijven is afhankelijk van de prognose en wordt gebaseerd op de aanwezigheid van lymfeklieruitzaaiingen, de tumorgrootte, de hormoongevoeligheid en de groeisnelheid van de tumor, de expressie van groeifactoren op de tumorcellen en de leeftijd en conditie van de patiënt. Ook micro-array technieken zijn succesvol gebleken bij het onderscheiden van patiëntengroepen met een goede en een slechte prognose. Micro-array is een DNA-technologie waarmee in weefsels de activiteit van genen bestudeerd kan worden. Hiermee kan worden bepaald of een tumor een genexpressieprofiel heeft dat samenhangt met een gunstige of een ongunstige prognose (Vijver et al., 2002).

Bijna alle patiënten met een niet-invasieve tumor genezen

Bij een niet-invasieve tumor vindt, afhankelijk van de omvang van de tumor, een amputatie of borstsparende operatie plaats. Na een borstsparende ingreep is bestraling noodzakelijk om de kans op lokale terugkeer van de tumor te beperken (Julien et al., 2000). Verwijdering van de lymfeklieren in de oksel gebeurt alleen bij grote afwijkingen in de borst, waarbij invasieve tumorgroei moeilijk uit te sluiten is. Vrijwel alle patiënten met een niet-invasieve ductale tumor genezen bij volledige verwijdering van het tumorweefsel (Harris et al., 1992).

Na behandeling blijft regelmatige controle nodig

Na behandeling voor borstkanker is regelmatige controle nodig in verband met het blijvende risico op een recidief. Controle bestaat uit anamnese, lichamelijk onderzoek en periodieke mammografie. Is er sprake van symptomen die wijzen op uitzaaiingen, dan is het gebruik van röntgen- en laboratoriumonderzoek of andere aanvullende diagnostiek geïndiceerd.


13 december 2005
Borstkanker
Omvang van het probleem
Hoe vaak komt borstkanker voor en hoeveel mensen sterven eraan?

Borstkanker is meest voorkomende kanker bij vrouwen

Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. In 2003 bedroeg het aantal nieuwe gevallen (incidentie) van een invasieve vorm van borstkanker 1,43 per 1.000 vrouwen (absoluut 11.687 nieuwe gevallen). Vrouwen die kanker in beide borsten krijgen worden tweemaal geregistreerd (bron: NKR).

Ongeveer 76.000 vrouwen met borstkanker

Het aantal vrouwen met borstkanker (prevalentie) op 1 januari 2002 wordt op basis van de registratie in de IKZ- en IKA-regio geschat op 9,3 per 1.000 vrouwen (absoluut 76.000). Het betreft hier de 10-jaarsprevalentie. Dit wil zeggen het aantal vrouwen dat in de 10 jaar voorafgaand aan de peildatum (1 januari 2002) borstkanker heeft gekregen en op de peildatum nog in leven is.

Gemiddelde leeftijd bij diagnose ongeveer 60 jaar

Van de nieuwe patiënten met borstkanker heeft ongeveer 6% al eerder een invasieve tumor in de andere borst gehad (IKZ, 2005). Bij vrouwen jonger dan 25 jaar komt borstkanker vrijwel niet voor. Boven de 25 jaar stijgt de incidentie met de leeftijd. Na de leeftijd van 65 jaar is de incidentie redelijk constant. De gemiddelde leeftijd op het moment van diagnose is circa 60 jaar.

In 2004 ruim 3.000 vrouwen overleden aan borstkanker

In 2004 overleden 40,3 per 100.000 vrouwen aan borstkanker (absoluut 3.315 vrouwen). Borstkanker is voor vrouwen in de leeftijdsklasse van 30-59 jaar één van de belangrijkste doodsoorzaken (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Borstkanker komt ook voor bij mannen

Niet alleen vrouwen krijgen borstkanker. In 2003 werd bij 71 mannen een invasieve vorm van borstkanker vastgesteld (bron: NKR). In 2004 overleden 18 mannen aan borstkanker (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

detailsPrevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd


13 december 2005
Borstkanker
Omvang van het probleem
Neemt het aantal mensen met borstkanker toe of af?

