De belangrijkste symptomen van depressie zijn een aanhoudende neerslachtige stemming en een ernstig verlies aan interesse in bijna alle dagelijkse activiteiten. Depressie moet niet worden verward met de 'gewone' neerslachtigheid die iedereen wel eens heeft. De neerslachtigheid bij depressie is heviger en klaart na een paar dagen niet vanzelf op.
In het diagnostische handboek DSM-IV wordt depressie onderverdeeld in de depressieve stoornis en dysthymie. Een depressieve stoornis kan van korte duur zijn (enkele weken tot maanden) maar ook een chronische aard hebben. Dysthymie is een mildere vorm van chronische depressie, met een minimale duur van twee jaar. Dysthymie kan tijdelijk overgaan in een depressieve stoornis, dit heet dan een dubbele depressie.
Ongeveer 850.000 mensen met depressie
Naar schatting waren er in 2003 in Nederland 856.000 mensen van 13 jaar en ouder die in het jaar daarvoor gedurende enige tijd leden aan depressie. Daarvan hadden naar schatting 737.000 een depressieve stoornis, en 317.000 dysthymie. Ongeveer 198.000 mensen voldeden in het afgelopen jaar aan de criteria voor beide diagnoses. De Nederlandse cijfers komen overeen met die in andere westerse landen.
Geen sterke toename van depressie
Er zijn geen aanwijzingen dat het aantal mensen met depressie de laatste tien jaar sterk is toegenomen. Uitgaande van de demografische ontwikkelingen zal het absolute aantal nieuwe gevallen van depressieve stoornissen dat de huisarts diagnosticeert tussen 2005 en 2025 met 4% stijgen.
Zorggebruik bij depressie neemt sterk toe
Het aantal mensen met depressie in behandeling is de laatste tien jaar sterk toegenomen. Zo is het aantal bij de huisarts bekende patiënten met depressie van 1994 tot 2004 ongeveer verdubbeld. Daarnaast steeg het aantal voorschriften voor antidepressiva van 2,9 miljoen in 1997 tot 5,5 miljoen in 2004. In de tweede helft van 2004 haalden in totaal 760.000 mensen in Nederland antidepressiva bij hun apotheek. De huisarts herkent en behandelt steeds meer mensen met depressie. Toch ontvangt meer dan de helft van de mensen met depressie nog altijd geen behandeling.
Depressie één van de duurdere ziekten
Depressie is op bevolkingsniveau één van de duurdere ziekten. In 2005 bedroegen de kosten van zorg voor mensen met een depressie 773 miljoen euro. Hiervan ging het grootste deel naar de geestelijke gezondheidszorg (58%), gevolgd door genees- en hulpmiddelen (15%).
Richtlijnen voor behandeling van depressie verschenen
In 2005 verscheen de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie, met aanbevelingen voor diagnostiek en behandeling bij volwassenen. Afhankelijk van de ernst en de duur van de depressie kan worden gekozen uit praktische ondersteuning, psychotherapie, medicatie, of een combinatie van interventies. In 2003 verscheen daarnaast de herziene NHG-standaard ‘Depressieve Stoornis’ voor huisartsen.
Preventie van depressie is mogelijk
De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor de preventie van depressie. Van enkele preventieve interventies is inmiddels aangetoond dat ze nieuwe gevallen van depressie daadwerkelijk kunnen voorkomen. Het gaat dan vooral om cursussen in groepsverband voor mensen met beginnende depressieve klachten. Onder de naam ‘In de Put Uit de Put’ worden dergelijke cursussen door de meeste GGZ-instellingen in Nederland aangeboden.
De depressieve stoornis en dysthymie zijn beide stemmingsstoornissen. De belangrijkste symptomen zijn een aanhoudende neerslachtige stemming en een ernstig verlies aan interesse in bijna alle dagelijkse activiteiten. Er bestaan ook andere stemmingsstoornissen - zoals de bipolaire stoornis - maar in deze beschrijving van depressie beperken we ons tot de depressieve stoornis en dysthymie.
Depressieve stoornis
Iemand heeft een depressieve stoornis volgens de DSM-IV (codes 296.2 en 296.3) wanneer hij of zij gedurende tenminste twee weken last heeft van ten minste vijf van de negen onderstaande symptomen.
Van de twee kernsymptomen moet er minstens één aanwezig zijn:
Een zeer neerslachtige stemming gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag.
Een ernstig verlies van interesse in alle of bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag, bijna elke dag.
Daarnaast dienen nog minimaal drie of vier overige symptomen aanwezig te zijn:
Eetproblemen (heel veel of juist heel weinig eten) en veranderingen in het gewicht.
Slaapproblemen.
Geagiteerd en rusteloos zijn of juist geremd.
Vermoeidheid en verlies van energie.
Gevoelens van waardeloosheid of overmatige schuld.
Concentratieproblemen, vertraagd denken en besluiteloosheid.
Terugkerende gedachten aan dood of zelfdoding.
Dysthymie
Het belangrijkste kenmerk van dysthymie is volgens de DSM-IV (code 300.40) een chronisch depressieve stemming die het grootste deel van de dag aanwezig is, op meer dagen wel dan niet, gedurende tenminste twee jaar.
Van dysthymie wordt gesproken als tenminste twee van de volgende symptomen lange tijd aanwezig zijn, gedurende 2 jaar voor volwassenen en 1 jaar voor kinderen. De symptomen mogen nooit langer dan 2 maanden afwezig zijn:
Slechte eetlust of juist te veel eten.
Slaapgebrek of juist te veel slapen.
Gebrek aan energie of vermoeidheid.
Gering gevoel van eigenwaarde.
Slecht kunnen concentreren of besluiteloos zijn.
Gevoelens van hopeloosheid.
De symptomen mogen niet het gevolg zijn van de fysiologische effecten van alcohol of drugsgebruik of van een lichamelijke ziekte. Andere psychische stoornissen die de symptomen zouden kunnen verklaren worden uitgesloten.
Onderscheid depressieve stoornis en dysthymie
Dysthymie en depressie zijn zeer nauw verwant. Het onderscheid is in sommige gevallen nauwelijks te maken.
Uit onderzoek blijkt dat depressieve patiënten regelmatig met meer dan een subtype van depressie te maken krijgen (Judd, 1997a). Om die reden wordt ook wel gesteld dat dysthymie en depressie verschillende fases zijn in een spectrum van stemmingsstoornissen met één oorzaak (Judd, 1997b).
Dysthymie wordt beschouwd als een minder ernstige stemmingsstoornis dan depressie (twee tot vijf symptomen in plaats van minimaal vijf), maar kan door het chronisch verloop ook ernstige gevolgen hebben.
Wanneer mensen met een dysthymie tijdelijk ook aan een depressieve stoornis lijden, spreekt men wel van een ‘dubbele depressie’.
Wat is de kwaliteit van leven bij een depressie?
Depressie heeft grote gevolgen voor de kwaliteit van leven
Mensen met depressie zijn vaak ernstig beperkt in hun sociaal- en maatschappelijk functioneren. Uit onderzoek met de SF-36 blijkt dat een depressie voor alle aspecten negatieve gevolgen heeft. Met name de vitaliteit, het sociaal functioneren, het rolfunctioren en de geestelijke gezondheid zijn ernstig aangetast (zie Tabel 1) (Bijl & Ravelli, 2000; Kruijshaar et al., 2003a).
Kwaliteit van leven afhankelijk van de ernst en de duur
Er is een relatief groot verschil tussen de kwaliteit van leven bij lichte en een ernstige depressie. De kwaliteit van leven neemt af met de ernst van de depressie (Kruijshaar et al., 2003a). In een symptoomvrije periode kan er angst zijn dat de klachten weer terugkomen. Als de depressieve periodes aanhouden kunnen die overgaan in een chronisch beloop. Dit komt vooral voor bij lichte depressies. Met de duur van de depressie neemt echter ook de kans op lichamelijke ziekten toe door het optreden van weerstandsdaling of zelfverwaarlozing.
Jaar na ziekte nog steeds slechtere kwaliteit van leven
Personen die al een jaar diagnosevrij zijn, geven nog steeds aan dat hun kwaliteit van leven minder is dan van personen die nooit depressie gehad hebben (Bijl & Ravelli, 2000). Waarschijnlijk is dit niet het gevolg van depressie in het verleden, maar betreft dit een groep personen die een labieler gesteldheid heeft dan anderen. Deze gesteldheid heeft zich vroeger in episodes van depressie geuit en heeft uiteindelijk een verminderde kwaliteit van leven tot gevolg (Weel-van Baumgarten, 2000).
Depressie hoog op DALY-ranglijst
Voor de hele Nederlandse bevolking is het verlies aan kwaliteit van leven door depressie vergelijkbaar met dat van enkele ernstige en veelvoorkomende somatische ziekten. Met 169.800 Disabilty-Adjusted Life-Years (DALY's) stond depressie in 2000 op de zesde plaats in een rangorde van 49 geselecteerde ziekten. Deze psychische ziekte staat daarmee vlak boven longkanker en diabetes mellitis. (Van Oers, 2002a).
Bij de berekening van de DALY's worden drie cijfers gecombineerd:
Het aantal verloren levensjaren als gevolg van overlijden.
Het aantal mensen dat lijdt aan de ziekte (maand-prevalentie).
Een wegingsfactor voor de ernst van de ziekte.
Volgens de doodsoorzaken statistieken van het CBS leidt depressie vrijwel niet tot verloren levensjaren. In 2000 leden 407.700 mensen aan depressie. De wegingsfactor van depressie is 0,42 (zie ook Wat is de relatie tussen ziekten en kwaliteit van leven?): een patiënt met depressie verliest gemiddeld 42% van de kwaliteit van leven. Het totaal aantal DALY's voor depressie in Nederland kwam daarmee in 2000 op 407.700 x 0,42 = 169.800.
Tabel 1. Verschil in kwaliteit van leven (SF-36) tussen patiënten met depressie en de algemene populatie (18-64 jaar). Een verschil wijst op een slechtere kwaliteit van leven voor patiënten.
Verschil tussen patiënten en de algemene populatie
Een periode waarin iemand voldoet aan de criteria voor de depressieve stoornis wordt wel een 'depressieve episode' genoemd. Zo'n episode duurt, ook zonder behandeling, gemiddeld 8 maanden.
De duur varieert nogal. De helft van de episodes is korter dan 3 maanden, terwijl een op de vijf langer duurt dan 2 jaar.
De kans op terugval is groot: bij 40% van de mensen met depressie keert de stoornis binnen twee jaar terug.
Bovenstaande cijfers gelden niet voor mensen met depressie die in een ziekenhuis zijn opgenomen. Deze patiënten hebben over het algemeen ernstiger symptomen, grotere beperkingen in functioneren en meer kans op bijkomende ziektes dan andere mensen met een depressieve stoornis. Dit verklaart waarom de vooruitzichten voor hen slechter zijn, ook bij intensieve behandeling: (Judd, 1997a).
