De belangrijkste huidtumoren zijn melanoom, basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom. Op 1 januari 2002 waren er naar schatting ruim 17.000 mensen met plaveiselcelcarcinoom en 18.500 met melanoom (Bron: IKA, IKZ). Basaalcelcarcinoom wordt praktisch altijd curatief verwijderd, hiervoor zijn geen prevalentie gegevens beschikbaar.
Het aantal nieuwe patiënten in 2003 met basaalcelcarcinoom was naar schatting 18.700. In 2003 waren er 3.883 nieuwe patiënten met plaveiselcelcarcinoom en 2.869 met melanoom.
In 2004 overleden 594 personen aan melanoom en 60 personen aan overige huidtumoren (voornamelijk plaveiselcelcarcinoom).
Internationaal gezien neemt Nederland een vrij gunstige positie in voor plaveiselcelcarcinoom als het gaat om het aantal nieuwe gevallen en de sterfte, en een middenpositie voor melanoom
Sterfte aan melanoom blijft stijgen onder mannen
Het aantal nieuwe gevallen van basaalcelcarcinoom is tussen 1973 en 2003 meer dan verdubbeld en deze stijgende trend is ook in de periode 1990-2003 goed waarneembaar. Voor plaveiselcelcarcinoom was er in de periode 1990-2003 een lichte stijging zichtbaar, met name bij vrouwen. Het aantal melanoomgevallen is tussen 1975 en 1990 eveneens flink gestegen, ook in de periode 1990-2003 waren er nog stijgingen waarneembaar, maar minder sterk dan in de voorgaande periode.
De sterfte aan melanoom is tussen 1970 en 1988 continu gestegen. Deze stijging heeft zich bij mannen ook na 1988 voortgezet. Bij vrouwen bleef de sterfte na 1988 redelijk stabiel. De sterfte aan overige huidtumoren (vooral plaveiselcelcarcinoom) is tussen 1979 en 1988 gedaald en daarna ongeveer gelijk gebleven tot het jaar 2000, waarna verdere afnames plaatsvonden.
Sterke toename in zorgvraag de komende jaren
Als gevolg van de stijgende incidentie van huidkanker wordt alleen al voor de huisartsen een verdrievoudiging van de zorgvraag voorspeld en zal de totale zorgvraag met meer dan 5% per jaar toenemen. Binnen enkele jaren zullen huis- en huidartsen waarschijnlijk niet meer aan de vraag naar (preventieve) zorg kunnen voldoen.
Blootstelling aan UV-straling belangrijke risicofactor
De stijging in het vóórkomen van plaveiselcelcarcinoom is waarschijnlijk grotendeels toe te schrijven aan de toegenomen chronische blootstelling aan UV-straling. Bij melanoom en basaalcelcarcinoom lijkt met name onregelmatige blootstelling aan UV-straling (op jeugdige leeftijd) van invloed te zijn. Voor alle vormen van huidkanker geldt ook dat er meer nieuwe gevallen worden geconstateerd doordat patienten samen met dermatologen en andere artsen beter op huidkanker letten, dit verklaart waarschijnlijk ook waarom de sterfte niet zo sterk stijgt (of in het geval van plaveiselcercarcinoom zelfs daalt) als de incidentie.
De stijging van de sterfte aan melanoom is deels te verklaren doordat het beter mogelijk is om melanoom-specifieke sterfte vast te stellen, maar mogelijk ook doordat het aantal nieuwe gevallen werkelijk is toegenomen.
Op langere termijn mogelijk stijging
In de nabije toekomst wordt een sterke stijging in het aantal huidkankerpatiënten in Nederland en in andere Europese landen verwacht. Dit komt deels door de nog steeds stijgende incidentie, maar ook door het verouderen van de bevolking.
Door de toenames in incidentie, met een min of meer gelijkblijvende sterfte zijn de verwachte toenames in het jaarlijks aantal nieuwe huidkankerpatiënten zeer sterk: van 20.800 patiënten in het jaar 2000 naar 36.800 in 2015 (de corresponderende aantallen voor melanoom zijn 2.400 in het jaar 2000, naar 4.800 in 2015).
De 10-jaars kanker prevalentie cijfers voor Nederland laten zien dat het aantal melanoompatiënten in Nederland (die tussen 1992 en 2002 de diagnose kregen en nog in leven zijn) in het jaar 2002 al ruim 18.500 bedroeg; dit aantal zal naar verwachting ruwweg verdubbelen door een combinatie van stijgende incidentie en verbeterde overleving.
16 juni 2006
Huidkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
In het algemeen worden drie typen huidkanker onderscheiden en als volgt onderverdeeld:
Melanomen van de huid ( ICD-9 code 172, ICD-10 code C43; ongeveer 10%);
andere huidtumoren (ICD-9 code 173, ICD-10-code C44; ruim 90%). Deze groep huidtumoren wordt weer onderverdeeld in het basaalcelcarcinoom (75-80%), het plaveiselcelcarcinoom (20%) en zeer zeldzame tumoren die uitgaan van de talg- of zweetklieren (2%).
Melanomen
Melanomen ontstaan uit moedervlekken of nieuw gevormde pigmentvlekken
Melanomen zijn afkomstig van pigmentvormende cellen (melanocyten) van de huid. Ze ontstaan uit bestaande moedervlekken (ongeveer 30%) of uit nieuw gevormde pigmentvlekken. Er zijn vier typen melanoom. De meest voorkomende typen bij blanken zijn het ‘superficial spreading melanoma’ (SSM, 65%) en het nodulaire melanoom (NM, 25%). Men vermoedt dat het SSM een vroege variant en het NM een late variant is van hetzelfde type melanoom. Het SSM heeft een gunstiger prognose dan het NM.
De overige typen zijn vrij zeldzaam: het lentigo maligna melanoom (LMM, 5%) dat vooral bij ouderen voorkomt, en het acrolentigineuze melanoom (ALM, 5%). Bij mensen met een gepigmenteerde huid komt ALM het meest voor.
Veranderingen in grootte, kleur en omvang van pigment- of moedervlek kenmerkend
Melanoom kenmerken zich door veranderingen in grootte, kleur en omvang van een pigment- of moedervlek. Dikte en/of grootte nemen onregelmatige toe. De kleur is lichtbruin tot zwart, maar ook blauwe, roze-rode en witte kleurschakeringen komen voor. In het laatste geval wordt geen pigment meer gevormd (amelanotisch melanoom) en lijkt het melanoom - onterecht - goedaardig. De rand wordt vaak onregelmatig en de patiënt krijgt last van jeuk. In een later stadium neemt de dikte van het melanoom toe en kunnen zweervorming en bloedingen optreden.
Melanomen bij vrouwen steeds vaker ook op de romp
Bij mannen komen melanomen voornamelijk voor op de romp, bij vrouwen op de benen, maar in toenemende mate ook op de romp (De Vries et al., 2003a). Mogelijk komt dit doordat steeds meer vrouwen hun romp aan de zon blootstellen door bijvoorbeeld topless zonnen en het dragen van korte topjes. Andere plaatsen waar het melanoom voorkomt zijn de armen, het hoofd-halsgebied (vooral op oudere leeftijd en bij LMM), en in zeldzame gevallen de handpalmen, het nagelbed en de voetzolen (ALM). Bij uitzondering ontstaat een melanoom in het bindweefsel van het oog, het slijmvlies van de vagina, vulva, anus of rectum.