Aantal nieuwe gevallen van borstkanker gestegen door invoering screening

In de periode 1989-2003 is het absolute aantal vrouwen dat per jaar borstkanker krijgt, gestegen van circa 7.900 tot circa 11.700. Geschat wordt dat ongeveer de helft van deze toename is veroorzaakt door invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker, dat in 1988 van start is gegaan. De andere helft van de toename is waarschijnlijk toe te schrijven aan groei en de vergrijzing van de bevolking (Visser et al., 2003b). Gecorrigeerd voor de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking, nam de incidentie in de periode 1989-1994 toe met 21% (zie figuur 1). De toename in deze periode was het grootst bij vrouwen tussen de 50 en 70 jaar en is te verklaren door invoering van het bevolkingsonderzoek begin jaren negentig.

Laatste jaren stabiliseert incidentie van borstkanker

Na 1994 is de incidentie tot 1999 vrijwel constant gebleven. Vanaf 1999 ligt de incidentie op een iets hoger niveau (zie figuur 1). Er zijn twee belangrijke factoren die de trend in de incidentie vanaf 1994 beïnvloed hebben en die tegengesteld werken. Ten eerste is een groot deel van de langzaam groeiende tumoren al in de eerste ronde van het bevolkingsonderzoek op borstkanker, begin jaren negentig, aan het licht gekomen. In de vervolgronden is het detectiecijfer van deze tumoren dan lager. Het gevolg is dat de incidentie daalt. Ten tweede werden vanaf 1999 ook vrouwen tussen de 70 en 75 jaar uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek (Visser et al., 2003b). Tot dan toe werden alleen vrouwen van 50 tot 70 jaar uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Door deze uitbreiding van het bevolkingsonderzoek zal het detectiecijfer van tumoren weer zijn toegenomen, en hiermee de incidentie.

Sterfte neemt af

De sterfte aan borstkanker is in de periode 1979-1994 gelijk gebleven en daarna afgenomen (zie figuur 2). Deze afname betreft met name vrouwen in de leeftijdsgroep van 65-74-jarigen. De afname in sterfte wordt voor een groot deel veroorzaakt door invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Hierdoor wordt borstkanker in een eerder stadium ontdekt en kan de kanker eerder behandeld worden.

Stijging van incidentie bij vrouwen verwacht

Op basis van alleen demografische ontwikkelingen, is de verwachting dat de absolute incidentie van borstkanker bij vrouwen in de periode 2005-2025 met ongeveer 18% zal stijgen. Daarnaast is de verwachting dat het aantal oudere vrouwen met een sterke mate van overgewicht zal blijven stijgen. Dit kan leiden tot een nog grotere toename van de incidentie van borstkanker (zie ook: Welke factoren beïnvloeden de kans op borstkanker?). Als gevolg van de toenemende incidentie en verbeterde overleving wordt ook een sterke toename van de prevalentie van borstkanker verwacht. Een groot deel van deze vrouwen is overigens geheel klachtenvrij.

Incidentie onder mannen toegenomen

De incidentie van borstkanker bij mannen is in de periode 1989-2003 gestegen. In 1989 bedroeg het absoluut aantal nieuwe gevallen van borstkanker 40. In 2003 waren dat er 71 (bron: NKR). De sterfte als gevolg van borstkanker vertoonde gedurende dezelfde periode geen duidelijke trend en bleef over de gehele periode gelijk. De absolute sterfte bedroeg 18 in zowel in 1989 als 2003 (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Figuur 1: Incidentie van borstkanker bij vrouwen in de periode 1989-2003; gestandaardiseerd naar de Europese standaardbevolking en geïndexeerd (1989 is 100) (bron: NKR).

incidentie borstkanker 1989-2003

Figuur 2: Sterfte aan borstkanker bij vrouwen in de periode 1980-2004; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1980 is 100) (bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

sterte borstkanker 1980-2004

19 augustus 2008
Borstkanker
Omvang van het probleem
Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?