Ongeveer 60% van de opgenomen patiënten wordt binnen 15 jaar opnieuw voor depressie opgenomen.
Ongeveer 10% pleegt suïcide.
Slechts één op de vijf blijft nieuwe depressieve episodes bespaard.
Ongeveer 40% van de personen met dysthymie herstelt pas na 2 tot 3 jaar.
Ongeveer de helft is hersteld na 5 jaar met een gemiddelde duur van 4,8 jaar.
Bijna de helft van alle mensen die ooit dysthymie hebben gehad, krijgt het opnieuw.
13 december 2005
Depressie
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op depressie?
Er bestaat niet één oorzaak voor depressie. Aangenomen wordt dat het om een samenspel van factoren gaat. In het Dynamische Stress-Kwetsbaarheidsmodel worden de volgende groepen determinanten onderscheiden: persoonsgebonden factoren, omgevingsgebonden factoren en levensgebeurtenissen.
Persoonsgebonden determinanten
Genetische factoren
Kinderen van ouders met een depressie hebben bijna driemaal zoveel kans om zelf de stoornis te krijgen als kinderen van andere ouders (Schoemaker & De Ruiter, 2005).
Persoonlijkheidskenmerken
Depressie komt meer dan gemiddeld voor bij mensen met excessieve geremdheid, een geringe zelfwaardering, een neurotische persoonlijkheid, hoge interpersoonlijke sensitiviteit, een internaliserende copingstijl bij tegenslag en kritiek (overdrijven, vermijding, zelfverwijt en schuldgevoelens) en bij mensen met een homoseksuele voorkeur (Maas & Jansen, 2000). Zie ook persoonlijkheidskenmerken.
Gezondheidstoestand
Hormonale afwijkingen door aandoeningen aan de schildklier of de bijnier kunnen leiden tot depressie. Andersom kan depressie ook leiden tot hormonale afwijkingen. Depressie hangt daarnaast samen met een verlaagde activiteit van twee neurotransmittersystemen in de hersenen: het serotonerge en het noradrenerge systeem. De meeste antidepressiva werken in op beide systemen (Vandereycken et al., 2000).
Depressie komt meer dan gemiddeld voor bij mensen met een andere psychische stoornis (Schoemaker & De Ruiter, 2005). Ook mensen met een chronische lichamelijke ziekte zoals dementie, de ziekte van Parkinson en CVA hebben een verhoogd risico op depressie. Depressieve symptomen bij ouderen zijn voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de functionele gevolgen van somatische ziekten (Maas & Jansen, 2000).
Omgevingsgebonden determinanten
Sociale relaties en gezinssituatie
Depressie komt meer dan gemiddeld voor bij mensen (met name mannen) die weinig sociale steun krijgen, zoals alleenstaanden en gescheiden mensen (Klein et al., 1995). Ook armoede vergroot het risico op depressie (Weissman et al., 1988). Andere groepen met een verhoogd risico op depressie zijn gedetineerden, mensen die zorgen voor een partner met dementie of Parkinson, en ouderen die lang verblijven in een verpleeghuis (Schoemaker & De Ruiter, 2005). (Zie ook: de mogelijke gezondheidsgevolgen van sociale steun).
Levensgebeurtenissen
Traumatische jeugdervaringen waaronder mishandeling en emotionele verwaarlozing verhogen later de kwetsbaarheid voor psychische stoornissen, waaronder depressie (Schoemaker & De Ruiter, 2005 ; Maas & Jansen, 2000). Het meemaken van traumatische gebeurtenissen vergroot bij volwassenen de kans dat zij spoedig daarna met depressie te kampen krijgen. Dit is onder andere het geval bij vluchtelingen. Ook andere stressvolle levensgebeurtenissen verhogen het risico op depressie, zoals gebeurtenissen op het interpersoonlijke vlak (vooral bij vrouwen) of aan de gezondheid gerelateerde gebeurtenissen (vooral bij ouderen) (Maas & Jansen, 2000; Devanand et al., 2002; Beekman et al., 2004)
13 december 2005
Depressie
Diagnostiek, behandeling en zorggebruik
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?
Multidisciplinaire Richtlijn Depressie bij volwassenen verschenen
In 2005 verscheen de Multidisciplinaire Richtlijn Depressie (CBO & Trimbos-instituut, 2005b), met aanbevelingen voor diagnostiek en behandeling van depressie bij volwassenen. In 2003 verscheen daarnaast de herziene NHG-standaard ‘Depressieve Stoornis’ voor de huisartsen. De onderstaande teksten over diagnostiek en behandeling van depressie bij volwassenen van 18 tot en 65 jaar zijn vooral gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn. Daarnaast wordt apart aandacht besteed aan jongeren en ouderen. Voor depressie bij kinderen en jeugdigen is er een recente Britse richtlijn (NICE, 2005).
Zie voor meer informatie de volgende documenten op de website ggz-richtlijnen:
Het stellen van de diagnose depressie kent globaal drie fasen:
Het begint meestal met een vermoeden van depressie. Dit vermoeden kan ontstaan bij de behandelaar door een opmerking van de depressieve persoon, of een globale indruk. Voor deze fase van de diagnostiek bestaan ook hulpmiddelen: zogenaamde screeningsinstrumenten (korte vragenlijsten).
Dit vermoeden van depressie wordt vervolgens getoetst door de klachten uit te vragen en te classificeren volgens een diagnostisch systeem (meestal de DSM-IV). In deze fase vindt ook de differentiële diagnostiek plaats en worden bijkomende stoornissen nagevraagd. Voor deze tweede fase van de diagnostiek bestaan ook gestandaardiseerde diagnostische interviews.
Wanneer de diagnose depressie eenmaal is gesteld, kan vervolgens nog worden gekeken naar de ernst van de depressie. Ook voor deze derde fase staan de hulpverlener verschillende hulpmiddelen - interviews, observatieschalen en vragenlijsten - ter beschikking.
In de praktijk lopen deze fasen vaak door elkaar. Ook wordt wel eens een fase overgeslagen.
Behandeling van depressie bij volwassenen
Op grond van de diagnostiek – en dan vooral de duur en de ernst van de depressie – wordt in de multidisciplinaire richtlijn (CBO & Trimbos-instituut, 2005b) een onderscheid gemaakt tussen vier soorten depressie.
Bij een niet-ernstige en kortdurende depressie is de kans op herstel groot. Kortdurende, niet-medicamenteuze behandelingen kunnen daarbij helpen. Te denken valt aan voorlichting, zelfhulpboeken, ondersteunende gesprekken of fysieke inspanning. De behandelaar (meestal de huisarts) kan enkele vervolgafspraken maken om te controleren of herstel inderdaad intreedt.
Bij een depressie die langer duurt dan 3 maanden kan in eerste instantie worden gekozen uit psychotherapie of antidepressiva. Een voorkeur wordt in de richtlijn niet gegeven. Wanneer de een onvoldoende werkt, kan de ander worden toegevoegd.
Bij een ernstige depressie hebben medicijnen de voorkeur, eventueel aangevuld met psychotherapie. Zodra herstel intreedt, moeten de medicijnen nog een half jaar lang worden geslikt. Bij een terugkerende depressie is dat minstens twee jaar.
Bij een seizoensgebonden depressie (ook wel ‘winterdepressie’ genoemd) wordt lichttherapie aangeraden.
Diagnostiek en behandeling van depressie bij jeugdigen
Depressie bij jongeren wordt niet altijd herkend, omdat ze de neiging hebben om het depressieve gevoel te ontkennen en te overdekken met stoer of agressief gedrag. Antidepressiva werken niet bij jonge kinderen, en slechts beperkt bij adolescenten. Psychologische behandelingen werken wel bij jongeren (NICE, 2005).
Diagnostiek en behandeling van depressie bij ouderen
Ouderen presenteren depressie meer dan jongeren door middel van lichamelijke klachten, en klachten over de spijsvertering, of de stofwisseling. Depressie wordt door ouderen ook vaker gepresenteerd als ‘aan de dood denken’ en gaat gepaard met een gebrek aan energie, gevoelens van spanning en prikkelbaarheid. Dit zijn symptomen die behandelaars soms ten onrechte aan het ouder worden toeschrijven (Van Tilburg & Beekman, 1997, Volkers et al., 2004). Antidepressiva werken bij ouderen, ook als er sprake is van bijkomende lichamelijke klachten (Schoemaker et al., 2002). Psychologische behandelingen werken ook bij ouderen (Cuijpers & Dekker, 2005).
Preventie van depressie is mogelijk
Van enkele preventieve interventies is inmiddels aangetoond dat ze nieuwe gevallen van depressie daadwerkelijk kunnen voorkomen (Cuijpers et al., 2005). Het gaat dan vooral om cursussen in groepsverband voor mensen met beginnende depressieve klachten. Onder de naam ‘In de Put Uit de Put’ worden dergelijke cursussen door de meeste GGZ-instellingen in Nederland aangeboden. Zie ook preventie van depressie.
Ongeveer 850.000 mensen met depressie in Nederland
In 2003 leed naar schatting 6,3% van de inwoners van Nederland van 13 jaar en ouder aan depressie (jaar-prevalentie). In totaal waren dat 856.000 mensen, waarvan ongeveer 737.000 een depressieve stoornis hadden, en 317.000 dysthymie. Ongeveer 198.000 mensen voldeden in het afgelopen jaar aan beide diagnoses.
Deze cijfers staan in tabel 1. Ze zijn gebaseerd op drie vrij oude bevolkingsonderzoeken uit de jaren negentig: Verhulst et al., 1997a (uitgevoerd in 1993), NEMESIS (in 1996, 1997 en 1999) en LASA (in 1992/1993). Voor de schatting van het aantal mensen met depressie in 2003 zijn de veranderingen in de bevolkingsopbouw en omvang tussen het jaar van het onderzoek en 2003 meegenomen. Hoewel op grond van Amerikaans onderzoek (Kessler et al., 2005) wordt aangenomen dat er van een werkelijke toename van depressie geen sprake is geweest, moeten deze cijfers met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral vrouwen lijden aan depressie
Depressie komt tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen. Van alle inwoners van Nederland van 13 jaar en ouder leed in 2003 4,3% van de mannen, en 8,2 % van de vrouwen aan depressie. In totaal zijn dat 290.000 mannen en 567.000 vrouwen, ouder dan 13 jaar. Onder volwassenen en ouderen komt depressie ongeveer tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen; bij jongeren tussen 13 en 17 jaar is dat driemaal. Het beloop en de kans op herhaling is ongeveer gelijk (Schoemaker & De Ruiter, 2005).
Vooral volwassenen lijden aan depressie
Ongeveer één op de 16 volwassenen tussen 18 en 65 jaar (6,6 %) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn naar schatting 685.000 mensen. Onder jongeren komt depressie in verhouding iets minder voor: ongeveer één op de 22 jongeren van 13 tot 17 jaar (4,5%) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn ongeveer 44.000 jongeren; ongeveer één leerling in iedere schoolklas. Bij ouderen komt depressie ook iets minder vaak voor dan bij volwassenen jonger dan 65 jaar. Ongeveer één op de achttien ouderen (5,7%) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn in totaal 128.000 mensen.