Uitzaaiingen melanoom zijn agressief en onvoorspelbaar
Het melanoom is de kwaadaardigste vorm van huidkanker omdat het metastaseringspatroon agressief en onvoorspelbaar kan zijn. Uitzaaiingen (metastasen) kunnen ontstaan binnen een afstand van maximaal 2 cm van het melanoom of excisielitteken, en worden dan ‘satelliethaarden’ genoemd. Ze kunnen ook ontstaan tussen de primaire tumor en het regionale lymfekliergebied. Dan worden ze ‘in-transit’-metastasen genoemd. Metastasering vindt verder plaats naar de regionale lymfeklieren – bijvoorbeeld in de hals, oksels of liezen – en via de bloedbaan naar allerlei organen. Voorkeurslocaties voor metastasen zijn de longen, het centrale zenuwstelsel, de huid, het maag-darmstelsel en de lever. Uitzaaiingen kunnen vijf tot tien jaar na diagnose nog optreden.
Basaalcelcarcinoom
Basaalcelcarcinoom groeit zeer langzaam en zaait vrijwel nooit uit
Basaalcelcarcinomen ontstaan uit de onderste (basale) laag van epitheelcellen die de bovenste laag van de huid (opperhuid) vormen. Het basaalcelcarcinoom is de minst kwaadaardige vorm van huidkanker. Het groeit zeer langzaam en zaait vrijwel nooit uit. De tumor begint meestal als een glad, glazig, grijs-roze knobbeltje, waarin soms wijde bloedvaatjes zichtbaar zijn, maar er zijn meerdere verschijningsvormen van het basaalcelcarcinoom. Op den duur ontstaat in het midden vaak een glad ingezonken gebied, omringd door een parelmoerkleurige rand. In een laat stadium kan ook zweervorming optreden. Zonder adequate behandeling groeit de tumor door tot in het weefsel onder de huid. Het basaalcelcarcinoom komt het meest voor in het gezicht, maar in toenemende mate ook op de romp (De Vries et al., 2004c).
Plaveiselcelcarcinoom
Plaveiselcelcarcinoom meestal in het gezicht of op de handrug
Plaveiselcelcarcinomen vormen zich net als basaalcelcarcinomen ook uit epitheelcellen van de opperhuid, maar ontstaan uit de zich verder differentiërende hoorn-achtige cellen. Dit type groeit sneller dan het basaalcelcarcinoom en geeft, al is het zeldzaam, uitzaaiingen naar de regionale lymfeklieren. Bij vroegtijdige behandeling is echter volledige genezing mogelijk. De tumor ontstaat vaak op plaatsen waar de huid geprikkeld is door een langdurige ontsteking of hardnekkige zweer. Deze afwijkingen worden dan dikker en verhoornen. Soms is de tumor bedekt met een schilferige korst. Het plaveiselcelcarcinoom komt het meest voor op lichaamsdelen die aan de zon zijn blootgesteld, zoals op het gelaat en de rug van de handen.
Beloop
Volledige genezing mogelijk bij basaalcel- en plaveiselcelcarcinoom
De kans op metastasen (uitzaaiingen) is bij het basaalcelcarcinoom nagenoeg afwezig en bij het plaveiselcelcarcinoom gering. Deze vormen van huidkanker kunnen bijna altijd volledig genezen. Toch worden vooral patiënten met plaveiselcelcarcinomen regelmatig gecontroleerd op de aanwezigheid van lokale recidieven (terugkeer van de laesie) of metastasen in de regionale kliergebieden. Basaalcelcarcinomen komen vaak terug en moeten dan keer op keer worden verwijderd. Dit kan verminkende gevolgen hebben, met name als de tumoren zich in het gezicht bevinden(Krekels, 1998).
Prognose melanoompatiënten hangt af van de tumordikte en metastasen
De prognose van melanoompatiënten hangt voornamelijk af van de aanwezigheid van metastasen en de Breslow-dikte van de tumor (Breslow, 1970). De American Joint Committee on Cancer hanteert de volgende stadiumindeling:
Stadium I: de tumor is 1,5 mm of dunner en er zijn geen metastasen.
Stadium II: de tumor is 1,5-4 mm dik, zonder metastasen.
Stadium III: er zijn regionale (lymfeklier)metastasen en/of de tumor is dikker dan 4 mm.
Stadium IV: er zijn metastasen op afstand.
60-70% melanoompatienten bij diagnose in stadium I
In Nederland heeft, afhankelijk van het geslacht, ongeveer 60-70% van de melanoompatiënten jonger dan 70 jaar bij diagnose stadium I. Bij 30-40% van de patiënten is het melanoom dikker dan 1,5 mm ). Bij ongeveer 2-5% van alle patiënten is het stadium niet bekend bij de kankerregistratie (Tersmette et al., 1996; IKZ, 2005 )
Meer dan 80% van de melanoompatiënten na 5 jaar nog in leven
De 5-jaarsoverleving is voor alle stadia van melanoom samen op dit moment meer dan 80% Patiënten met een melanoom van maximaal 1,5 mm dikte hebben een 5-jaarsoverleving van meer dan 90% (zie tabel 1) (IKZ, 2002). Naarmate de tumordikte groter is, neemt de kans op uitzaaiingen toe en neemt de overlevingskans af. De overlevingskans neemt ook af met de leeftijd, waarschijnlijk omdat bij ouderen de tumor vaak dikker is.
Ongeveer de helft van de Nederlandse patiënten van 70 jaar en ouder heeft een tumor van meer dan 1,5 mm dik (Tersmette et al., 1996). Een melanoom dikker dan 3 mm heeft een relatieve 5-jaarsoverlevingspercentage van ongeveer 40% voor mannen en 55% voor vrouwen (IKZ, 2002). Ongeveer 30% van de patiënten met aangetaste lymfeklieren kan nog genezen (Balch et al., 1992). Zijn er metastasen op afstand, dan lijkt genezing niet meer mogelijk. De mediane overlevingsduur is dan slechts zeven maanden.
Vrouwelijke melanoompatiënten hebben betere overlevingskans
Terwijl de incidentie in alle leeftijdsklassen bij vrouwen groter is dan bij mannen, hebben vrouwen op alle leeftijden een betere overleving dan mannen, vooral op oudere leeftijd (zie tabel 2) (Tersmette et al., 1996; IKZ, 2002). In de regio Eindhoven was de 10-jaars relatieve overleving voor alle mannelijke melanoompatienten ongeveer 80% en voor vrouwen 95-100% (IKZ, 2005). Dit komt voor een groot deel door een verschil in lokalisatie en stadiumverdeling van de tumor bij diagnose. Zo zit de tumor bij mannen vaak op de romp, waar het melanoom minder opvalt. De tumor kan daardoor langer doorgroeien. (Tersmette et al., 1996). Los van de stadiumverdeling heeft de lokalisatie zelf ook invloed op de prognose: een melanoom op de romp heeft een slechtere prognose dan een melanoom op de benen.
De verschillen in stadiumverdeling en lokalisatie kunnen de betere overleving van vrouwen echter niet volledig verklaren (Karjalainen & Hakulinen, 1988). Mogelijk spelen hormonale invloeden een rol bij het ontstaan en de prognose van melanomen. Melanoomcellen blijken namelijk bindingsplaatsen (receptoren) te bevatten voor vrouwelijke hormonen.
Tabel 1. 5- en 10-jaarsoverleving per stadium bij melanoom (bron: NKR; KWF, 2004b)
Stadium
5-jaars
10-jaars
Totaal
86%
83%
Stadium I
99%
99%
Stadium II
88%
81%
Stadium III
58%
45%
Stadium IV
8%
?
Tabel 2. Trends in 5-jaars relatieve overleving van melanoom (bron: IKZ; KWF, 2004b.