Zorgaanbod

Zorg voor borstkanker voornamelijk in het ziekenhuis

De zorg voor patiënten met borstkanker vindt grotendeels plaats in het ziekenhuis. Na screening bij het Bevolkingsonderzoek Borstkanker (zie ook borstkankerpreventie) of een consult bij de huisarts worden patiënten voor uitgebreide diagnostiek naar het ziekenhuis verwezen. In samenspraak met radioloog, patholoog, radiotherapeut en internist stelt de chirurg na de gestelde diagnose een specifiek behandelplan per patiënt op. De eerste stap in de curatieve zorg is meestal een operatie. De radiotherapeut en internist kunnen er tevens bij betrokken worden wanneer aanvullende bestraling of chemo- of hormoontherapie gegeven moeten worden.

Controlebezoeken na zorg in het ziekenhuis

Wanneer de curatieve zorg in het ziekenhuis afgerond is, maakt de patiënt afspraken voor controlebezoeken bij de behandelaar (chirurg, radiotherapeut of internist) op de polikliniek. Deze controles vinden in het eerste jaar na de behandeling elke drie maanden plaats. In de opeenvolgende jaren nemen deze vervolgcontroles bij de behandelend specialisten af in frequentie naar één keer per halfjaar of jaar. Voor klachten tussen de controles op de polikliniek in, kan een patiënt terecht bij de huisarts. De huisarts is door middel van een brief van de specialist op de hoogte gesteld van de behandeling in het ziekenhuis.

Sterke stijging aantal dagopnamen

Het aantal vrouwen dat in een jaar in het ziekenhuis is opgenomen voor borstkanker (ziekenhuisprevalentie, dit betreft zowel klinische als dagopnamen) is in de periode 1995-2004 met 13% toegenomen. Het aantal klinische opnamen is iets afgenomen. Het aantal opnamedagen (exclusief dagopnamen) is in de periode 1995-2004 gehalveerd, terwijl het aantal dagopnamen ruim 4,5 keer zo veel is geworden (zie figuur 1). Bij al deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.

Gemiddelde opnameduur in tien jaar gehalveerd

Het absoluut aantal klinische opnamen voor borstkanker is voor vrouwen toegenomen van 13.053 in 1995 naar 14.459 in 2005. Het absoluut aantal dagopnamen heeft in die periode een sterke groei doorgemaakt: van 2.037 in 1995 naar 12.986 in 2005. De gemiddelde klinische opnameduur is gehalveerd. In 1995 lagen vrouwen met borstkanker nog gemiddeld tien dagen in het ziekenhuis, in 2005 slechts vijf dagen (LMR).

Figuur 1: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen met borstkanker als hoofdontslagdiagnose in de periode 1995-2004; gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking en geïndexeerd (1995 is 100) (Bronnen: CBS StatLine; LMR).

Trends in gegevens over ziekenhuiszorg voor borstkanker (1995-2004)

Voor meer informatie over de behandelingen zie Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?


Ontwikkelingen in de zorg

Diagnose voor borstkanker steeds vaker via mammapoli gesteld

In de IKW-regio werd in 2004 96% van de diagnoses borstkanker via een mammateam gesteld. In 2002 was dit percentage nog 89% (Blaauwgeers et al., 2005). Door invoering van speciale teams in het ziekenhuis, de mammateams of mammapoli’s, is de coördinatie van ziekenhuiszorg voor patiënten met borstkanker sinds 2001 veranderd. Deze teams zijn een samenwerkingsverband tussen de chirurg, radioloog, patholoog, radiotherapeut en mammacareverpleegkundige. Een snelle diagnostiek en een meer op maat gemaakt behandelplan zijn de belangrijkste aandachtspunten (CBO & NABON, 2005).

Aanvullende zorg ter verbetering van lichamelijk en psychisch functioneren

De patiënt met borstkanker kan meedoen aan een programma om het lichamelijk en psychisch functioneren te verbeteren. Sinds 1996 zijn op initiatief van integrale kankercentra ‘Herstel en Balans-programma’s’ opgestart voor mensen met kanker. Patiënten die dit programma gevolgd hebben, laten een significante verbetering zien in kwaliteit van leven en fysiek functioneren (Van Weert, 2005). 60% van de deelnemers aan dit programma is behandeld voor borstkanker.


Kosten

247 miljoen euro voor de zorg van borstkanker in 2005

De kosten van zorg voor borstkanker bedroegen in 2005 in totaal 247,2 miljoen euro. De kosten voor borstkanker maakten 9,3% uit van de totale kosten voor zorg van nieuwvormingen en 0,4% van de totale kosten voor gezondheidszorg in Nederland (Poos et al., 2008).