Meer depressie onder Marokkanen in Nederland
Depressie lijkt bij volwassenen van Marokkaanse afkomst vaker voor te komen dan bij volwassenen van Nederlandse afkomst (De Graaf et al., 2005c). Bij oudere Marokkanen en Turken komen depressieve gevoelens ook vaker voor (Van der Wurff et al., 2004). Dit is gedeeltelijk te verklaren door verschillen in sociaal-economische status. Mogelijk speelt ook immigratie een rol. Zie ook Zijn er verschillen naar etniciteit?
Jaarlijks krijgen ruim 285.000 volwassenen een eerste depressie
De incidentie van een depressieve stoornis wordt op basis van het NEMESIS-onderzoek onder 18-64-jarigen vastgesteld op 17,3 per 1.000 mannen per jaar en 38,8 per 1.000 vrouwen per jaar (absoluut 89.900 mannen en 195.900 vrouwen). De incidentie van een dysthyme stoornis werd berekend op 4,1 per 1.000 mannen per jaar en 3,9 per 1.000 vrouwen per jaar (absoluut 21.300 mannen en 19.600 vrouwen). De leeftijdspecifieke cijfers zijn hierbij gestandaardiseerd naar de bevolking van 2003. Het betreft hier 'first incidence' cijfers; dat wil zeggen dat het gaat om gevallen van depressie bij personen die eerder in hun leven geen depressie hebben doorgemaakt. Het kan wel zo zijn dat personen met bijvoorbeeld een eerste depressieve stoornis, eerder al een dysthyme stoornis (of andere psychische stoornis) doormaakten. Zie ook Wat is depressie?
Depressie doet zich veel voor op de leeftijd van 25 tot 45 jaar, en komt minder voor bij ouderen en kinderen (Schoemaker & De Ruiter, 2005). Van alle mensen die ooit een depressie hebben gehad, kreeg bijna de helft (40%) de stoornis voor het eerst tussen het 15de en 35ste jaar. Uit onderzoek naar dysthymie bij ouderen blijkt dat zij vaak pas op latere leeftijd (tussen hun 50e en 60e jaar) dysthymie hebben gekregen, vaak vlak na een stresvolle levensgebeurtenis (Devanand et al., 2002; Beekman et al., 2004).
Depressie verdubbelt kans op vroegtijdig overlijden
In 2003 zijn volgens het CBS slechts 17 mensen (4 mannen en 13 vrouwen) overleden aan depressie. Depressie heeft echter een grotere invloed op de sterftekans dan deze sterftecijfers suggereren (Schoevers et al., 2004). Zo is in deze cijfers het aantal gevallen van zelfdoding als gevolg van depressie niet meegenomen. Jaarlijks overlijden ongeveer 1.500 mensen door zelf toegebracht letsel. Bij ongeveer 30% van deze gevallen was sprake van depressie (Bertolote et al., 2004). Daarnaast wordt het overlijden van mensen met een depressie én een ernstige lichamelijke aandoening door het CBS niet meegenomen in de sterftecijfers voor depressie. Onbedoeld ontstaat zo het beeld dat depressie vrijwel geen invloed heeft op de sterftekans. Dat beeld is onjuist. Mensen met een lichamelijke aandoening én een depressie lopen namelijk twee maal zoveel kans om binnen een bepaalde periode te overlijden dan anderen met alleen een lichamelijke aandoening (Cuijpers & Smit, 2002). Er zijn diverse verklaringen voor deze verhoogde sterftekans als gevolg van depressie, maar goed onderzoek ontbreekt nog (Schoevers et al., 2004).
Huisartsen registreren ruim 360.000 patiënten met depressie
Op basis van huisartsenregistraties wordt geschat dat 363.600 personen in 2003 een depressie (depressieve stoornis plus dysthyme stoornis) hadden (zie tabel 2). In 2003 werden 112.000 nieuwe gevallen van depressie gediagnosticeerd. Als ook de mensen worden meegeteld met depressieve klachten, wordt het aantal patiënten voor 2003 geschat op 484.900 en het aantal nieuwe gevallen op 182.400.
Niet iedereen met depressie bij de huisarts bekend
De cijfers van huisartsenregistraties voor depressie vallen lager uit dan die van de epidemiologische bevolkingsonderzoeken (856.000 versus 363.600 of 484.900). Dit komt doordat niet alle patiënten met een depressie professionele hulp zoeken of direct naar een regionaal psychiatrisch centrum (voorheen RIAGG) gaan. Verder herkennen huisartsen de (veelal lichamelijke) klachten niet altijd als uiting van depressie. In het algemeen geldt dat er in de huisartsenpraktijk vaak onvoldoende psychiatrisch diagnostische kennis en tijd is om de diagnose depressie te stellen. Bovendien registreert een huisarts eerder een symptoomdiagnose (bijvoorbeeld depressief gevoel, suïcidegedachten, slaapstoornis, problemen met het werk, en dergelijke) dan een ziektediagnose. (Ormel, 1989; Havenaar, 1990; Bensing & Verhaak, 1994; Lamberts & Hofmans-Okkes, 1994; Peeters, 1997).
Omvangschatting depressie niet gebaseerd op huisartsenregistraties
Voor de meeste ziekten in het Kompas worden schattingen van de omvang van ziekten in Nederland en de trends gebaseerd op de huisartsenregistraties. In het geval van depressie wijken we daarvan af en kiezen we voor resultaten van bevolkingsonderzoeken, met de volgende argumenten:
De huisartsenregistraties bevatten geen DSM-diagnoses.
Het grootste deel van de mensen met depressie wordt door de huisarts niet gezien of als zodanig herkend.
Trends in de huisartsenregistraties kunnen bij depressie heel goed het gevolg zijn van veranderingen in hulpzoekgedrag en herkenning. Zo is het plausibel dat de NHG-standaard depressie uit 1994 en de verbetering van de nascholing van huisartsen zo'n effect hebben gehad. Dit betekent dat de gevonden trends in de huisartsenregistraties niet noodzakelijk wijzen op trends in de Nederlandse bevolking.
Tabel 2: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van depressie en depressie of depressief gevoel in de huisartsenpraktijk; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
Turkse en Marokkaanse ouderen uit Amsterdam vaker depressief
Uit een Amsterdams onderzoek blijkt dat Turkse en Marokkaanse ouderen vaker depressief zijn dan autochtone ouderen. Daarnaast is het verschil tussen Turken en Marokkanen aanzienlijk: Turkse ouderen zijn veel vaker depressief dan Marokkaanse. De allerhoogste prevalentie wordt gevonden bij Turkse vrouwen boven de 65 jaar (zie figuur 1) (Van der Wurff et al., 2004; Spijker et al., 2004).
Turken hebben vaker psychisch-emotionele problemen
Een derde van de Turken heeft psychisch-emotionele problemen, zoals angst of depressie. Vrouwen hebben er significant vaker last van dan mannen. Dit blijkt uit de hoge score op de GHQ-28 (General Health Questionnaire), een zelfbeoordelingsvragenlijst voor het opsporen van psychisch-emotionele problemen. De prevalentie van psychische problemen onder Turken is beduidend hoger dan de 25% die normaal wordt gerapporteerd in algemene populaties (Bengi-Arslan et al., 2002).
Figuur 1: Prevalentie van klinisch relevante depressieve symptomen bij Turken, Marokkanen en autochtonen in de leeftijd van 55-74 jaar (in %) (Bron: Van der Wurff et al., 2004).
22 september 2009
Depressie
Omvang van het probleem
Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?
Meer depressieve stoornissen bij laagopgeleiden
Depressieve stoornissen komen het meest voor bij laagopgeleiden, namelijk bij 7,9% van de volwassen bevolking tussen de 18 en 64 jaar met alleen lagere school. De prevalentie van depressieve stoornissen neemt af met een toenemend opleidingsniveau. Alleen in de twee hoogste opleidingsgroepen komen depressieve stoornissen ongeveer even vaak voor (zie figuur 1). Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Opleidingsniveau als indicator voor sociaaleconomische status en Beschrijving opleidingscategorieën).
Lager opgeleide vrouwen vaker depressieve stoornissen dan hoger opgeleide vrouwen
Bij vrouwen komen depressieve stoornissen vaker voor bij laagopgeleiden dan bij hoogopgeleiden. Bij de mannen zijn de opleidingsverschillen niet significant (zie ook: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd). Bij de meeste leeftijdsgroepen zien we dat lager opgeleiden vaker last hebben van depressieve stoornissen dan hoogopgeleiden. Alleen bij de 18-29-jarigen zijn de opleidingsverschillen niet significant.
Figuur 1: Prevalentie van depressieve stoornis in de Nederlandse bevolking van 18-64 jaar, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gewogen naar leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en urbanisatiegraad (Bron: NEMESIS, 1996).
22 september 2009
Depressieve stoornis
Omvang van het probleem
Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd
Figuur 1: Prevalentie van depressieve stoornis in de Nederlandse bevolking van 18-64 jaar, naar geslacht en hoogst voltooid opleidingsniveau; gewogen naar leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en urbanisatiegraad (Bron: NEMESIS, 1996).
Figuur 2: Prevalentie van depressieve stoornis in de Nederlandse bevolking van 18-64 jaar, naar leeftijd en hoogst voltooid opleidingsniveau; gewogen naar leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en urbanisatiegraad (Bron: NEMESIS, 1996).
Depressieve gevoelens in bevolking niet toegenomen
Drie reeksen onderzoeken onder de Nederlandse bevolking in de afgelopen dertig jaar laten geen toe- of afname zien van het aantal mensen met depressieve of negatieve gevoelens:
In de enquêtes van het SCP zat van 1975 tot en met 1996 een korte vragenlijst over depressieve klachten. De totaalscore bleef in al die jaren ongeveer gelijk (Meertens et al., 2003).
De jaarlijkse gezondheidsenquête van het CBS bevatte van 1989 tot en met 2000 de Affect Balance Scale (ABS), een vragenlijst naar negatieve gevoelens in de afgelopen weken. Het percentage mensen met negatieve gevoelens bleef tussen 1989 tot 2000 vrijwel constant; 12,4 % (range: 11,6 – 13,3).
Sinds 2001 heeft het CBS een korte vragenlijst over angst- en depressie-klachten (de MHI-5) en enkele specifieke depressievragen toegevoegd aan de jaarlijkse gezondheidsenquête. Deze periode van vier jaar is nog te kort om conclusies te trekken.