Alle leeftijden
15-34 jaar
35-64 jaar
65+
Mannen
1970-1979
46
58
48
Niet beschikbaar
1980-1989
63
58
65
48
1990-1995
74
83
73
71
1996-2001
72
85
75
55
Vrouwen
1970-1979
74
94
71
72
1980-1989
80
78
87
58
1990-1995
84
91
88
60
1996-2001
90
95
92
80
Kwaliteit van leven bij kanker in het algemeen
Over het algemeen geldt dat het vaststellen van de diagnose 'kanker' een groot effect heeft op het hele bestaan van de patiënt. Niet alleen de ziekte zelf maar ook de behandeling van de ziekte heeft vaak ingrijpende gevolgen. Afhankelijk van de soort kanker zullen lichamelijke en psychische problemen zich op verschillende momenten tijdens de ziekte meer of minder voordoen. De invloed van veel aspecten van de ziekte (zoals het stadium) en de behandeling op de kwaliteit van leven zijn voor alle kankerpatienten min of meer gelijk. Dit is beschreven in het document Wat is de kwaliteit van leven bij kanker?
U kunt algemene informatie over kwaliteit van leven vinden op de pagina over gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven (Ervaren gezondheid samengevat)
16 juni 2006
Huidkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op huidkanker?
Basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom
Overmatig zonlicht risicofactor
De belangrijkste risicofactor voor basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom is overmatige blootstelling aan ultraviolette straling, vooral uit zonlicht. Hoewel voor het plaveiselcelcarcinoom de totale hoeveelheid zonlicht gedurende het hele leven de belangrijkste oorzaak lijkt te zijn, is de relatie voor basaalcelcarcinomen veel complexer (Armstrong & Kricker, 2001). Overexpositie op jeudige leeftijd en intense intermitterende exposities ook gedurende de puberteit lijken vooral van belang voor het ontstaan van basaalcelcarcinomen (Rubin et al., 2005) . Hierdoor lopen met name personen met een buitenberoep een hoger risico op het krijgen van plaveiselcelcarcinoom. Chronische beschadiging door röntgenstraling, littekenvorming en ontstekingsprocessen kunnen ook een rol spelen bij het ontstaan van plaveiselcelcarcinoom, evenals beroepsmatige blootstelling aan toxische stoffen. Waarschijnlijk spelen ook virale infecties, in het bijzonder door diverse humane papillomavirussen, een bevorderende rol bij het ontwikkelen van plaveiselcelcarcinomen (Shamanin et al., 1996; Zur Hausen, 2001; Struijk et al., 2005; Karagas et al., 2006).
Familiair syndroom in 1- 5% van de basaalcelcarcinoom patiënten
Er bestaat een erfelijke vorm van het basaalcelcarcinoom: het Nevoïd Basaalcelcarcinoom Syndroom (NBCCS, ook wel Goltz-Gorlin syndroom genoemd). Eén tot vijf procent van alle gevallen van basaalcelcarcinoom op jonge leeftijd of van meervoudig basaalcelcarcinoom komt op rekening van dit syndroom. Families met NBCCS komen in aanmerking voor screening (Menko & Veer, 1998).
Melanoom
Overmatige blootstelling aan UV-straling (op jonge leeftijd) belangrijke risicofactor
Overmatige en onregelmatige blootstelling aan UV-straling van zonlicht en/of bruiningsapparatuur wordt beschouwd als de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van melanomen (Chin, 2003; Marks, 2000). Dit geldt in elk geval voor de zeldzame huidtumoren (LMM en ALM). Voor de meest voorkomende vormen van melanoom (SSM en NM) is de relatie met UV-straling complex. Zo is de incidentie van melanoom weliswaar het hoogst in gebieden met een zonnig klimaat en veel blanke inwoners (met name Australië en de zuidelijke staten van Noord-Amerika). In Europa is onder blanke populaties de incidentie echter juist het laagst in de zonnige gebieden rond de Middellandse Zee en het hoogst in Scandinavië. Veel melanomen (SSM en NM) komen bovendien voor op de meer bedekte delen van het lichaam en bij personen met een binnenberoep. Uit recent onderzoek aan melanomen met duidelijke verschillen in UV-expositie blijkt dat in deze groepen ook duidelijk verschillende genetische veranderingen aantoonbaar zijn (Curtin et al., 2005), voor een deel de UV paradox verklarend.
Er wordt aangenomen dat een toename in onregelmatige overmatige blootstelling aan UV-straling, bijvoorbeeld tijdens zonvakanties, een belangrijk deel van de stijging in de incidentie veroorzaakt. Een dergelijke blootstelling, met name tijdens de kinderjaren, zou de kans op het later ontwikkelen van melanoom verhogen, een hypothese die inmiddels ook in dierexperimenteel onderzoek bevestigd lijkt te worden (Noonan et al., 2001). Echter, deze hypothese van ‘intermitterend’ zonlicht (onregelmatige blootstelling aan UV-straling) kan de wereldwijde incidentiestijging van de laatste decennia niet volledig verklaren (Marks, 2000). Zie ook straling.
Meer kans op melanoom door bepaalde pigmentatiekenmerken
Het staat vast dat bepaalde pigmentatiekenmerken, zoals het hebben van veel sproeten, een licht en pigmentarm huidtype, lichtblond of rossig haar en blauwe ogen, een verhoogd risico voor het ontstaan van melanomen geven (Evans et al., 1988; MacKie, 1998). Het risico is dan met een factor 1,5 tot 4 verhoogd. Inwoners van Noordeuropese landen hebben gemiddeld een lichter huidtype dan Zuideuropeanen. Dit verklaart gedeeltelijk de hoge incidentiecijfers van Scandinavië en Engeland, en de lage incidentiecijfers in Zuid-Europa (De Vries et al., 2003b). Ook het hebben van veel moedervlekken (naevi) is een sterke risicofactor, met name wanneer de moedervlekken onregelmatig zijn en een diameter van meer dan 2 mm hebben (dysplastische naevi). Het risico is verhoogd met een factor 2 tot 20 (Evans et al., 1988).
Familiair syndroom in ongeveer 6-10% van de melanoomgevallen
Melanoom komt in ongeveer 6-10% van de gevallen voor als onderdeel van een familiair syndroom (het FAMMM-syndroom, Familiair Atypical Multiple Mole-melanoma syndroom): bij twee of meer eerstegraads familieleden komen melanomen voor, waarbij de helft van de familieleden een bont patroon van onregelmatig begrensde en gepigmenteerde moedervlekken (dysplastisch naevi) heeft. De moedervlekken liggen vaak in groepen gerangschikt over het hele lichaam, vooral op de romp. De aanwezigheid van drie of meer moedervlekken wordt beschouwd als een risicofactor voor het ontstaan van melanomen. Er zijn sterke aanwijzingen dat leden van FAMMM-families drager zijn van een melanoomgen (CDKN2-gen en CDK-4 gen) dat verantwoordelijk is voor de vorming van familiaire melanomen (Tsai & Tsao, 2004).
Familiaire melanoom patiënten (zie Criteria voor FAMMM) kunnen een mutatieanalyse laten uitvoeren bij de afdeling Klinische Genetica. Hierbij wordt gekeken naar mutaties in het CDKN2A-gen. Bij een positieve uitslag kunnen andere familieleden zich desgewenst presymptomatisch laten testen. Mutatiedragers en personen die waarschijnlijk FAMMM hebben, worden periodiek onderzocht. Eén of twee keer per jaar wordt de huid geïnspecteerd vanaf ongeveer 12 jaar. FAMMM dragers hebben ook en verhoogd risico op het verkrijgen van alvleeskliercarcinoom. Daarom wordt soms de alvleesklier onderzocht in een trial opzet. Echter er zijn nog geen beeldvormende of andere technieken die alvleeskliercarcinoom met zekerheid vroeg detecteren. Bij personen die mogelijk FAMMM hebben kan vanaf een bepaalde leeftijd een jaarlijkse controle overwogen worden (Bron: Signaleringscommissie Kanker van KWF, Biomarkers bij preventie, diagnostiek en behandeling van kanker, 2006 – in de maak).