Ziekenhuiszorg grootste kostenpost voor borstkanker

Ruim de helft van de kosten voor borstkanker gaat naar ziekenhuiszorg (54,4%). De openbare gezondheidszorg (inclusief preventieve zorg) is verantwoordelijk voor 17,8%. Deze kosten worden vooral gemaakt voor de uitvoering van de borstkankerscreening. De kosten voor borstkanker in de openbare gezondheidszorg worden vooral gemaakt voor personen in de leeftijdsgroep 50-74 jaar (zie figuur 2 en zie ook borstkankerpreventie).

Hogere kosten door betere opsporing

In figuur 2 is een piek te zien in de kosten voor borstkanker bij vrouwen op 50-59 jarige leeftijd. Deze piek wordt mogelijk veroorzaakt doordat vrouwen vanaf hun vijftigste levensjaar worden uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Het aantal incidente gevallen op het vijftigste levensjaar zal hierdoor enigszins verhoogd zijn, omdat bij het bevolkingsonderzoek tumoren aan het licht kunnen komen die in de jaren voorafgaand aan het vijftigste levensjaar nog niet zijn ontdekt.

Figuur 2: Kosten van de zorg voor borstkanker naar leeftijd en sector in 2005 (bron: Kosten van Ziektenstudie).

Kosten van de zorg van borstkanker naar leeftijd en sector in 2005

31 maart 2009
Borstkanker
Geografische verschillen
Zijn er in Nederland verschillen naar regio?

Regio West-Holland en Nijmegen meeste ziekenhuisopnamen borstkanker

Per jaar vinden gemiddeld 12.960 opnamen plaats met als ontslagdiagnose borstkanker (berekend over de periode 1991-2000). Dit komt overeen met 16,5 opnamen per 10.000 vrouwen per jaar. Twee regio's (West-Holland en Nijmegen) hebben het meest aantal ziekenhuisopnamen. De regio West-Holland scoort hierbij het hoogst (23,0 opnamen per 10.000 vrouwen). De regio Westelijke Mijnstreek heeft het minst aantal opnamen per 10.000 vrouwen (11,7 opnamen per 10.000 vrouwen). Zie: atlasZiekenhuisopnamen voor borstkanker per GGD-regio in de periode 2001-2004.

Lage sterfte aan borstkanker in Utrecht en Zaanstreek-Waterland

Ieder jaar overlijden gemiddeld 3.348 vrouwen in Nederland aan borstkanker, dit komt overeen met 3,77 sterfgevallen per 10.000 vrouwen (berekend over de periode 2003-2006). Volgens de CBS Doodsoorzakenstatistiek wordt in Utrecht en Zaanstreek-Waterland de laagste sterfte aan borstkanker gemeld. De regio's die hoog scoren liggen verspreid over het land. De regio Rivierenland heeft de hoogste sterfte aan borstkanker.

Zie: atlasSterfte aan borstkanker per GGD-regio in de periode 2003-2006.


16 juni 2006
Borstkanker
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Incidentie

Nederlandse incidentie internationaal gezien hoog

De incidentie van borstkanker in Nederland is hoog vergeleken met de rest van de EU-15 (zie figuur 1). De precieze oorzaak van deze relatief hoge incidentie is niet bekend. Opvallend is wel dat een aantal risicofactoren voor het krijgen van borstkanker in Nederland veel voorkomt vergeleken met andere Europese landen.

Laat kinderen krijgen en weinig borstvoeding mogelijke oorzaken

Het op hogere leeftijd krijgen van het eerste kind brengt een verhoogde kans op borstkanker met zich mee. Sinds 1980 behoort Nederland tot de landen waar vrouwen op relatief hoge leeftijd hun eerste kind krijgen. Op dit moment voert Nederland hiermee de lijst van Europese landen aan met een gemiddelde leeftijd van 29,1 jaar (Raad van Europa, 2001; zie ook Verschillen in leeftijd van moeders tussen Nederland en andere landen). Verder heeft het geven van borstvoeding een beschermende werking tegen borstkanker. In vergelijking met de rest van Europa wordt er weinig borstvoeding gegeven in Nederland. Met name in de Scandinavische landen wordt meer en langer de borst gegeven. In Zweden krijgt ongeveer 80% van de baby's bij drie maanden borstvoeding, in Nederland slechts 31%. Dit percentage is begin 21ste eeuw wel toegenomen (Lanting et al., 2003). Overigens verklaart het geven van borstvoeding slechts een deel van de in Europa gevonden verschillen. In de Scandinavische landen is de incidentie van borstkanker namelijk ook relatief hoog.