Geen aanwijzingen voor toename depressie in de bevolking
Depressieve gevoelens lijken niet toe te nemen. Of in Nederland het aantal mensen met een depressieve stoornis de laatste dertig jaar ook gelijk is gebleven is niet met zekerheid te zeggen. Er zijn twee herhaalde bevolkingsonderzoeken – een regionaal en een internationaal - die heel voorzichtig wijzen op een stabilisatie:
In een regionale bevolkingsonderzoek (Regioproject Nijmegen 2, 1999 ) met de PSE is het aantal mensen met depressie tussen 1983 en 1998 gelijk gebleven. Of dat ook voor heel Nederland geldt, is niet zeker.
In herhaald Amerikaans bevolkingsonderzoek met de CIDI werd tussen 1990 en 2001 ook een stabilisatie van het aantal mensen met depressie gevonden (Kessler et al., 2005). Of dat ook voor Nederland geldt, is onduidelijk.
Depressie bij de huisarts
Depressie bij de huisarts neemt wel sterk toe
Als mensen in behandeling zijn voor hun depressie, dan is dat meestal bij de huisarts (Bijl & Ravelli, 1998). Het aantal mensen waarvan de huisarts weet dat ze lijden aan depressie is de laatste tien jaar sterk toegenomen. Zo is het aantal bij de huisarts bekende patiënten met depressie van 1994 tot 2004 ongeveer verdubbeld. Dat blijkt uit cijfers uit twee regionale huisartsenregistraties (zie figuur 2). Deze stijging geldt ook voor het aantal nieuwe patiënten (zie figuur 1). Dit was in de jaren zeventig en tachtig ongeveer gelijk gebleven, en lijkt in de jaren negentig te zijn verdubbeld.
Figuur 1: Incidentie van depressieve stoornis in de periode 1990-2004 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (Bronnen: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).
Figuur 2: Jaarprevalentie van depressieve stoornis in de periode 1990-2004 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (Bronnen: CMR-Nijmegen e.o. en RNH).
Bevolkingsgroei en vergrijzing leiden tot lichte toename depressie
Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absolute aantal nieuwe patiënten per jaar met depressie dat door de huisarts gediagnosticeerd wordt tussen 2005 en 2025 met 4,0% zal stijgen.
Niet alle mensen met een depressie zoeken professionele hulp
Ongeveer een derde van de personen met een depressie zoekt hiervoor geen professionele hulp. In de huisartsenpraktijk worden patiënten bij wie depressie of depressieve gevoelens wordt gediagnosticeerd, meestal alleen door de huisarts behandeld (Baan et al., 2003). In 6% van de eerste contacten verwijst de huisarts de patiënt door. Dit betreft relatief vaak verwijzingen naar een vrijgevestigd psycholoog, RIAGG of psychiater. In de volgende contacten wordt nog maar 2% van de patiënten met een depressie doorverwezen. Dan gaat het vaak om verwijzingen naar de psychiater (Cardol et al., 2004).
Toename zorggebruik huisarts door betere herkenning en diagnose
Het aantal mensen waarvan de huisarts weet dat ze lijden aan depressie is de laatste tien jaar sterk toegenomen. Er lijken geen aanwijzingen te zijn dat in de bevolking het aantal personen met een depressie of depressieve gevoelens is toegenomen (zie Neemt het aantal mensen met depressie toe of af?).
De toename van patiënten met een depressie die de huisarts ziet, heeft mogelijk te maken met een betere herkenning en vroege opsporing van depressie door de huisarts, mede als gevolg van de publicatie van de NHG-standaard voor diagnostiek en behandeling in 1994. Ook is het mogelijk dat huisartsen patiënten die een depressie hebben doorgemaakt minder snel als 'genezen' zijn gaan beschouwen. Verder speelt mee dat mensen dankzij publieksvoorlichting zelf eerder professionele hulp zoeken.
Gebruik antidepressiva bijna verdubbeld
Het aantal voorschriften voor antidepressiva steeg van 2,9 miljoen in 1997 tot 5,5 miljoen in 2004 (SFK, 2005) (zie figuur 1). Het grootste deel hiervan zijn herhaalrecepten. In de tweede helft van 2004 haalden in totaal 760.000 mensen in Nederland antidepressiva bij hun apotheek. Van alle recepten voor antidepressiva wordt ongeveer 80% voorgeschreven door de huisarts.
Antidepressiva worden overigens niet alleen voorgeschreven aan mensen met depressie. Ze worden ook voorgeschreven aan mensen met minder ernstige depressieve klachten, met angststoornissen, gedragsproblemen of pijn.
Figuur 1: Aantal voorschriften van antidepressiva in de periode 1997-2004 (bron: SFK).
Kosten
Depressie met 773 miljoen euro één van de duurdere ziekten
Depressie is één van de duurdere ziekten (zie ook Welke ziekten zijn het duurst? In 2005 kostte de zorg voor depressie 773 miljoen euro. In totaal maakten de kosten voor depressie 1,1% uit van de totale kosten voor de gezondheidszorg (Poos et al., 2008). Dit percentage is nog de ondergrens, aangezien een aanzienlijk deel van de kosten binnen de psychische stoornissen niet aan diagnosegroepen toegeschreven kon worden.
Geestelijke gezondheidszorg grootste kostenpost voor depressie
Van de kosten van de zorg voor depressie gaat 57,6% naar de geestelijke gezondheidszorg, 15% naar genees- en hulpmiddelen en 11% en 9% naar respectievelijk ziekenhuiszorg en eerstelijnszorg. Bijna 70% van de totale kosten voor depressie ging naar vrouwen en ruim 30% naar mannen. De kosten zijn het hoogst in de leeftijdsgroep 35 tot 60 jaar. In deze leeftijdsgroep is de absolute prevalentie ook het hoogst (zie figuur 2 en zie Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht).
Figuur 2: Kosten van de zorg voor depressie naar leeftijd en sector in 2005 (bron: Kosten van Ziektenstudie).
23 juli 2008
Depressie
Geografische verschillen
Zijn er in Nederland verschillen naar regio?
Depressie vooral in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam
Depressie komt vooral voor in de grote steden, en dan met name in Amsterdam (Peen et al., 2002). Dat geldt ook voor gevoelens van angst en depressie, zoals gemeten met de MHI-5 in de bevolking van 12 jaar en ouder (zie ook: Psychische gezondheid; hoe wordt het gemeten?).
De hoogste percentages gevoelens van angst en depressie zijn te vinden in de grote steden Den Haag (15,9%), Amsterdam (12,7%) en Rotterdam (12,7%). Daarnaast scoren ook de Gooi en Vechtstreek en Zuid-Limburg significant hoger dan het landelijke gemiddelde.
De laagste percentages inwoners met psychische klachten zijn te vinden in de regio's Zuidhollandse Eilanden, Hollands Midden, Drenthe en IJsselvecht.
Voor een compleet overzicht van de regionale verschillen in gevoelens van angst en depressie, zie Psychische klachten 2004-2007.
Gebruik antidepressiva het hoogst in regio's Waardenland en Nijmegen
Het gebruik van antidepressiva – uitgedrukt in een standaard dagelijks dosis - is niet gelijkmatig verdeeld over Nederland. Er zijn grote regionale verschillen:
Het antidepressivagebruik is het hoogst in de regio's Waardenland en Nijmegen (respectievelijk 26% en 19% hoger dan het landelijk gemiddelde). Relatief hoog scoren ook de regio's Friesland, Delft Westland Oostland, West-Brabant en Zuid-Limburg, waar het gebruik 13-16% hoger is.
Het antidepressivagebruik is het laagst in de regio Nieuwe Waterweg-Noord (21% lager). Relatief laag scoren ook de regio's Zaanstreek-Waterland, Amstelland en De Meerlanden, Rotterdam, Zuidoost- Brabant en Twente (14-18% lager).
Voor een compleet overzicht van regionale verschillen in het gebruik van antidepressiva, zie het kaartje Gebruik antidepressiva 2006.
13 december 2005
Depressie
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?
Aantal mensen met depressie in Nederland lijkt hoog
De World Mental Health Survey van de WHO (Demyttenaere et al., 2004) laat zien dat stemmingsstoornissen, waaronder depressie, in Nederland veel voorkomen (zie tabel 1). Maar deze verschillen zouden ook het gevolg kunnen zijn van verschillen in methode (Paykel et al., 2005). Daarnaast kunnen de verschillen worden veroorzaakt door verschillende interpretaties van omschreven klachten.
Er is geen sluitend bewijs dat de geestelijke gezondheid in sommige landen uit de EU-15 beter is dan in andere. Dat geldt ook voor depressie (Paykel et al., 2005). In een vergelijkende Europese studie (SHARE) naar depressie onder ouderen verschilde Nederland niet van omringende landen. Over het vóórkomen van stemmingsstoornissen in de nieuwe EU-lidstaten is nog maar weinig bekend
In Nederland gaan veel mensen met depressie naar de huisarts
In een ouder WHO project, ‘Psychological Problems in General Health Care’ werd de prevalentie van depressie onder bezoekers van de huisarts vastgesteld in veertien verschillende landen (Van der Meer et al., 1996). De prevalentie liep uiteen van 4,0 procent (Sjanghai, China) tot 29,5 procent (Santiago, Chili), met een gemiddelde van 10,4 procent. In Nederland (Groningen) lag de prevalentie boven het gemiddelde: 15,9 procent. Dit was vergelijkbaar met de prevalentie in Manchester en Parijs.
Deze internationale verschillen komen deels voort uit cultuurverschillen in de neiging om hulp te zoeken (Goldberg & Lecrubier, 1995). Uit de studie DEPRES blijkt bijvoorbeeld dat men in Duitsland terughoudender is met het bezoeken van een arts dan in Frankrijk, waar het hebben van psychische stoornissen meer geaccepteerd is (Lépine et al., 1997).
Plaats depressie in rangorde van ziektelast verschilt per werelddeel
In 2000 stond depressie wereldwijd op de vierde plaats wat betreft oorzaak van ziektelast. Depressie was toen verantwoordelijk voor 4,4 procent van de DALY’s. In Europa staat depressie op de derde plaats en in Noord- en Zuid-Amerika op de eerste. Afrika is het enige werelddeel waar depressie niet in de top tien staat (Üstün et al., 2004). Dit komt niet omdat depressie in Afrika minder voorkomt, maar doordat infectieziekten (zoals aids, malaria, tuberculose en mazelen), perinatale aandoeningen en de gevolgen van ondervoeding er een veel groter aandeel in de ziektelast hebben.
Tabel 1: Percentage personen van 18 jaar en ouder met een stemmingsstoornis (depresieve, dysthyme en/of bipolaire I en II stoornis) in de afgelopen twaalf maanden volgens WMH-CIDI/DSM-IV in de World Mental Health Surveys (Bron: Demyttenaere et al., 2004).
Land
Percentage
Verenigde Staten
9,6
Oekraïne
9,1
Frankrijk
8,5
NEDERLAND*
6,9
Colombia**
6,8
Libanon
6,6
België
6,2
Spanje
4,9
Mexico**
4,8
Italië
3,8
Duitsland
3,6
Japan**
3,1
China (Peking)
2,5
China (Shanghai)
1,7
Nigeria
0,8
* Dit prevalentiecijfer uit de ESEMeD-studie wijkt licht af van de prevalentie-cijfers uit NEMESIS.