Criteria voor FAMMM (Bron:STOET & VKGN, Werkgroep Klinische Oncogenetica 2001)
Melanoom met/zonder dysplastische naevi bij twee eerstegraads verwanten, of
Melanoom met/zonder dysplastische naevi bij tenminste drie verwanten in dezelfde tak van een familie
Door milieuvervuiling mogelijk toename van huidkanker
Ook andere factoren, zoals milieuvervuiling, zijn van belang voor de kans op melanoom. De ozonlaag, een beschermende laag rondom de aarde, filtert een groot deel van de schadelijke UV uit het zonlicht voor deze de aarde bereikt. De stralen van de zon moeten echter verschillende ‘diktes’ van ozonlaag doorkruisen, afhankelijk van de plaats op aarde: op de evenaar vallen de stralen recht in en bereikt relatief veel UV de aarde, meer afgelegen van de evenaar wordt deze baan door de ozonlaag langer en kan minder UV de aarde bereiken. In het voorjaar echter is de baan die het zonlicht door de ozonlaag af moet leggen korter in de hogere breedtegraad-gebieden (De Vries et al., 2006). Vervuiling tast de ozonlaag aan waardoor er ‘gaten’ ontstaan. De dunnere ozonlaag kan de UV-straling (met name het schadelijke UV-B) minder goed tegengehouden, waardoor het risico voor melanoom en andere huidtumoren kan toenemen. Het duurt waarschijnlijk vele tientallen jaren voordat huidkanker tot ontwikkeling komt. Een effect van het dunner worden van de ozonlaag zal daarom pas over een aantal jaren duidelijk kunnen worden (De Vries et al., 2006)
Sinds enkele decennia is bekend dat er een ‘gat’ in de ozonlaag is. Dit bevindt zich met name rondom de Zuidpool maar ook boven andere gebieden op aarde is de ozonlaag soms erg dun. De hoeveelheid UV die dan op aarde terechtkomt, is aanzienlijk hoger, zonder dat de temperatuur verandert. Op den duur, met een maximum dat wordt voorspeld rond 2050 (Slaper et al., 1996), zouden in Nederland zo’n 2000 extra gevallen per jaar van huidkanker kunnen ontstaan als gevolg van het verdunnen van de ozonlaag. Het hoogste extra risico als gevolg van het verdunnen van de ozonlaag in Europa treedt op in de landen rond de Middellandse zee; het is daar ruim het dubbele van dat in Nederland (MNP, 2006b).
.
16 juni 2006
Huidkanker
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patient
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?
Meestal chirurgische en soms radiotherapeutische behandeling
Afhankelijk van de grootte en de lokalisatie wordt het basaalcelcarcinoom meestal chirurgisch en soms radiotherapeutisch behandeld (zie tabel 1 ). Vooral bij kleine en oppervlakkige tumoren komt cryotherapie (bevriezing) in aanmerking. In 95% van de gevallen treedt definitieve genezing op. Soms is opnieuw chirurgische verwijdering nodig, omdat de tumor op dezelfde plaats is teruggekomen. In bijzondere situaties worden lasertherapie en elektrocoagulate (via elektrische stroom) toegepast. In principe wordt plaveiselcelcarcinoom op dezelfde manier behandeld als basaalcelcarcinoom. Wel gaat daarbij de voorkeur uit naar chirurgie en dient het chirurgisch snijvlak wat ruimer te zijn in verband met de agressievere groeiwijze. De behandeling van melanoom hangt af van het stadium van de ziekte. Het stadium wordt vastgesteld op basis van de dikte van de tumor en de aanwezigheid van metastasen (Breslow, 1970) (zie tabel 2).
Tabel 1. Overzicht van mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling van basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom.
Diagnostiek
Huidig gebruik
Op basis van huidbiopt
Meestal, afhankelijk van de grootte en lokalisatie
Behandeling
Huidig gebruik
Chirurgie
Meestal, eventueel Mohs chirurgie voor basaalcelcarcinomen
Radiotherapie
Soms, afhankelijk van de grootte en lokalisatie
Cryotherapie (bevriezing)
Bij kleine en oppervlakkige tumoren
Lasertherapie en elektrocoagualatie (via elektrische stroom)
In bijzondere situaties
Door sentinel-nodetechniek betere diagnostiek
Sentinel nodes (schildwacht-lymfeklieren) zijn de lymfeklieren die als eerste het lymfevocht uit het tumorgebied ontvangen. Men neemt aan dat tumorcellen via deze klieren verspreid worden. Een verbeterde stadiëring met behulp van deze techniek zou ertoe kunnen leiden dat patiënten verschuiven naar een hoger stadium (minder ver uitgegroeid). Deze ontwikkeling heeft geen directe gevolgen voor de incidentie.
Er bestaat nog onduidelijkheid over de therapeutische implicaties van een tumor-positieve sentinel node. De sentinel node-procedure geeft aanvullende therapeutische informatie, maar het is nog onduidelijk of door vroegtijdige verwijdering van lymfekliermetastaen overlevingswinst kan worden geboekt. Daarom adviseert de Nederlandse Melanoom Werkgroep in de Richtlijn Melanoom van de huid CBO & VIKC, 2005 het volgende ‘sentinel node-biopsie [dient te worden gereserveerd] voor patiënten die zo goed mogelijk geïnformeerd willen zijn over hun prognose. De sentinel node-procedure behoort niet tot de standaarddiagnostiek. De kleine kans op complicaties, het vrij hoge percentage fout-negatieve bevindingen en de mogelijk verhoogde incidentie van in-transit-metastasen dienen bij de indicatiestelling te worden betrokken'
Hernieuwde aandacht voor immunotherapie
De behandeling van metastasen met immunostimulatoren (BCG) was in het verleden weinig succesvol. Er ontstond hernieuwde belangstelling voor immunotherapie door hoopgevende resultaten bij behandeling met interleukine-2 of celdodende lymfocyten (Rosenberg et al., 1988) en in onderzoeksverband werd het effect van interferon-α onderzocht. Ook de waarde van vaccins, waarbij eigen melanoomcellen worden toegediend, wordt onderzocht. Doordat deze cellen veelal genetisch gemanipuleerd zijn neemt de effectiviteit van het vaccin mogelijk toe.
De resultaten van de tot nu toe uitgevoerde onderzoeken naar de waarde van adjuvante behandeling met Interferon-α zijn niet consistent, maar een duidelijk voordeel van interferon-α therapie op de overleving van melanoom-patiënten is niet aangetoond. Bij patiënten met melanoom in stadium II en III leidt adjuvante systemische therapie niet tot verbetering van de overleving. De bijwerkingen van de behandeling zijn zeer belastend voor de patiënt. De richtlijn melanoom van de huid stelt ‘Systemische adjuvante behandeling van melanoompatiënten wordt, buiten onderzoeksverband, niet aanbevolen. Dit geldt ook voor behandeling met interferon-α.’