Figuur 1: Incidentie van borstkanker bij vrouwen in een aantal Europese landen in 1998; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking (EUCAN, 2003).

borstkanker_internat_inc1998

Sterfte

Sterfte aan borstkanker hoog in Nederland maar trends zijn gunstig

Vanuit Europees perspectief is het aantal vrouwen dat in Nederland overlijdt aan borstkanker hoog (zie figuur 2). De trends in borstkankersterfte ontwikkelen zich echter gunstig (Levi et al., 2005). Dit geldt vooral voor Nederland. Hier wordt de afname in sterfte voor een groot deel veroorzaakt door invoering van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Hierdoor wordt borstkanker in een eerder stadium ontdekt en kan de kanker eerder behandeld worden. De procentuele afname in sterfte door borstkanker voor de hele EU-25 was -2,1 procent tussen 1995 en 2000 (Levi et al., 2005). Behalve in Nederland werden ook grote dalingen in sterfte geregistreerd in Noord-Europese landen waaronder enkele Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk, maar ook een aantal Midden- en Zuid-Europese landen zoals Duitsland, Polen, Tjechië, Oostenrijk, Italië en Spanje. In veel Midden-Europese landen komt de afname in sterfte vooral voor in de leeftijdsgroep beneden de vijftig jaar (Tyczynski et al., 2004). Een mogelijke verklaring hiervoor is vroegere opsporing en een grotere alertheid op borstkanker.

Europese landen gaan steeds meer op elkaar lijken met borstkankersterfte

De patronen in borstkankersterfte in Europa vertonen een zekere convergentie. Dat wil zeggen dat Europese landen steeds meer op elkaar gaan lijken. Dit verschijnsel kan te maken hebben met het feit dat ook de leefstijl en het voortplantingsgedrag (bijvoorbeeld aantal kinderen, leeftijd waarop men kinderen krijgt etc.) van verschillende landen steeds meer op elkaar gaan lijken (Levi et al., 2005).

Figuur 2: Sterfte ten gevolge van borstkanker bij vrouwen in een aantal Europese landen in 2001; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking (WHO-HFA, 2005).

borstkanker_internat_sterfte2005_nieuw

Overleving

5-jaarsoverleving voor borstkanker in Nederland gunstig

Nederland behoort tot de landen met een redelijk gunstige relatieve 5-jaarsoverleving (zie figuur 3). De verschillen in overleving komen vooral door verschillen in tumorstadium bij diagnose (Sant et al., 2003b). EUROCARE-onderzoekers noemen als mogelijke oorzaken voor die stadiumverschillen het kennisniveau van de bevolking over de vroege symptomen van borstkanker en de toegankelijkheid van de zorg. In sommige landen kan ook een achterblijvende kwaliteit van de medische zorg, zoals het minder vaak voorschrijven van chemotherapie en hormonale behandeling, hebben bijgedragen aan de slechtere overleving. Verschillende westerse landen rapporteren een verbetering in de overleving van borstkanker (Sant et al., 1998; Sant et al., 2003a).

Nederland binnen Europa vroeg met screening op borstkanker

Nederland was met de ruim 30 jaar geleden gestarte screeningsprojecten in Utrecht en Nijmegen één van de eerste Europese landen met een experimenteel bevolkingsonderzoek. In 1988 werd begonnen met een landelijk screeningsnetwerk. Internationale verschillen in overleving als gevolg van screening zullen op zijn vroegst de komende jaren duidelijk worden. Vanaf de implementatie van een screeningsprogramma duurt het namelijk ruim tien jaar voordat de effecten ervan zichtbaar worden (Van Dijck et al., 2000).