** Colombia 18-65 jaar, Japan ≥ 20 jaar en Mexico 18-65 jaar.
13 december 2005
Depressie
Omvang van het probleem
Beschrijving gebruikte bronnen
Epidemiologisch bevolkingsonderzoek
Onderzoek onder adolescenten
Prevalentiecijfers over angststoornissen in de algemene bevolking zijn afkomstig van het onderzoek naar psychische stoornissen onder adolescenten van 13-18 jaar (Verhulst et al., 1997a). Hiervoor werd een landelijke steekproef getrokken. Onder andere werd de DIS (Diagnostic Interview Schedule) voor kinderen afgenomen. Stoornissen werden vastgesteld aan de hand van de DSM-III-R-criteria. Getrainde interviewers namen de interviews af. De diagnostische fase van het onderzoek had betrekking op 780 adolescenten en werd uitgevoerd tussen april en juni 1993.
Het NEMESIS-onderzoek: Volwassenen
Het NEMESIS-onderzoek onder 18-64 jarigen (Bijl et al., 1997b; Vollebergh et al., 2003) was gebaseerd op een landelijke steekproef en maakte gebruik van DSM-III-R-criteria. Hierbij werd in 1996 bij 7.076 personen een psychiatrisch interview afgenomen met behulp van de CIDI, een geactualiseerde versie van de DIS. Ook hier namen getrainde interviewers de interviews af. Op basis van de meting in 1996 konden prevalentiecijfers worden vastgesteld (Bijl et al., 1997a). De prevalentiecijfers voor depressie zijn speciaal voor het Nationaal Kompas ontdubbeld: personen met zowel een depressieve stoornis als een dysthyme stoornis zijn slechts eenmaal geteld. Een tweede meting vond plaats in 1997-1998. Bij degenen die aan de eerste meting deelnamen is toen nogmaals een CIDI afgenomen. Zodoende konden incidentiecijfers bepaald worden (Bijl et al., 2002). Van de 7.076 personen uit de eerste meting, werden 5.618 personen nogmaals geïnterviewd.
Het LASA-onderzoek: Ouderen
Het LASA (Longitudinal Aging Study Amsterdam)-onderzoek werd in 1992/1993 uitgevoerd onder personen van 55-85 jaar (Beekman et al., 1995). In dit onderzoek werden 3.056 ouderen in drie regio's gescreend. Bij 659 daarvan namen getrainde interviewers de DIS af. Hierop werd de prevalentie bepaald. Hierbij werden diagnosen gesteld op basis van de DSM-III. De selectie van respondenten waarbij de DIS afgenomen werd, bestond uit degenen die een score boven een drempelwaarde van de CES-D (Center for Epidemiologic Studies Depression Scale) hadden en een aselecte steekproef uit de groep die onder de drempelwaarde scoorde.
Regioproject Nijmegen 2: Volwassenen
Het Regioproject Nijmegen 2 is een onderzoek onder personen van 18-74 jaar die zijn ingeschreven bij een huisarts in de regio Nijmegen (König-Zahn et al., 1999). In 1997-1998 werd bij 1.813 personen een vragenlijst over psychische problematiek afgenomen (de GHQ) en bij een steekproef hiervan een psychiatrisch diagnostisch interview (de SCAN). Het eerste Regioproject vond plaats in 1983. De uitkomsten uit het Regioproject 2 kunnen hiermee vergeleken worden.
Het Leiden 85-plus onderzoek
Het Leiden 85-plus onderzoek, verricht in de periode 1986-1989, bepaalde het voorkomen van psychische stoornissen onder zeer oude mensen in de stad Leiden (Heeren, 1992; Heeren et al., 1992b). Hierbij werd de Geriatric Mental State Schedule (GMS) gebruikt. Dit is ook een gestructureerd psychiatrisch interview, gevalideerd voor ouderen, maar moeilijk te vergelijken met de DIS en CIDI.
Zorgonderzoek: huisartsenregistraties
Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van depressie in de huisartspraktijk zijn de volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:
De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van depressie specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: Achtergronden en details bij cijfers uit huisartspraktijk
Buitenlandse bevolkingsonderzoeken
ICPE: World Mental Health Surveys
Het International Consortium in Psychiatric Epidemiology (ICPE) werd in 1998 opgezet door de WHO om internationaal vergelijkend onderzoek te doen naar het voorkomen van psychische stoornissen (WHO, 2000b). In dit kader werden voor de World Mental Health Survey studies vergeleken waarbij gebruik werd gemaakt van de CIDI (een gestructureerd diagnostisch interview). Op deze manier kunnen de resultaten van de Nederlandse NEMESIS-studie goed vergeleken worden met bijvoorbeeld de Amerikaanse National Comorbidity Survey (NCS; Kessler et al., 1994; NCS-R Kessler & Merikangas, 2004).
In de World Mental Health Surveys 2004 zijn de gegevens voor België, Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland en Nederland afkomstig van de ESEMeD-studie. De ESEMeD-studie heeft als beperking dat in sommige landen de respons erg laag was en het is niet uit te sluiten dat een lage respons samenhangt met het vóórkomen van psychische stoornissen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat mensen die weigeren aan het onderzoek deel te nemen, vaker een psychische stoornis hebben. Dit leidt tot een onderschatting van het werkelijke aantal (Demyttenaere et al., 2004). In de Nederlandse NEMESIS-studie was de respons en het aantal respondenten beduidend hoger dan in de ESEMeD-studie (Demyttenaere et al., 2004; WHO, 2000b).
ESEMeD: interviews in 6 Europese landen met behulp van instrumenten
ESEMeD (European Study of Epidemiology on Mental Disorders) is een cross-sectionele studie waarbij 25.000 thuisinterviews worden afgenomen onder de algemene, niet-geïnstitutionaliseerde bevolking.Tijdens een interview van 90 minuten wordt gebruik gemaakt van de CIDI, de SF-36, de EuroQol 5D en delen van het WHO disablement Asessment Schedule II (WHO-DAS II). Ook het zorggebruik wordt geregistreerd. Net als DEPRES wordt ESEMeD uitgevoerd in 6 Europese landen: België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk.
Depressie onder bezoekers van de huisarts
In het WHO "Collaborative Project on Psychological Problems in General Health Care" werd in 14 verschillende landen de prevalentie van depressie in de huisartspraktijk vastgesteld (Van der Meer et al., 1996). Daarbij werd in elk land dezelfde onderzoeksmethode gehanteerd. Bij alle personen die contact hadden met de huisarts werd de Primary health care-versie van de CIDI afgenomen. Deze versie van de CIDI verschilt van de CIDI die in het NEMESIS-onderzoek gebruikt werd, in die zin dat in de Primary health care-versie ook minor depression meegeteld wordt. In Nederland werd de meting verricht in Groningen.
EURODEP en SHARE: Ouderen
EURODEP is een actieprogramma dat gesteund wordt door de Europese Commissie. Het belangrijkste doel is de variatie in de prevalentie van depressie in 11 EU-landen en Albanië te bestuderen onder mensen van 65 jaar en ouder (Copeland, 1999). Hiervoor werd EURO-D gebruikt, een 12-item schaal die werd ontwikkeld om resultaten verkregen met verschillende depressie-instrumenten, met elkaar te kunnen vergelijken. De Nederlandse resultaten komen van de AMSTEL studie (Amsterdam Study of the Elderly) (Schoevers et al., 2000). De SHARE-studie (Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe) gebruikt ook de EURO-D schaal (Börsch-Supan et al., 2005).
DEPRES: prevalentie en zorggebruik in 6 Europese landen
DEPRES (Depression Research in the European Society) is een depressie-survey uitgevoerd in twee fases in 6 Europese landen: België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Het doel van fase 1 was de 6-maandsprevalentie van depressie te schatten en de invloed van depressie in de gemeenschap vast te stellen door te onderzoeken in hoeverre mensen met depressieve stoornissen hulp zoeken en hoeveel men verzuimt op het werk. Het doel van fase 2 was te onderzoeken hoe depressie de kwaliteit van leven en functioneren beïnvloedt, de verwachtingen bij patiënten van de zorg en voorgeschreven behandeling vast te stellen en te evalueren hoe artsen mensen met een depressie behandelen. De indeling in Major Depressie, Minor Depressie en Depressieve symptomen is afkomstig van het instrument MINI (Mini International Neuropsychiatric Interview).
13 december 2005
Depressie
Omvang van het probleem
Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht
Jaarprevalentie (per 1.000) van depressie en dysthymie (zowel apart als samen) uit bevolkingsonderzoeken in de periode 1992-1998. Gegevens bewerkt door het RIVM.
Incidentie (per 1.000 per jaar) uit NEMESIS (1996-1997). De incidentie betreft het aantal mensen dat voor het eerst in het leven de betreffende ziekte kreeg in het voorafgaande jaar.
De gegevens over depressie (patiënten en algemene populatie) zijn afkomstig uit een steekproef van huishoudens in heel Nederland (NEMESIS-studie). De geïnstitutionaliseerde bevolking is geen onderdeel van de steekproef. De diagnose (DSM-III) is gesteld m.b.v. de CIDI (Composite International Diagnostic Interview). Het aantal personen met 'depressie in engere zin' was 439. De totale diagnosegroep ‘stemmingsstoornissen’ bestond uit 591 personen. De algemene populatie bevatte 7076 personen (Bijl & Ravelli, 2000; Kruijshaar et al., 2003a).
Kanttekeningen bij de resultaten
De patiëntenpopulatie betreft personen die ooit in de afgelopen 12 maanden psychische problemen hadden. De SF-36 heeft echter betrekking op de kwaliteit van leven in de afgelopen vier weken. De patiëntenpopulatie bevat dus bijvoorbeeld personen die ten tijde van het invullen van de SF-36 diagnosevrij waren, maar wel eerder in het jaar psychische problemen hadden. Hierdoor kunnen de gerapporteerde verschillen met de algemene populatie onderschat zijn. Een studie die wel betrekking had op psychische problemen van maximaal 1 maand geleden, vond een sterker verminderde kwaliteit van leven dan de NEMESIS-studie (Regioproject Nijmegen 2, 1999). Deze Nijmeegse studie was echter minder representatief, omdat het veel minder personen betrof en geen landelijke dekking had.
Een verschillende verdeling van sociaal-demografische kenmerken tussen patiënten en de algemene populatie kan de grootte van de verschillen in kwaliteit van leven beïnvloeden (zie pagina gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven). In de gepresenteerde resultaten kon hier niet voor gecorrigeerd worden.