Tabel 2. Overzicht van mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling van melanoom van de huid.(CBO & VIKC, 2005) *
Diagnostiek
Huidig gebruik
Dermatoscopie
Dermatoscopie dient een vaste plaats te krijgen in de klinische diagnostiek van gepigmenteerde huidafwijkingen. Bij verdenking op een melanoom is het aangewezen ook de regionale lymflieren te onderzoeken en te letten op in-transit metastasen. Röntgenologisch onderzoek is meestal niet nodig.*
Chirurgie (diagnostische ingreep)
Bij verdenking op een melanoom moet een excisiebiopt worden verricht, histopathologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of het echt een melanoom is. *
Schildwachtklier ('sentinal-node')-techniek
De sentinel node-biopsie wordt gebruikt voor patiënten die zo goed mogelijk geïnformeerd willen zijn over hun prognose, het is geen standaard onderdeel van de diagnostiek.*
Behandeling
Huidig gebruik
Na de diagnostische excisie moet een therapeutische re-excisie (=definitieve excisie) plaatsvinden met als doel eventuele (klinisch niet waar te nemen) satellieten te verwijderen en daarmee uitzaaiingen te voorkómen.*
Standaard bij verdenking op een melanoom
Chirurgie
Standaard bij verdenking op een melanoom
Radiotherapie
Voor patiënten met een primair melanoom of een LMM bij wie chirurgie niet mogelijk of wenselijk is, of wanneer de patiënt chirurgie weigert
Radiotherapie gecombineerd met verwarming of een regionale geïsoleerde doorstroming (perfusie) met cytostatica
Als verwijdering van de afwijking of de uitzaaiingen niet mogelijk is, alleen als het melanoom zich op de armen of benen bevindt
Verwijderen van regionale lymfeklieren
Uit voorzorg, bij tumoren van 1-4 mm dik, nog geen consensus over het nut van deze behandeling
Kliergebied verwijderen en eventueel aansluitend radiotherapie
Als er metastasen in de regionale lymfeklieren zijn
Lasertherapie, injecties met immuunstimulerende middelen
Bij uitgebreide plaatselijke uitzaaiingen
Injecties met interferon-α
Behandeling van melanoompatiënten met interferon-α wordt alleen binnen onderzoeksverband aanbevolen.*
16 juni 2006
Huidkanker
Omvang van het probleem
Hoe vaak komt huidkanker voor en hoeveel mensen sterven eraan?
Basaalcelcarcinoom
In 2003 ongeveer 18.700 nieuwe patienten met basaalcelcarcinoom
Het aantal nieuwe patiënten in 2003 met basaalcelcarcinoom (incidentie) is 1,10 per 1.000 mannen en 1,18 per 1.000 vrouwen (absoluut circa 8.900 mannen en 9.800 vrouwen). Deze schatting is gebaseerd op gegevens van het kankercentrum IKZ. De incidentie neemt sterk toe met de leeftijd, zowel bij mannen als bij vrouwen (De Vries et al., 2004c). Basaalcelcarcinomen worden praktisch altijd curatief verwijderd. Daarom worden hier geen prevalentiecijfers gegeven. Aangezien vrijwel niemand aan basaalcelcarcinoom overlijdt, zijn er ook geen sterftecijfers (NKR) .
Plaveiselcelcarcinoom
Meer mannen dan vrouwen met plaveiselcelcarcinoom
Het aantal personen met plaveiselcelcarcinoom (prevalentie) op 1 januari 2002 was 1,25 per 1.000 mannen en 0,87 per 1.000 vrouwen (absoluut 9.900 mannen en 7.100 vrouwen). Het betreft hier de 10-jaarsprevalentie. Dit wil zeggen het aantal mensen dat in de 10 jaar voorafgaand aan de peildatum (1 januari 2002) de kanker heeft gekregen en op de peildatum nog in leven is. De prevalentieschattingen zijn gebaseerd op gegevens van twee kankercentra in Nederland, het IKA en het IKZ.
In 2003 bijna 3.900 nieuwe patiënten met plaveiselcelcarcinoom
Het aantal nieuwe patiënten in 2003 met plaveiselcelcarcinoom (incidentie) was 0,28 per 1.000 mannen en 0,20 per 1.000 vrouwen (absoluut circa 2.200 mannen en 1.680 vrouwen). De incidentie neemt toe met de leeftijd, zowel bij mannen als bij vrouwen (NKR).
Sterfte aan ‘overige huidtumoren’ vrijwel volledig voor rekening van plaveiselcelcarcinoom
In Nederland bedroeg de sterfte in 2004 aan ‘overige huidtumoren’ (ICD-10-code C44) 0,45 per 100.000 mannen en 0,29 per 100.000 vrouwen (absoluut 36 mannen en 24 vrouwen). Deze sterfte komt bijna geheel voor rekening van plaveiselcelcarcinomen. Sterfte komt vooral onder ouderen voor (CBS Doodsoorzakenstatistiek).
Melanoom
Meer vrouwen dan mannen met melanoom
Het aantal personen met melanoom (prevalentie) op 1 januari 2002 was 0,92 per 1.000 mannen en 1,37 per 1.000 vrouwen (absoluut 7.400 mannen en 11.100 vrouwen). Het betreft hier de 10-jaarsprevalentie. Dit wil zeggen het aantal mensen dat in de 10 jaar voorafgaand aan de peildatum (1 januari 2002) de kanker heeft gekregen en op de peildatum nog in leven is. De prevalentieschattingen zijn gebaseerd op gegevens van twee kankercentra in Nederland, het IKA en het IKZ.
In 2003 bijna 2.900 nieuwe gevallen van melanoom
Het aantal nieuwe patiënten in 2003 met melanoom (incidentie) was 0,15 per 1.000 mannen en 0,21 per 1.000 vrouwen (absoluut 1.170 mannen en 1.700 vrouwen). Zowel bij mannen als bij vrouwen neemt de incidentie toe met de leeftijd, met name boven 45 jaar. Bij mannen van 30-44 jaar komt melanoom op de tweede plaats van de meest voorkomende tumoren. Bij vrouwen is melanoom de meest voorkomende tumor in de leeftijd 15-39 jaar (NKR).
Sterfte aan melanoom 1,7% van de totale kankersterfte
In Nederland bedroeg de sterfte in 2004 aan melanoom (ICD-10-code C43) 4,29 per 100.000 mannen en 3,01 per 100.000 vrouwen (absoluut 346 mannen en 248 vrouwen). Dit is ongeveer 1,7% van de totale sterfte aan kanker bij mannen en vrouwen (CBS Doodsoorzakenstatistiek).
De incidentie van basaalcelcarcinoom is tussen 1973 en 1990 met gemiddeld 80% gestegen voor zowel mannen als vrouwen (De Vries et al., 2004c) en tussen 1990 en 2003 met nog eens gemiddeld 50% (zie figuur 1), dus totaal met circa 130%. Een duidelijke verklaring hiervoor ontbreekt. Waarschijnlijk is er wel een toename geweest in het aantal uren recreatie dat buiten (in de zon) wordt doorgebracht door toegenomen vrije tijd en steeds populairder wordende zonvakanties. Mogelijk speelt dit een rol bij de toename van basaalcelcarcinoom.
Figuur 1: Incidentie van basaalcelcarcinoom naar geslacht in de periode 1990-2003; gestandaardiseerd naar de Europese standaard bevolking en geindexeerd (IKZ).
Plaveiselcelcarcinoom
Aantal nieuwe patiënten voor vrouwen met 65% toegenomen
In de periode 1990-2003 is de incidentie voor mannen met ruim 10% gestegen en voor vrouwen met 65% (zie figuur 2). In de IKZ en IKA regio's daalde de incidentie van plaveiselcelcarcinoom in de jaren zeventig en steeg in de jaren tachtig weer met 20% (Coebergh et al., 1995).
Figuur 2: Incidentie van plaveiselcarcinoom naar geslacht in de periode 1990-2003; gestandaardiseerd naar de Euopese standaardbevolking en geindexseerd(NKR).
Sterfte laatste vier jaar gedaald
Vanaf het jaar 2000 is zowel bij mannen als vrouwen de sterfte aan plaveiselcelcarcinoom met circa 20% gedaald. In de voorafgaande periode van 1988-2000 was geen duidelijke trend aanwezig, maar in de eerste periode van 1980-1988 daalde de sterfte, met grote fluctuaties, met gemiddeld 40% (zie figuur 3).
Figuur 3: Sterfte aan plaveiselcelcarcinoom (ICD-9 code 173; ICD-10 code C44) naar geslacht in de periode 1980-2004; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 (CBS Doodsoorzakenstatistiek).
Melanoom
Aantal nieuwe patiënten stijgt minder sterk
Landelijk is er in de periode 1990-2003 nog wel een stijging waarneembaar, maar minder sterk dan in eerdere jaren (zie figuur 4). In de IKZ regio steeg de incidentie van het melanoom sinds de jaren zestig bij mannen en vrouwen. Begin jaren zeventig vlakte dat weer af. Tussen 1975 en 1990 is de incidentie bij mannen en vrouwen bijna verdrievoudigd (Coebergh et al., 1995).