Figuur 3: Relatieve 5-jaarsoverleving van borstkanker bij vrouwen in een aantal EU-landen. De diagnose werd gesteld in de periode 1990-1994 (EUROCARE, 2003; Sant et al., 2003a). Cijfer voor Groot-Brittanië is het gewogen gemiddelde van Wales, Schotland en Engeland.

Relatieve 5-jaarsoverleving van borstkanker bij vrouwen in een aantal EU-landen


13 december 2005
Borstkanker
Omvang van het probleem
Prevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd

Prevalentie (per 1.000) op 01-01-2002

leeftijd

vrouwen

0-4

0,00

5-9

0,00

10-14

0,00

15-19

0,00

20-24

0,08

25-29

0,23

30-34

0,77

35-39

2,68

40-44

5,80

45-49

11,31

50-54

18,51

55-59

21,52

60-64

22,40

65-69

25,29

70-74

27,50

75-79

28,39

80-84

26,61

85+

24,75

IKZ/IKA

Incidentie (per 1.000 per jaar) in 2003

leeftijd

vrouwen

0-4

0,000

5-9

0,000

10-14

0,000

15-19

0,000

20-24

0,023

25-29

0,073

30-34

0,325

35-39

0,648

40-44

1,409

45-49

2,169

50-54

2,768

55-59

3,104

60-64

3,029

65-69

3,396

70-74

3,670

75-79

2,795

80-84

3,959

85+

3,693

NKR

Sterfte (per 100.000) in 2004

leeftijd

vrouwen

0

0,00

1-4

0,00

5-9

0,00

10-14

0,00

15-19

0,00

20-24

0,00

25-29

0,40

30-34

4,78

35-39

11,91

40-44

18,08

45-49

39,74

50-54

49,95

55-59

65,72

60-64

76,25

65-69

85,32

70-74

97,77

75-79

135,26

80-84

199,09

85+

302,14

CBS Doodsoorzakenstatistiek


Bronnen

Literatuur

Anglian Breast Cancer Study Group. Prevalence and penetrance of BRCA1 and BRCA2 mutations in a population-based series of breast cancer cases.  Br J Cancer 2000; 83: 1301-8.
Blaauwgeers HGT, Tollenaar RAEM, Beelen MLR, Bergman L, Boutkan H, Dam G van, et al. Normen voor mammazorg; kwaliteitsinformatiesysteem toetst de zorg voor patiënten met borstkanker.  Medisch Contact, 2005; 60(46): 1828-1831.
CBO & NABON, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Nationaal Borstkanker Overleg Nederland. Mammacarcinoom: screening en diagnostiek.  Den Haag: CBO/NABON, 2005.
Chen CL, Weiss NS, Newcomb P, Barlow W, White E. Hormone replacement therapy in relation to breast cancer.  JAMA 2002a; 287: 734-41.
Colditz GA, Hankinson SE, Hunter DJ, Willett WC, Manson JE, Stampfer MJ, et al. The use of estrogens and progestins and the risk of breast cancer in postmenopauzal women.  N Engl J Med, 1995; 332: 1589-93.
Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and hormonal contraceptives: collaborative re-analysis of individual data on 53 297 women with breast cancer and 100 239 women without breast cancer from 54 epidemiological studies.  Lancet 1996; 347: 1713-27.
Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and hormone replacement therapy: collaborative reanalysis of data from 51 epidemiological studies of 52,705 women with breast cancer and 108,411 women without breast cancer.  Lancet 1997; 350: 1047-59.
Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Familial breast cancer: collaborative reanalysis of individual data from 52 epidemiological studies incusing 58,209 women with breast cancer and 101,986 women without the disease.  Lancet 2001; 358: 1389-99.
Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and breastfeeding: collaborative reanalysis of individual data from 47 epidemiological studies in 30 countries, including 50302 women with breast cancer and 96973 women without the disease.  Lancet 2002; 360: 187-95.
Dijck JAAM van, Hendriks JHCL, Holland R, Schouten LJ, Verbeek ALM. Veranderde stadiumverdeling van borstkanker sinds de invoering van de landelijke screening; onderzoek over de periode 1989-1995.  Ned Tijdschr Geneeskd 2000; 144 (23): 119-124.
Dongen JA van, Voogd AC, Fentiman IS, Legrand C, Sylvester RJ, Tong D, et al. Long-term results of a randomized trial comparing breast-conserving therapy with mastectomy: European Organization for Research and Treatment of Cancer 10801 trial.  J Natl Cancer Inst, 2000; 92: 1143-50.
EBCTCG, Early Breast Cancer Trialists' Collaborative Group. Effects of chemotherapy and hormonal therapy for early breast cancer on recurrence and 15-year survival: an overview of the randomised trials.  Lancet, 2005; 365: 1687-1717.
Ernst MF, Voogd AC, Coebergh JW, Roukema JA. Betere prognose en gunstiger tumorstadium bij patiënten met invasief mammacarcinoom na de introductie van het bevolkingsonderzoek op borstkanker in Tilburg.  Ned. Tijdschr. Geneesk., 2004; 148: 378-382.