Een analyse van Bijl & Ravelli (Bijl & Ravelli, 2000) waarin wel voor deze kenmerken gecorrigeerd kon worden, geeft overigens vergelijkbare resultaten. Er is een sterk verband tussen de aanwezigheid van angststoornissen en het voorkomen van emotionele beperkingen in het uitvoeren van de dagelijkse bezigheden, beperkingen in deelname aan het sociale leven en een verminderde vitaliteit (Bijl & Ravelli, 2000).
Doordat de geïnstitutionaliseerde bevolking (ziekenhuizen en verpleeghuizen) niet in NEMESIS vertegenwoordigd is, wordt mogelijk een groep patiënten met ernstige problematiek gemist. Dit kan de hoogte van de feitelijke scores beïnvloed hebben. Hierdoor zullen de gepresenteerde verschillen tussen patiënten en de algemene populatie eerder onderschat dan overschat zijn.
13 december 2005
Depressie
Omvang van het probleem
Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties
Meerdere oorzaken voor verschillen in de cijfers
De prevalentie- en incidentiecijfers op basis van verschillende huisartsenregistraties variëren vaak aanzienlijk. De oorzaak kan zijn dat het voorkomen van ziekten in de praktijkpopulaties verschilt, maar het kan ook het gevolg zijn van verschillen in de algemene werkwijze van de registraties en de wijze waarop prevalentie- en incidentiecijfers worden berekend. Bovendien kunnen registraties voor bepaalde ziekten specifieke (al dan niet vastgelegde) regels hanteren. Daarom zijn hieronder allereerst de kenmerken van depressie beschreven en de kenmerken van de gebruikte huisartsenregistraties. Daarbij gaat het om kenmerken die van invloed zijn op de wijze waarop huisartsen depressie registreren.
Kenmerken van depressie in de huisartsenpraktijk
Depressie is een aandoening met over het algemeen een beperkte duur, maar kan ook recidiverend zijn of chronisch. Een deel van de patiënten met depressie zal in behandeling zijn bij de ambulante GGZ. Daarbij zal de huisarts dan nog weinig bemoeienis hebben.
Mogelijk zullen sommige huisartsen bij het registreren van patiënten met depressieve klachten terughoudend zijn met de code ‘depressie’ en meer geneigd zijn de code ‘depressieve gevoelens’ te gebruiken. Daarom zijn ook prevalentie- en incidentiecijfers gepresenteerd van personen met een ‘depressie en/of een depressief gevoel’.
Specifieke regels van de registraties voor het vastleggen van depressie
Hieronder worden enkele specifieke regels vermeld die de registraties hanteren bij het vastleggen van depressie. Algemene gegevens over de registraties worden zichtbaar als u op de desbetreffende registratie klikt.
CMR-Nijmegen e.o. (2000-2004)
Er zijn aparte codes voor depressieve stoornis en dysthyme stoornis. Deze zijn hier opgeteld.
LINH, contactregistratie (2004) en Transitieproject (2000-2004)
Geen specifieke opmerkingen
RNH-Limburg (2001-2004)
Het RNH gaat uit van probleemlijsten. Over het algemeen worden daarop alleen gevallen geregistreerd waarbij de klachten langdurig zijn of recidiverend. Eenmalige, kortdurende depressies worden niet vastgelegd.
Indien geregistreerd, blijft de aandoening vaak lang als prevalent probleem geregistreerd staan; de huisarts haalt de aandoening dan niet van de probleemlijst.
RNUH-LEO (1-82001 tot en met 31-72004)
Er zijn twee soorten prevalentiecijfers: cijfers die gebaseerd zijn op de contactregistratie en die gebaseerd zijn op probleemlijsten.
De cijfers uit de contactregistratie geven aan van hoeveel personen bij de huisarts bekend is dat ze in een recente periode klachten hadden van hun depressie en/of er zorg voor ontvingen. De cijfers uit de probleemlijst geven aan van hoeveel personen bij de huisarts bekend is dat ze een depressie hebben welke medische aandacht verdient (maar die mogelijk recent niet gepaard ging met klachten of waarvoor recent geen zorg nodig was of waarbij de huisarts niet op de hoogte was dat de patiënt er recent zorg voor ontving).
De nieuwe, incidente problemen op de probleemlijst zijn echte chronische problemen. De bekende, prevalente problemen op de probleemlijst zijn mogelijk voor een deel nog problemen die in het verleden overgenomen zijn van de papieren registratie van de huisartsen, maar die inmiddels niet meer als chronisch probleem mogen worden beschouwd.
De cijfers op basis van de huisartsenregistraties
De prevalentie- en incidentiecijfers zijn weergegeven in tabel 1 en 2. Het betreft informatie die medio 2005 beschikbaar was. De Kompas-schattingen zijn gemiddelden van enkele registraties, soms de cijfers van een enkele registratie. Voor de keuze van de registraties, zie Achtergrond bij keuze van huisartsenregistraties.
Gebruikte codes uit de CMR-Nijmegen: voor depressieve stoornis een cluster van E-code 1260 (depressie) en E-code 1342 (dysthyme stoornis). Uit de andere registraties: ICPC-code P76 voor depressieve stoornis. In de Tweede Nationale Studie, RNH en RNUH-LEO is een cluster gemaakt van P76 en/of P03 (depressief gevoel). Hierbij zijn personen die beide aandoeningen hebben maar één keer meegeteld.
Tabel 1: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van depressie (personen) in vijf huisartsenregistraties; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
a De huidige Kompas-schatting voor zowel de prevalentie als incidentie komen uit LINH.
Tabel 2: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van depressie en/of depressief gevoel (personen) in drie huisartsenregistraties; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
Beekman ATF, Deeg DJH, Smit JH, Comijs HC, Braam AW, Beurs E de, et al.
Dysthymia in later life: a study in the community.
Journal of Affective Disorders, 2004; 81: 191-199.
Beekman ATF, Deeg DJH, Tilburg T van, Smit JH, Hooijer C, Tilburg W van.
Major and minor depression in later life: a study of prevalence and risk factors.
Journal of Affective Disorder 1995; 36: 66-75.
Beekman ATF, Deeg DJH, Tilburg TG van, Schoevers RA, Smit JH, Hooijer C, et al.
Depressie bij ouderen in de Nederlandse bevolking: een onderzoek naar de prevalentie en risicofactoren.
Psychiatrie 1997; 39: 294-8.
Bengi-Arslan L, Verhulst F, Crijnen AAM.
Prevalence and determinants of minor psychiatric disorder in Turkish immigrants living in the Netherlands.
Soc Psychiatry Epidemiol, 2002; 37: 118-124.
Bensing JM, Verhaak PFM.
Psychische problemen in de huisartspraktijk veelvormiger en diffuser dan in de psychiatrie.
Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 130-135.
Bertolote JM, Fleischmann A, De Leo D, Wasserman D.
Psychiatric diagnoses and suicide: revisiting the evidence.
Crisis, 2004; 25(4): 147-155.
Bijl RV, Graaf R de, Ravelli A, Smit F, Vollebergh WAM.
Gender and age-specific first incidence of DSM-III-R psychiatric disorders in the general population. Results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2002; 37(8): 372-379.
Bijl RV, Ravelli A.
Psychiatrische morbididteit, zorggebruik en zorgbehoefte. Resultaten van de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study.
Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 1998; 76: 446-57.
Bijl RV, Ravelli A.
Current and residual functional disability associated with psychopathology: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Psychol Med 2000; 30: 57-668.
Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A, Rijk C de, Langendoen Y.
Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997b; 141: 2448-52.
Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A.
Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997a; 141: 2453-60.
Börsch-Supan A, Brugiavini A, Jürges H, Mackenbach J, Siegrist J, Weber G (red.).
Health, Ageing and Retirement in Europe – First Results from the Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe.
Mannheim: MEA, 2005.
Bouvy P, Nolen WA.
Diagnostiek en beloop. In: Nolen WA, Hoogduin CAL (red.). Behandelingsstrategieën bij depressie.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1998.
Cardol M, Dijk L van, Jong JD de, Bakker DH de, Westert GP.
Tweede Nationale Studie naar Ziekten en Verrichtingen in de huisartspraktijk. Huisartsenzorg: wat doet de poortwachter?
Utrecht: NIVEL, 2004.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Multidiscipliniare richtlijn depressie. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen cliënten met een depressie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005b.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Samenvatting multidisciplinaire richtlijn Depressie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005c.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Multidisciplinaire richtlijn Depressie: Patiëntenversie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005d.
Copeland JRM.
Depression of older age -Origens of the (EURODEP-study).
Br J Psychiatry 1999; 174: 304-306.
Cuijpers P, Dekker J.
Psychologische behandeling van depressie: een systematisch review van meta-analyses.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2005; 149(34): 1892-1897.
Cuijpers P, Smit F.
Excess mortality in depression: a meta-analysis of community studies.
Journal of Affective Disorders, 2002; 72(3): 227-236.
Cuijpers P, Straten A van, Smit F.
Preventing the incidence of new cases of mental disorders: a meta-analytic review.
Journal of nervous and mental disease, 2005; 193(2): 119-125.
Demyttenaere K, Bruffaerts R, Posada-Villa J, Gasquet I, Kovess V, Lepine JP, et al.
Prevalence, severity, and unmet need for treatment of mental disorders in the World Health Organization World Mental Health Surveys.
JAMA, 2004; 291(21): 2581-90.
Devanand D, Kim M, Paykina N, Sackeim H.
Adverse life events in elderly patients with major depression or dysthymic disorder and in healthy-control subjects.
American Journal of Geriatric Psychiatry, 2002; 10(3): 265-274.
Goldberg DP, Lecrubier Y.
Form and Frequency of mental disorders across centres. In: Ustun TB, Sartorius N, editors. Mental Illness in General Health Care: an international study
.
Chichester: John Wiley & Sons, 1995: 323-334.
Graaf R de, Have M ten, Dorsselaer S van, Schoemaker C, Beekman A, Vollebergh W.
Verschillen tussen etnische groepen in psychiatrische morbiditeit. Resultaten van Nemesis.
Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2005c; 60(7/8): 703-716.
Havenaar JM.
Depressie in de eerste lijn, diagnose in een context. In: Gersons BPR, Kraaimaat FW, Dam-Baggen CMJ (red.). Omgeving, individu en psychiatrische stoornis.
Utrecht: RUU, 1990: 83-106.
Heeren TJ, Helmert AM van, Lagaay AM, Rooijmans AGM.
The general population prevalence of non-organic psychiatric disorders in subjects aged 85 and over.
Psychol Med, 1992b; 22: 733-8.
Heeren TJ.
Ouderdom is geen risicofactor. Niet-organische psychiatrische stoornissen bij 85-plussers.
MGv, 1992; 7/8: 774-82.
Judd L.
The clinical course of unipolar major depressive disorders.
Archives of General Psychiatry, 1997a; 54(11): 989-991.
Judd L.
Pleomorphic expressions of unipolar depressive disease: summary of the 1996 CINP President's Workshop.
Journal of Affective Disorders, 1997b; 45(1-2): 109-116.
Kessler R, Merikangas K.
The National Comorbidity Survey Replication (NCS-R): background and aims.