Figuur 4: Incidentie van melanoom naar geslacht in de periode 1980-2003; gestandaardiseerd naar de Euopese standaardbevolking en geindexeerd (NKR).
Sterfte aan melanoom stijgt nog steeds onder (oude) mannen
De sterfte aan melanoom is tussen 1970 en 1988 met een factor 1,5 gestegen (Nelemans et al., 1992). Onder vrouwen bleef de sterfte na 1988 ongeveer constant. Bij mannen heeft de stijging zich na 1988 voortgezet (zie figuur 5). Deze stijging treedt in alle leeftijdsklassen op. Als de incidentie van melanoom verder stabiliseert zal ook de stijging van de sterfte aan melanoom stoppen (De Vries et al., 2005d).
Figuur 5: Sterfte aan melanoom (ICD-9 code 172: ICD-10 code C43) naar geslacht in de periode 1980-2004; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 (CBS Doodsoorzakenstatistiek).
Ontwikkelingen in diagnostiek, behandeling,incidentie en sterfte
Voor plaveiselcelcarcinomen en basaalcelcarcinomen zijn geen noemenswaardige nieuwe ontwikkelingen, echter voor melanomen zijn hierna een aantal aspecten vermeld.
Vijfjaarsoverleving van melanoom verbeterd door vroegere ontdekking
Een verhoogde rapportage door grotere oplettendheid van huisartsen en dermatologen heeft mogelijk bijgedragen aan een geringe (tijdelijke) incidentieverhoging van alle huidtumoren. Tevens leidde een verhoogde oplettendheid tot ontdekking in een vroeger stadium. Dit is vooral het geval bij het melanoom. Mede hierdoor is de relatieve 5-jaarsoverleving van het melanoom in Nederland tussen midden jaren zestig en eind jaren negentig verbeterd van ongeveer 50% tot 80% voor mannen en van 60% tot 90% voor vrouwen (Coebergh et al., 1995, KWF, 2004b).
Verfijning en uitbreiding palliatieve behandeling kan prognose verbeteren
Verfijning en uitbreiding van palliatieve behandeling, zoals regionale geïsoleerde doorstroming van de ledematen met cystostatica, radiotherapie, eventueel gecombineerd met verwarming, en lasertherapie kan in de toekomst de prognose verbeteren. Dit geldt met name voor het uitgezaaide melanoom, maar alleen als dat zich op de ledematen bevindt. De sterfte zal hierdoor echter nauwelijks veranderen en de prevalentie zal licht stijgen.
Meer huidkanker en sterfte aan huidkanker door UV-straling
De verhoogde chronische en intermitterende blootstelling aan straling van de afgelopen dertig jaar zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor de stijging van de incidentie van huidkanker en sterfte aan huidkanker tussen het midden van de jaren zeventig en het begin van de jaren negentig. Met name de toegenomen populariteit van zonnebaden, zonvakanties en zonnebanken heeft hieraan bijgedragen. Veranderingen in zongewoonten in het midden van de jaren negentig, als gevolg van voorlichtingscampagnes over verstandig zonnen, zullen pas na 2010 van invloed zijn op de incidentie en sterfte aan huidkanker (De Vries et al., 2003b).
Veranderingen in risicofactoren pas in loop van 21ste eeuw zichtbaar
Ook de aantasting van de ozonlaag leidt waarschijnlijk tot een verhoging van de incidentie van huidkanker. Tussen 1980 en 1995 is de UV-belasting in Nederland gestegen (zie ook onder straling). Aangezien huidkanker zich ontwikkelt in vele tientallen jaren, zal pas in de loop van deze eeuw zichtbaar worden of de incidentie van huidkanker stijgt. In 1996 werd voorspeld dat het maximum in de incidentie van huidkanker rond 2060 zou uitkomen, e.a afhankelijk de naleving van internationale scenario’s met betrekking tot de aantasting van de ozonlaag (Slaper et al., 1996). Deze effecten van het verdunnen van de ozonlaag waren in het verleden nog niet duidelijk waarneembaar maar worden op een termijn van de komende tien jaar al zichtbaar. Voor 2015 wordt al een toename van 80% in de incidentie van huidkanker voorspeld ( KWF, 2004b, De Vries et al., 2005d).
Voornamelijk zorg verleend door huis- en huidartsen
Voornamelijk huis- en huidartsen (dermatologen) dragen zorg voor zowel preventie en vroege opsporing van huidkanker als het verdere zorgtraject. Ongeveer 25% van de totale dienstverlening door de dermatoloog bestaat uit preventieve en curatieve huidkankerzorg (KWF, 2004b). Voor de huisarts ligt dit percentage waarschijnlijk op enkele procenten. Verder zijn soms ook plastisch, oncologisch en algemeen chirurgen en keel-, neus- en oorartsen (bij plaveiselcelcarcinoom van de lip) betrokken bij de huidkankerzorg. Daarnaast geven diverse jeugd- en consultatiebureauartsen voorlichting over verantwoorde blootstelling van jonge kinderen aan UV-straling.
Toename in zorgvraag bij huisarts komende jaren
De prognose is dat de vraag naar preventieve huidkankerzorg bij huisartsen toeneemt van drie tot zes consulten per week in 2004 tot twee tot vijf consulten per werkdag in 2015. Dit betekent een verdrievoudiging in de zorgvraag bij de huisarts (KWF, 2004b).
Zorgaanbod blijft achter bij zorgvraag
Meestal treedt, ongeacht de beschikbaarheid van het zorgaanbod, een piek in de vraag naar zorg op in het voorjaar en voorzomer. In deze periode worden voor huidkanker verdachte afwijkingen vaak zichtbaar doordat de huid meer ontbloot is en zijn er diverse bewustwordingscampagnes gericht op huidkanker en huidverzorging. De vraag naar deze zorg groeit hard en het aanbod van huisartsen en dermatologen blijft hierbij achter. Eventuele toekomstige preventieve voorlichtingscampagnes dienen hiermee rekening te houden (KWF, 2004b)
Zorggebruik in ziekenhuizen bij melanoom
Klinische opnamen met 16% gedaald, stijging dagopnamen met 30%
Het aantal personen dat in een jaar in het ziekenhuis is opgenomen voor melanoom (ziekenhuisprevalentie, dit betreft zowel klinische als dagopnamen) is in de periode 1995-2003 voor zowel mannen als vrouwen redelijk constant gebleven. Er zijn in deze periode wel een aantal uitschieters naar boven te zien (zie figuur 1). Het aantal klinische opnamen en opnamedagen (exclusief dagopnamen) is in 2003 ten opzichte van 1995 met 16% respectievelijk 40% gedaald. Er zijn wel meer dagopnamen. Dit aantal is voor mannen en vrouwen met 30% gestegen. Bij al deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.
Melanoom steeds vaker poliklinisch behandeld
Melanoom wordt steeds vaker poliklinisch behandeld in vergelijking met een aantal jaren geleden (CBS, 2005). Dit verklaart de afname van het aantal opnamedagen, terwijl het aantal personen dat in een jaar in het ziekenhuis wordt opgenomen voor melanoom redelijk constant blijft.
Rond de 1.500 klinische en dagopnamen voor melanoom
Zowel het absoluut aantal klinische opnamen als het absoluut aantal dagopnamen voor melanoom ligt voor mannen en vrouwen samen in 2004 rond 760. De gemiddelde klinische opnameduur voor melanoom is in de periode 1994-2004 afgenomen van bijna negen dagen naar ruim vijf dagen.