Harris JR, Lippman ME, Veronesi U, Willett W. Breast cancer.  N Engl J Med 1992; 327: 319-328, 390-398, 473-480.
Hartmann LC, Sellers TA, Frost MH, Lingle WL, Degnim AC, Gosh K, et al. Benign breast disease and the risk of breast cancer.  N. Engl. J. Med., 2005; 353(21): 229-237.
IKZ, Integraal Kankercentrum Zuid. Van meten naar weten; 50 jaar kankerregistratie.  Eindhoven: IKZ, 2005.
Julien JP, Bijker N, Fentiman IS, Peterse JL, Delledonne V, Rouanet P, et al. Radiotherapy in breast-conserving treatment for ductal carcinoma in situ: first results of the EORTC randomised phase III trial 10853. EORTC Breast Cancer Cooperative Group and EORTC Radiotherapy Group.  Lancet, 2000; 355: 528-33.
Kelsey JL, Berkowitz GS. Breast cancer epidemiology.  Cancer Res 1988; 48: 5615-23.
KWF Kankerbestrijding. De rol van lichaamsbeweging bij preventie van kanker. Van Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding.  Den Haag: KWF Kankerbestrijding, 2005c.
Lanting CI, Herschderfer K, Wouwe JP van, Reijneveld SA. Effect van invoering van het Baby Friendly Hospital Initiative op het geven van borstvoeding in Nederland. TNO-Rapport nr. 2003.212.  Leiden: TNO, 2003.
Levi F, Bosetti C, Lucchini F, Negri E, La Vecchia C. Monitoring the decrease in breast cancer mortality in Europe.  Eur J Cancer Prev, 2005; 14(6): 497-502.
Million Women Study. Breast cancer and hormone-replacement therapy in the Million Women Study.  The Lancet, 2003; 362: 419-427.
Newcomb PA, Storer BE, Longnecker MP, Mittendorf R, Greenberg ER, Clapp RW, et al. Lactation and a reduced risk of premenopausal breast cancer.  N Engl J Med 1994; 330: 81-87.
Nieweg OE, Rutgers EJ, Jansen L, Valdes Olmos RA, Peterse JL, Hoefnagel KA, et al. Is lymphatic mapping in breast cancer adequate and safe?  World J Surg, 2001; 25: 780-8.
NKR, Nederlandse Kanker Registratie. Incidence of Cancer in the Netherlands 1992.  Utrecht: NKR, 1995.
Poos MJJC, Smit JM, Groen J, Kommer GJ, Slobbe LCJ. Kosten van ziekten in Nederland 2005. RIVM-rapport nr. 270751019.  Bilthoven: RIVM, 2008.
Raad van Europa. Recent demographic developments in Europe.  Straatsburg: Council of Europe Publishing, 2001.
Rutgers EJT, Tuut MK. CBO-richtlijn 'Mammacarcinoom: screening en diagnostiek'.  Ned Tijdschr Geneeskd 2001; 145: 115-119.
Sant M, Allemani C, Capocaccia R, Hakulinen T, Aareleid T, Coebergh JW, et al. Stage at diagnosis is a key explanation of differences in breast cancer survival across Europe.  Int. J. Cancer, 2003b; 106: 416–422.
Sant M, Aareleid T, Berrino F, Bielska Lasota M, Carli PM, Faivre J, et al. EUROCARE-3: survival of cancer patients diagnosed 1990-94. Results and commentary.  Ann Oncol, 2003a; 14(Suppl 5): v61-118.
Sant M, Capoccia R, Verdecchia A, Estève J, Gatta G, Mecheli A, et al. Survival of women with breast cancer in Europe: variation with age, year of diagnosis and country. The EUROCARE Working Group.  Int J Cancer, 1998; 77(5): 679-83.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding. Kanker in Nederland; Trends, prognoses en implicaties voor zorgvraag.  Amsterdam: KWF Kankerbestrijding, 2004b.
Smith-Warner SA, Spiegelman D, Yaun SS, Brandt PA van den, Folsom AR, Goldbohm RA, et al. Alcohol and breast cancer in women: a pooled analysis of cohort studies.  JAMA, 1998; 279: 535-40.
Tyczynski JE, Plesko I, Aareleid T, Primic-Zakelj M, Dalmas M, Kurtinaitis J, et al. Breast cancer mortality patterns and time trends in 10 new EU member states: mortality declining in young women, but still increasing in the elderly.  Int J Cancer, 2004; 112(6): 1056-64.
Veronesi U (ed.). Breast cancer, textbook for general practitioners.  Berlin Heidelberg: Springer-Verlag, 1990.
Vijver MJ van de, He YD, Veer LJ van 't, Dai H, Hart AAM, Voskuil DW, et al. A gene expression signature as a predictor of survival in breast cancer.  N. Engl. J. Med., 2002; 347(25): 1999-2009.
Visser O, Leeuwen FE van. Stage-specific survival of epithelial cancers in North-Holland/Flevoland, The Netherlands.  European Journal of Cancer, 2005; 41: 2321-30.
Visser O, Siesling S, Dijck JAAM van (eds.). Incidence of cancer in the Netherlands 1999/2000.  Utrecht: Vereniging van Integrale Kankercentra, 2003b.
Weert E van. A multidimensional cancer rehabilitation program for cancer survivors; Effectiveness on health-related quality of life.  Journal of Psychosomatic Research, 2005; 58(6).
Zwaveling A, Bosman FT, Schaberg A. Velde CJH van de, Wagener DJTh. (eds.). Oncologie.  Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1991.