Int J Methods Psychiatr Res, 2004; 13(2): 60-8.
Kessler RC, Demler O, Frank RG, Olfson M, Pincus HA, Walters EE, et al.
Prevalence and treatment of mental disorders, 1990 to 2003.
The New England Journal of Medicine, 2005; 352(24): 2515-23.
Kessler RC, McGonagle S, Zhao S, et al.
Lifetime and 12-month prevalence of DSM-III-R psychiatric disorders in the United States. Results from the National Comorbidity Study.
Archives of general psychiatry 1994; 51: 8-19.
Klein D, Norden K, Ferro T, Leader J, Kasch K, Klein L, et al.
Thirty-month naturalistic follow-up study of early-onset dysthymic disorder: course, diagnostic stability, and prediction of outcome.
Journal of Abnormal Psychology, 1998; 107(2): 338-348.
Klein D, Riso L, Donaldson S, Schwartz J, Anderson R, Ouimette P, et al.
Family study of early-onset dysthymia. Mood and personality disorders in relatives of outpatients with dysthymia and episodic major depression and normal controls.
Archives of General Psychiatry, 1995; 52(6): 487-496.
Klein D, Schwartz J, Rose S, Leader J.
Five-year course and outcome of dysthymic disorder: A prospective, naturalistic follow-up study.
American Journal of Psychiatry, 2000; 157(6): 931-939.
König-Zahn C, Furer JW, Tax B, Berg JFM van den, Rijnders CATh, Rijswijk E van, et al. (red.).
Regioproject Nijmegen 2: Psychiatrische morbiditeit in de regio.
Nijmegen: KUN, 1999.
Kruijshaar ME, Hoeymans N, Bijl RV, Spijker J, Essink-Bot ML.
Levels of disability in Major Depression. Findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Journal of Affective Disorders 2003a; 77(1): 53-64.
Lamberts H, Hofmans-Okkes IM.
Psychische en sociale problemen in de huisartspraktijk: een kwestie van competentie en autonomie bij artsen en patiënten.
Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 118-122.
Lépine JP, Gastpar M, Tylee A.
Depression in the community: the firts pan-European study DEPRES (Depression Research in European Society).
Int Clin Psychopharmacol 1997; 12(1): 19-29.
Meer K van der, Tiemens BG, Brink W van den.
Depressie in de eerstelijnsgezondheidszorg; internationale gegevens over prevalentie en behandeling, onder meer uit Nederland.
Ned Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 2135-39.
Meertens V, Scheepers P, Tax B.
Depressive symptoms in The Netherlands 1975-1996: a theoretical framework and an emperical analysis of socio-demographic characteristics, gender differences and changes over time.
Sociology of Health & Illness, 2003; 25(2): 208-231.
NICE, National Institute for Clinical Excellence.
Depression in children and young people. Indentification and management in primary, community and secondary care.
London: The British Psychological Society & The Royal College of Psychiatrists, 2005.
Ormel J.
Psychiatrische ziekten: depressie. In: Grobbee DE en Hofman A (red.). Epidemiologie van ziekten in Nederland.
Utrecht: Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1989.
Paykel ES, Brugha T, Fryers T.
Size and burden of depressive disorders in Europe.
Eur Neuropsychopharmacol, 2005; 15(4): 411-23.
Peen J, Bijl RV, Spijker J.
Neemt de prevalentie van psychiatrische stoornissen toe met de stedelijkheidsgraad?
Tijdschrift voor Psychiatrie, 2002; 44: 225-35.
Peeters FPML.
Huisarts en depressieve patiënt: een problematisch duo?
Tijdschr Psychiatrie 1997; 39: 309-320.
Regioproject Nijmegen 2.
Psychiatrische morbiditeit in de regio.
Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1999.
Schoemaker CG, Rigter HGM, Graaf R de, Cuijpers P.
Nationale monitor geestelijke gezondheid. Jaarbericht 2002.
Utrecht: Bureau NMG, 2002.
Schoemaker CG, Ruiter C de.
Trimbos zakboek psychische stoornissen.
Utrecht: De Tijdstroom, 2005.
Schoevers RA, Bremmer MA, Beekman ATF, Hoogendijk WJ, Deeg DJH, Tilburg W van.
Verklaringen voor de relatie tussen depressie en verhoogde sterfte.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2004; 148(23): 1133-1137.
Schoevers RA, Geerlings MI, Beekman AT, Penninx BW, Deeg DJ, Jonker C.
Association of depression and gender with mortality in old age. Results from the Amsterdam Study of the Elderly (AMSTEL).
Br J Psychiatry, 2000; 177(10): 336-42.
Spijker J, Wurff FB van der, Poort EC, Smits CH, Verhoeff AP, Beekman AT.
Depression in first generation labour migrants in Western Europe: the utility of the Center for Epidemiologic Studies Depression Scale (CES-D).
Int J Geriatr Psychiatry, 2004; 19(6): 538-44.
Spijker J.
Chronic depression. Determinants and consequences of major depression in the general population.
Utrecht: Universiteit Utrecht, 2002.
Tilburg W van, Beekman ATF.
Affectieve stoornissen bij ouderen. In: Boer JA den, Ormel J, Praag HM van, Westenberg HGM, D’Haenen H (red.). Handboek stemmingsstoornissen.
Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, 1997.
Üstün TB, Ayuso-Mateos JL, Chatterji S, Mathers C, Murray CJ.
Global burden of depressive disorders in the year 2000.
Br J Psychiatry, 2004; 184: 386-92.
Vandereycken W, Hoogduin CAL, Emmelkamp PMG.
Handboek psychopathologie. Deel 1 basisbegrippen.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
Verhulst FC, Ende J van der, Ferdinand RF, Kasius MC.
De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997a; 141: 777-781.
Volkers AC, Nuyen J, Verhaak P, Schellevis F.
The problem of diagnosing major depression in elderly primary care patients.
Journal of Affective Disorders, 2004; 82: 259-263.
Vollebergh WAM, Graaf R de, Have M ten, Schoemaker CG, Dorsselaer S van, Spijker J, et al.
Psychische stoornissen in Nederland: overzicht van de resultaten van NEMESIS.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2003.
Weel-van Baumgarten EM, Bosch WJ van den, Hoogen HJ van, Zitman FG.
The longterm perspective: a study of psychopathology and health status of patients with history of depression more than 15 years after the first episode.
Gen Hosp Psychiatry, 2000; 22: 399-404.
Weissman M, Leaf P, Bruce M, Florio L.
The epidemiology of dysthymia in five communities: rates, risks, comorbidity, and treatment.
American Journal of Psychiatry, 1988; 145(7): 815-819.
WHO & ICPE, World Health Organization & International Consortium in Psychiatric Epidemiology.
Cross-national comparisons of the prevalences and correlates of mental disorders.
Bull WHO, 2000b; 78: 413-26.
Wurff FB van der, Beekman AT, Dijkshoorn H, Spijker JA, Smits CH, Stek ML, et al.
Prevalence and risk-factors for depression in elderly Turkish and Moroccan immigrants in the Netherlands.
J Affect Disord, 2004; 83 (1): 33-41.
Beekman ATF, Deeg DJH, Smit JH, Comijs HC, Braam AW, Beurs E de, et al.
Dysthymia in later life: a study in the community.
Journal of Affective Disorders, 2004; 81: 191-199.
Beekman ATF, Deeg DJH, Tilburg T van, Smit JH, Hooijer C, Tilburg W van.
Major and minor depression in later life: a study of prevalence and risk factors.
Journal of Affective Disorder 1995; 36: 66-75.
Beekman ATF, Deeg DJH, Tilburg TG van, Schoevers RA, Smit JH, Hooijer C, et al.
Depressie bij ouderen in de Nederlandse bevolking: een onderzoek naar de prevalentie en risicofactoren.
Psychiatrie 1997; 39: 294-8.
Bengi-Arslan L, Verhulst F, Crijnen AAM.
Prevalence and determinants of minor psychiatric disorder in Turkish immigrants living in the Netherlands.
Soc Psychiatry Epidemiol, 2002; 37: 118-124.
Bensing JM, Verhaak PFM.
Psychische problemen in de huisartspraktijk veelvormiger en diffuser dan in de psychiatrie.
Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 130-135.
Bertolote JM, Fleischmann A, De Leo D, Wasserman D.
Psychiatric diagnoses and suicide: revisiting the evidence.
Crisis, 2004; 25(4): 147-155.
Bijl RV, Graaf R de, Ravelli A, Smit F, Vollebergh WAM.
Gender and age-specific first incidence of DSM-III-R psychiatric disorders in the general population. Results from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2002; 37(8): 372-379.
Bijl RV, Ravelli A.
Psychiatrische morbididteit, zorggebruik en zorgbehoefte. Resultaten van de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study.
Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen 1998; 76: 446-57.
Bijl RV, Ravelli A.
Current and residual functional disability associated with psychopathology: findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Psychol Med 2000; 30: 57-668.
Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A, Rijk C de, Langendoen Y.
Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997b; 141: 2448-52.
Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A.
Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997a; 141: 2453-60.
Börsch-Supan A, Brugiavini A, Jürges H, Mackenbach J, Siegrist J, Weber G (red.).
Health, Ageing and Retirement in Europe – First Results from the Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe.
Mannheim: MEA, 2005.
Bouvy P, Nolen WA.
Diagnostiek en beloop. In: Nolen WA, Hoogduin CAL (red.). Behandelingsstrategieën bij depressie.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1998.
Cardol M, Dijk L van, Jong JD de, Bakker DH de, Westert GP.
Tweede Nationale Studie naar Ziekten en Verrichtingen in de huisartspraktijk. Huisartsenzorg: wat doet de poortwachter?
Utrecht: NIVEL, 2004.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Multidiscipliniare richtlijn depressie. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen cliënten met een depressie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005b.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Samenvatting multidisciplinaire richtlijn Depressie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005c.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg & Trimbos-instituut.
Multidisciplinaire richtlijn Depressie: Patiëntenversie.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2005d.
Copeland JRM.
Depression of older age -Origens of the (EURODEP-study).
Br J Psychiatry 1999; 174: 304-306.
Cuijpers P, Dekker J.
Psychologische behandeling van depressie: een systematisch review van meta-analyses.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2005; 149(34): 1892-1897.
Cuijpers P, Smit F.
Excess mortality in depression: a meta-analysis of community studies.
Journal of Affective Disorders, 2002; 72(3): 227-236.
Cuijpers P, Straten A van, Smit F.
Preventing the incidence of new cases of mental disorders: a meta-analytic review.
Journal of nervous and mental disease, 2005; 193(2): 119-125.
Demyttenaere K, Bruffaerts R, Posada-Villa J, Gasquet I, Kovess V, Lepine JP, et al.
Prevalence, severity, and unmet need for treatment of mental disorders in the World Health Organization World Mental Health Surveys.
JAMA, 2004; 291(21): 2581-90.
Devanand D, Kim M, Paykina N, Sackeim H.