Figuur 1: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen voor melanoom (ICD-9 code 172, ICD-10 code C43) bij mannen en vrouwen in de periode 1995-2003; gestandaardiseerd naar de bevolking van 1990 en geïndexeerd (1995 is 100) (bron: CBS StatLine, LMR)
Zorggebruik in ziekenhuizen bij andere vormen van huidkanker
Dagopnamen verdrievoudigd, klinische opnamen met 25% gedaald
Het aantal personen dat in een jaar in het ziekenhuis is opgenomen voor andere vormen van huidkanker dan melanoom (ziekenhuisprevalentie, dit betreft zowel klinische als dagopnamen) is in de periode 1995-2003 verdubbeld (zie figuur 1). De stijging zit vooral in het aantal dagopnamen: steeds meer personen met overige huidkanker worden tijdens een dagopname behandeld. Het aantal dagopnamen is sinds 1995 verdrievoudigd, terwijl het aantal klinische opnamen met 25% is afgenomen. Bij al deze trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.
Het absoluut aantal klinische opnamen is voor mannen en vrouwen in 2004 ongeveer 1.500. Het absoluut aantal dagopnamen voor overige vormen van huidkanker is ruim vier keer zo hoog, namelijk 6.674. De gemiddelde klinische opnameduur is in de periode 1994-2004 met ongeveer anderhalve dag afgenomen van ruim zes dagen naar ongeveer vijf dagen.
Figuur 3: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen voor andere huidkanker dan melanoom (basaalcel en plaveiselcel, ICD-9 code 173, ICD-10 code C44) voor mannen en vrouwen in de periode 1995-2003; gestandaardiseerd naar de bevolking van 1990 en geïndexeerd (1995 is 100). (bron: CBS StatLine, LMR, 2005).
N.b. Het indexcijfer voor dagopnamen voor mannen loopt op tot 330 en de ziekenhuisprevalentie op tot 188 in 2003.
N.b. Het indexcijfer voor dagopnamen voor vrouwen loopt op tot 381 en de ziekenhuisprevalentie op tot 221 in 2003.
Opvallend zijn de regionale verschillen in incidentie van huidkanker. In het Noorden van het land komt plaveiselcelcarcinoom vaker voor, zeker bij mannen, al is hierin de laatste jaren een afnemende trend waargenomen. Dit komt waarschijnlijk doordat in het Noorden vroeger meer mensen buitenshuis werkzaam waren (agrarische activiteit) (Coebergh & Vries, 2002) en een gemiddeld lichter huidtype hebben. Trends in het Noorden en Oosten van Nederland namen af voor mannen (geschat jaarlijks % verandering (EAPC) respectievelijk –2,1% en –1,3%) terwijl in het Westen en Zuiden de cijfers toenamen (EAPC respectievelijk +3,1% en +2,3%). Ook voor de incidentie van MM werd een gradiënt in incidentie waargenomen, met hogere incidentiecijfers in het Noorden en Westen van het land dan in het Zuiden en Oosten(De Vries et al., 2003a). De rates in het Zuiden en Oosten waren gemiddeld 0,8 patiënten (6%) per 100,000 persoonsjaren lager dan in het Zuiden. Deze gradiënt hangt waarschijnlijk samen met huidtype en het patroon van blootstelling aan de zon. (De Vries et al., 2006)
16 juni 2006
Huidkanker
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?
Incidentie melanoom in Nederland hoog vergeleken met andere Europese landen
De incidentie van melanomen is in Nederland tamelijk hoog in vergelijking met andere Europese landen (De Vries & Coebergh, 2005). Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen (zie figuur 1). Er is een duidelijke noord-zuidgradiënt te herkennen, met een hoge incidentie in de Noord-Europese landen en een lage in de Zuid-Europese (De Vries et al., 2003b).
Wereldwijd wordt de hoogste incidentie van melanoom gevonden onder de blanke bevolking van Australië en Nieuw-Zeeland (GLOBOCAN 2002). Verder is de incidentie van melanoom hoog in zuidelijke delen van de VS.
Verschillen in incidentie tussen Noord en Zuid-Europa nemen af
De verschillen in incidentie tussen Noord- en Zuid-Europa nemen af. Dit komt doordat de incidentie bij de jongere leeftijdsgroepen in Noord-Europa de afgelopen jaren is gestabiliseerd en soms zelfs afgenomen. In Zuid- en Oost-Europa neemt de incidentie en sterfte echter nog sterk toe. West-Europa lijkt de trend in de Scandinavische landen met enige vertraging te volgen (De Vries et al., 2003b).
Verschillen in acute overmatige blootstelling aan zon verklaren mogelijk noord-zuidgradiënt
Een mogelijke verklaring voor de hogere incidentie van huidkanker onder Noord- en West-Europeanen is dat zij door zonvakanties vaker acuut en met tussenpozen overmatig blootgesteld zijn aan de zon. Zo’n onregelmatige en acute overmatige blootstelling is een risicofactor voor het ontstaan van melanomen. Ook het gemiddeld lichtere huidtype van inwoners van Noord-Europese landen kan de hogere incidentiecijfers verklaren (De Vries et al., 2003b).
Figuur 1: Incidentie van melanoom in een aantal Europese landen in 1998; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking. Volgorde op basis van totaal (mannen en vrouwen samen) (EUCAN, 2003).
Sterfte
Sterfte aan melanoom in Nederland bovengemiddeld
De sterfte aan melanoom in Nederland is voor zowel mannen als vrouwen tamelijk hoog in vergelijking met andere landen. De sterfte aan andere huidtumoren lijkt beduidend lager dan in andere westerse landen. In de figuren 2 en 3 wordt sterfte aan melanomen en overige huidtumoren weergegeven in een aantal landen. De selectie van landen verschilt doordat niet alle internationale bronnen sterfte aan 'overige huidtumoren' registreren.
Sterfte is hoger in Noord-Europa
Net als bij de incidentie van melanoom is er bij de sterfte ook een duidelijke noord-zuidgradiënt. Er is hoge sterfte in Denemarken, Zweden en Noorwegen en lage sterfte in landen als Griekenland, Portugal en Spanje. De sterfte is ook hoger in enkele nieuwe lidstaten van de EU zoals Slovenië, Slowakije en Tsjechië (zie figuur 2). De sterfte aan melanomen is de afgelopen decennia gestegen. In Noord- en West-Europa stabiliseren de sterftetrends zich nu of is er sprake van een daling, in Zuid- en Oost-Europa is dat nog niet het geval (De Vries et al., 2003b;De Vries et al., 2004a).
Hogere sterfte door melanoom, lagere sterfte door plaveiselcel carcinoom
De toegenomen totale huidkankersterfte onder mensen die geboren zijn na 1920 in een aantal landen wordt grotendeels verklaard door sterfte aan melanomen. Omgekeerd is de afgenomen sterfte aan huidkanker onder oudere generaties in Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk deels te danken aan een lagere sterfte als gevolg van plaveiselcelcarcinomen. Deze vorm van huidkanker komt vooral bij ouderen voor en wordt geassocieerd met langdurige blootstelling aan UV straling. Dit kwam in het verleden vooral voor bij boeren en andere mensen met een buitenberoep (La Vecchia et al., 1998).
Figuur 2: EU- landen met hoogste en laagste sterfte aan melanoom in 2003; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking. Volgorde op basis van totaal (mannen en vrouwen samen) (Eurostat, 2006).
Figuur 3: Sterfte aan overige huidtumoren in een aantal landen in 1996; gestandaardiseerd naar de wereldbevolking (Bron: WHO Mortality Database).