Gegevensbronnen

CBS Doodsoorzakenstatistiek. Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
CBS StatLine. De elektronische databank van het CBS. Bevat statistische informatie over vele maatschappelijke en economische onderwerpen in de vorm van tabellen en grafieken.
EUCAN. European network of Cancer Registries (IARC)
EUROCARE. EUROCARE (IARC)
IKA. Kankerregistratie IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland).
IKZ. Kankerregistratie IKZ-regio (Noord-Brabant en Noord-Limburg).
LMR. Landelijke Medische Registratie (Prismant).
NKR. Nederlandse Kanker Registratie (VIKC).
WHO-HFA. WHO - Health For All database

Begrippen

Afkortingen

BRCA   BReast CAncer
CBG   College ter beoordeling van geneesmiddelen
CBO   Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO (voorheen: Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing)
DNA   Desoxyribo nucleic acid
EU   Europese unie
EU-15   De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
HST   Hormoonsuppletietherapie
ICD   International Classification of Diseases
IKA   Integraal Kankercentrum Amsterdam
IKW   Integraal Kankercentrum West
IKZ   Integraal Kankercentrum Zuid
PET   Positron emission tomography
Relatieve 5-jaarsoverleving   Relatieve 5-jaarsoverleving

Definities

Lobulaire   Borsttumoren van het lobulaire type zijn ontstaan in de melkkliertjes en groeien meestal verspreid door de borst.
Meta-analyse   Een kwantitatieve methode om op basis van aanwezige informatie tot een globale conclusie te komen, bijvoorbeeld een nauwkeuriger schatting van de grootte van het effect van een behandeling of interventie.
Recidief   Het opnieuw optreden van de (verschijnselen van de) ziekte.
Relatieve n-jaarsoverleving   De kans dat iemand een vastgesteld aantal jaren (n) na diagnose van een bepaalde ziekte niet aan die ziekte overleden is. Deze kans wordt als volgt geschat: de geobserveerde overleving (onafhankelijk van doodsoorzaak) van de patiëntengroep gedeeld door de verwachte overleving van een groep met een zelfde leeftijds- en geslachtsopbouw uit de algemene populatie (op basis van sterftetafels van de algemene bevolking).