Adverse life events in elderly patients with major depression or dysthymic disorder and in healthy-control subjects.
American Journal of Geriatric Psychiatry, 2002; 10(3): 265-274.
Goldberg DP, Lecrubier Y.
Form and Frequency of mental disorders across centres. In: Ustun TB, Sartorius N, editors. Mental Illness in General Health Care: an international study
.
Chichester: John Wiley & Sons, 1995: 323-334.
Graaf R de, Have M ten, Dorsselaer S van, Schoemaker C, Beekman A, Vollebergh W.
Verschillen tussen etnische groepen in psychiatrische morbiditeit. Resultaten van Nemesis.
Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2005c; 60(7/8): 703-716.
Havenaar JM.
Depressie in de eerste lijn, diagnose in een context. In: Gersons BPR, Kraaimaat FW, Dam-Baggen CMJ (red.). Omgeving, individu en psychiatrische stoornis.
Utrecht: RUU, 1990: 83-106.
Heeren TJ, Helmert AM van, Lagaay AM, Rooijmans AGM.
The general population prevalence of non-organic psychiatric disorders in subjects aged 85 and over.
Psychol Med, 1992b; 22: 733-8.
Heeren TJ.
Ouderdom is geen risicofactor. Niet-organische psychiatrische stoornissen bij 85-plussers.
MGv, 1992; 7/8: 774-82.
Judd L.
The clinical course of unipolar major depressive disorders.
Archives of General Psychiatry, 1997a; 54(11): 989-991.
Judd L.
Pleomorphic expressions of unipolar depressive disease: summary of the 1996 CINP President's Workshop.
Journal of Affective Disorders, 1997b; 45(1-2): 109-116.
Kessler R, Merikangas K.
The National Comorbidity Survey Replication (NCS-R): background and aims.
Int J Methods Psychiatr Res, 2004; 13(2): 60-8.
Kessler RC, Demler O, Frank RG, Olfson M, Pincus HA, Walters EE, et al.
Prevalence and treatment of mental disorders, 1990 to 2003.
The New England Journal of Medicine, 2005; 352(24): 2515-23.
Kessler RC, McGonagle S, Zhao S, et al.
Lifetime and 12-month prevalence of DSM-III-R psychiatric disorders in the United States. Results from the National Comorbidity Study.
Archives of general psychiatry 1994; 51: 8-19.
Klein D, Norden K, Ferro T, Leader J, Kasch K, Klein L, et al.
Thirty-month naturalistic follow-up study of early-onset dysthymic disorder: course, diagnostic stability, and prediction of outcome.
Journal of Abnormal Psychology, 1998; 107(2): 338-348.
Klein D, Riso L, Donaldson S, Schwartz J, Anderson R, Ouimette P, et al.
Family study of early-onset dysthymia. Mood and personality disorders in relatives of outpatients with dysthymia and episodic major depression and normal controls.
Archives of General Psychiatry, 1995; 52(6): 487-496.
Klein D, Schwartz J, Rose S, Leader J.
Five-year course and outcome of dysthymic disorder: A prospective, naturalistic follow-up study.
American Journal of Psychiatry, 2000; 157(6): 931-939.
König-Zahn C, Furer JW, Tax B, Berg JFM van den, Rijnders CATh, Rijswijk E van, et al. (red.).
Regioproject Nijmegen 2: Psychiatrische morbiditeit in de regio.
Nijmegen: KUN, 1999.
Kruijshaar ME, Hoeymans N, Bijl RV, Spijker J, Essink-Bot ML.
Levels of disability in Major Depression. Findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS).
Journal of Affective Disorders 2003a; 77(1): 53-64.
Lamberts H, Hofmans-Okkes IM.
Psychische en sociale problemen in de huisartspraktijk: een kwestie van competentie en autonomie bij artsen en patiënten.
Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 118-122.
Lépine JP, Gastpar M, Tylee A.
Depression in the community: the firts pan-European study DEPRES (Depression Research in European Society).
Int Clin Psychopharmacol 1997; 12(1): 19-29.
Meer K van der, Tiemens BG, Brink W van den.
Depressie in de eerstelijnsgezondheidszorg; internationale gegevens over prevalentie en behandeling, onder meer uit Nederland.
Ned Tijdschr Geneeskd 1996; 140: 2135-39.
Meertens V, Scheepers P, Tax B.
Depressive symptoms in The Netherlands 1975-1996: a theoretical framework and an emperical analysis of socio-demographic characteristics, gender differences and changes over time.
Sociology of Health & Illness, 2003; 25(2): 208-231.
NICE, National Institute for Clinical Excellence.
Depression in children and young people. Indentification and management in primary, community and secondary care.
London: The British Psychological Society & The Royal College of Psychiatrists, 2005.
Ormel J.
Psychiatrische ziekten: depressie. In: Grobbee DE en Hofman A (red.). Epidemiologie van ziekten in Nederland.
Utrecht: Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1989.
Paykel ES, Brugha T, Fryers T.
Size and burden of depressive disorders in Europe.
Eur Neuropsychopharmacol, 2005; 15(4): 411-23.
Peen J, Bijl RV, Spijker J.
Neemt de prevalentie van psychiatrische stoornissen toe met de stedelijkheidsgraad?
Tijdschrift voor Psychiatrie, 2002; 44: 225-35.
Peeters FPML.
Huisarts en depressieve patiënt: een problematisch duo?
Tijdschr Psychiatrie 1997; 39: 309-320.
Regioproject Nijmegen 2.
Psychiatrische morbiditeit in de regio.
Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1999.
Schoemaker CG, Rigter HGM, Graaf R de, Cuijpers P.
Nationale monitor geestelijke gezondheid. Jaarbericht 2002.
Utrecht: Bureau NMG, 2002.
Schoemaker CG, Ruiter C de.
Trimbos zakboek psychische stoornissen.
Utrecht: De Tijdstroom, 2005.
Schoevers RA, Bremmer MA, Beekman ATF, Hoogendijk WJ, Deeg DJH, Tilburg W van.
Verklaringen voor de relatie tussen depressie en verhoogde sterfte.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2004; 148(23): 1133-1137.
Schoevers RA, Geerlings MI, Beekman AT, Penninx BW, Deeg DJ, Jonker C.
Association of depression and gender with mortality in old age. Results from the Amsterdam Study of the Elderly (AMSTEL).
Br J Psychiatry, 2000; 177(10): 336-42.
Spijker J, Wurff FB van der, Poort EC, Smits CH, Verhoeff AP, Beekman AT.
Depression in first generation labour migrants in Western Europe: the utility of the Center for Epidemiologic Studies Depression Scale (CES-D).
Int J Geriatr Psychiatry, 2004; 19(6): 538-44.
Spijker J.
Chronic depression. Determinants and consequences of major depression in the general population.
Utrecht: Universiteit Utrecht, 2002.
Tilburg W van, Beekman ATF.
Affectieve stoornissen bij ouderen. In: Boer JA den, Ormel J, Praag HM van, Westenberg HGM, D’Haenen H (red.). Handboek stemmingsstoornissen.
Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, 1997.
Üstün TB, Ayuso-Mateos JL, Chatterji S, Mathers C, Murray CJ.
Global burden of depressive disorders in the year 2000.
Br J Psychiatry, 2004; 184: 386-92.
Vandereycken W, Hoogduin CAL, Emmelkamp PMG.
Handboek psychopathologie. Deel 1 basisbegrippen.
Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2000.
Verhulst FC, Ende J van der, Ferdinand RF, Kasius MC.
De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten.
Ned Tijdschr Geneeskd 1997a; 141: 777-781.
Volkers AC, Nuyen J, Verhaak P, Schellevis F.
The problem of diagnosing major depression in elderly primary care patients.
Journal of Affective Disorders, 2004; 82: 259-263.
Vollebergh WAM, Graaf R de, Have M ten, Schoemaker CG, Dorsselaer S van, Spijker J, et al.
Psychische stoornissen in Nederland: overzicht van de resultaten van NEMESIS.
Utrecht: Trimbos-instituut, 2003.
Weel-van Baumgarten EM, Bosch WJ van den, Hoogen HJ van, Zitman FG.
The longterm perspective: a study of psychopathology and health status of patients with history of depression more than 15 years after the first episode.
Gen Hosp Psychiatry, 2000; 22: 399-404.
Weissman M, Leaf P, Bruce M, Florio L.
The epidemiology of dysthymia in five communities: rates, risks, comorbidity, and treatment.
American Journal of Psychiatry, 1988; 145(7): 815-819.
WHO & ICPE, World Health Organization & International Consortium in Psychiatric Epidemiology.
Cross-national comparisons of the prevalences and correlates of mental disorders.
Bull WHO, 2000b; 78: 413-26.
Wurff FB van der, Beekman AT, Dijkshoorn H, Spijker JA, Smits CH, Stek ML, et al.
Prevalence and risk-factors for depression in elderly Turkish and Moroccan immigrants in the Netherlands.
J Affect Disord, 2004; 83 (1): 33-41.
CES-D
Center for Epidemiologic Studies depression scale
CIDI
Composite international diagnostic interview
DALY
Disability-Adjusted Life-Year
DEPRES
Depression Research in European Society
DIS
Diagnostic Interview Schedule
DSM
Diagnostic and statistical manual of mental disorders
ESEMeD
European Study of Epidemiology in Mental Disorders
EU
Europese unie
EU-15
De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
GHQ
General health questionnaire
GMS
Geriatric mental state schedule
ICPC
International classification of primary care
ICPE
International Consortium in Psychiatric Epidemiology
MHI
RAND Mental health inventory
NEMESIS
Netherlands Mental health Survey and Incidence Study (Trimbos-instituut)
NHG
Nederlands huisartsengenootschap
PSE
Present state examination
RIAGG
Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
SCAN
Schedules for clinical assessment in neuropsychiatry
SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau
SF-36
Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey
WHO
World Health Organization
Definities
PrevalentieHet aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Afkortingen
ABS
Affect balance scale
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
CES-D
Center for Epidemiologic Studies depression scale
CIDI
Composite international diagnostic interview
DALY
Disability-Adjusted Life-Year
DEPRES
Depression Research in European Society
DIS
Diagnostic Interview Schedule
DSM
Diagnostic and statistical manual of mental disorders
ESEMeD
European Study of Epidemiology in Mental Disorders
EU
Europese unie
EU-15
De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
GHQ
General health questionnaire
GMS
Geriatric mental state schedule
ICPC
International classification of primary care
ICPE
International Consortium in Psychiatric Epidemiology
MHI
RAND Mental health inventory
NEMESIS
Netherlands Mental health Survey and Incidence Study (Trimbos-instituut)
NHG
Nederlands huisartsengenootschap
PSE
Present state examination
RIAGG
Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
SCAN
Schedules for clinical assessment in neuropsychiatry
SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau
SF-36
Medical Outcomes Study 36-Item Short Form Health Survey
WHO
World Health Organization
Definities
PrevalentieHet aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.