Overleving
Overleving van huidkanker in Nederland redelijk goed
De overleving van huidkanker in Nederland is in vergelijking met de meeste andere Europese landen goed (Sant et al., 2003a). Volgens EUROCARE-3 is de relatieve 5-jaarsoverleving van melanoom voor patiënten die tussen 1990 en 1994 gediagnosticeerd werden voor Nederlandse vrouwen redelijk goed, circa 88% vergeleken met bijvoorbeeld 58% in Polen en rond de 65% in Malta en Slowakije. Voor Nederlandse mannen was de relatieve 5-jaarsoverleving ongeveer 79%. In Oostenrijk was dit 87% en in Slowakije 52%. Eind jaren negentig is de 5-jaarsoverleving voor Nederlandse vrouwen zelfs gestegen tot 90 (KWF, 2004b). Voor andere EU-landen zijn nog geen recentere cijfers beschikbaar.
Nederlandse overleving goed door ontdekking in vroeg stadium
De relatief goede 5-jaarsoverleving in Nederland kan verklaard worden door het feit dat Nederlanders vaak al in een vroeg stadium met verdachte plekjes naar de huisarts gaan. Een melanoom is dan nog vrij dun en kan verwijderd worden voordat er metastasen ontstaan. Mogelijk speelt hierbij de goede voorlichting over huidkanker een rol. Bij de Nederlandse bevolking zijn de risico's van zonnen en de kenmerken van huidkanker vrij goed bekend. In een aantal andere landen, met name in Oost- en Zuid-Europa is dit veel minder het geval. Melanomen zijn daar bij detectie vaak dikker en daarmee is de kans op overleving slechter (De Vries et al., 2004a).
Het verschil in overleving tussen Noord-Europese landen aan de ene kant en de Zuid- en Centraal-Europese aan de andere kant suggereert ook een verband tussen incidentie en overleving. Hoge incidentie kan wijzen op een hoger niveau van diagnostiek en vroegere diagnose. Lage incidentie daarentegen kan een gevolg zijn van een minder bewustzijn van de gevaren van huidkanker wat weer kan leiden tot tumoren die in een verder stadium zijn bij diagnose en dus een slechtere overleving hebben (Sant et al., 2003a).
Figuur 4: Relatieve 5-jaarsoverleving van melanoom in een aantal EU-landen of landenregio's. Volgorde op basis van totaal (mannen en vrouwen samen). De diagnose werd gesteld in de periode 1990-1994 (EUROCARE-3, 2003; Sant et al., 2003a).
16 juni 2006
Huidkanker
Omvang van het probleem
Prevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd en geslacht
Prevalentie van melanoom en overige huidkanker (per 1.000) op 1-1-2002
Gegevens over huidkanker worden vastgelegd in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR en in de registratie van de IKZ en IKA regio's. De manier van registreren én de methode van gegevensbewerking hebben invloed op de uiteindelijke schattingen van het vóórkomen van huidkanker. Daarom volgt hieronder een korte toelichting.
Prevalentie van huidkanker op basis van regionale registratie
Prevalentiecijfers over huidkanker zijn op landelijk niveau niet beschikbaar. Op grond van de kankerregistratie in de IKZ en IKA regio's kan wel een schatting gemaakt worden van de prevalentie van plaveiselcelcarcinoom en melanoom. De prevalentie heeft dan betrekking op alle personen die nog in leven zijn op 1-1-2002 en waarbij in de loop van 32 jaar (vanaf de start van de IKZ-registratie) de diagnose is gesteld(Coebergh et al., 2001a). In de prevalentie worden dan ook personen meegeteld die ooit huidkanker hadden maar intussen genezen zijn verklaard. Vaak zullen ze nog wel onder controle staan bij een arts. De ‘echte’ prevalentie kan dus enigszins, vooral bij plaveiselcelcarcinoom, overschat worden. Er worden geen prevalentiecijfers van basaalcelcarcinoom weergegeven omdat het basaalcarcinoom praktisch altijd curatief verwijderd wordt en dus bijna nooit ‘prevalent’ is.
Nederlandse Kanker Registratie belangrijke bron van incidentiecijfers
Incidentiecijfers zijn afkomstig van de Nederlandse Kanker Registratie (NKR). Gegevens over het voorkomen van basaalcelcarcinomen worden niet in de NKR opgenomen. De reden is dat de behandeling vaak buiten een ziekenhuis plaatsvindt, door perifeer werkende dermatologen, waardoor de registratie onvolledig is. Daarom zijn incidentiecijfers van basaalcelcarcinomen van de kankerregistratie in de IKZ-regio gebruikt (gemiddelde over 1993-2003), waar in een deel van de regio wel een complete registratie van basaalcelcarcinomen bestaat (Coebergh et al., 2001a; De Vries et al., 2004c). In de registraties van de IKZ, IKA en NKR worden recidieven van primaire tumoren en tweede en volgende huidtumoren niet opgenomen. Achtereenvolgende huidtumoren van verschillend type worden wel apart geregistreerd. Alle cijfers betreffen invasieve tumoren, met uitzondering van de basaalcelcarcinomen, die per definitie bijna nooit invasief zijn.
Armstrong BK, Kricker A.
The epidemiology of UV induced skin cancer.
J Photochem Photobiol B, 2001; 63(1-3): 8-18.
Balch CM, Soong SJ, Shaw HM, Urist MM.
An analysis of prognostic factors in 8,500 patients with cutaneous melanoma. In: Balch CM, Milton GW (eds.). Cutaneous Melanoma.
Philadelphia: JB Lippincott Company, 1992: 165-187.
Breslow A.
Thickness, cross-sectional areas, and depth of invasion in the prognosis of cutaneous melanoma.
Ann Surg 1970; 172: 902-908.
CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.
Gezondheid en zorg in cijfers 2005.
Voorburg/Heerlen: CBS, 2005.
Chin L.
The genetics of malignant melanoma: lessons from mouse and man.
Nat Rev Cancer, 2003; 3(8): 559-70.
Coebergh JWW, Vries E de.
Trends of cancer in the Netherlands. In: Dijck JAAM van, Coebergh JWW, Siesling S, Visser O (eds). VIKC 2002.
Utrecht: VIKC, 2002: 27-30.
Coebergh JWW, Janssen-Heijnen MLG, Louwman MJ, Voogd AC (eds.).
Cancer incidence and survival in the South of the Netherlands, 1955-1999 & incidence in the North of Belgium, 1996-1998.
Eindhoven: Comprehensive Cancer Centre South (IKZ), 2001a.
Curtin JA, Fridlyand J, Kageshita T, Patel HN, Busam KJ, Kutzner H, et al.
Distinct sets of genetic alterations in melanoma.
N Engl J Med, 2005; 353(20): 2135-2147.
Evans RD, Kopf AW, Lew RA, Rigel DS, Bart RS, Friedman RJ, et al.
Risk factors for the development of malignant melanoma-I: review of case-control studies.
J Dermatol Surg Oncol, 1988a; 14: 393-408.
IKZ, Integraal Kankercentrum Zuid.
Van meten naar weten; 50 jaar kankerregistratie.
Eindhoven: IKZ, 2005.
Karagas MR, Nelson HH, Sehr P, Waterboer T, Stukel TA, Andrew A.
Human papillomavirus infection and incidence of squamous cell and basal cell carcinomas of the skin.
J Natl Cancer Inst, 2006; 98(6): 389-395.
Karjalainen S, Hakulinen T.
Survival and prognostic factors of patients with skin melanoma.
Cancer 1988; 62: 2274-2280.
Krekels G.
Basal Cell Carcinoma, a disease on the increase. Implications for treatment and prevention.
Maastricht: Universiteit Maastricht, 1998.
La Vecchia C, Negri E, Levi F, Decarli A, Boyle P.
Cancer mortality in Europe: effects of age, cohort of birth and period of death.
Eur J Cancer 1998; 34(1): 118-41.
LMR, Landelijke Medische Registratie.
Prismant, bewerkt door RIVM-cVTV,
2005.
MacKie RM.
Incidence, risk factors and prevention of melanoma.
Eur J Cancer, 1998; 34 Suppl 3: s3-s6.
Marks R.
Epidemiology of melanoma. 2000; 25(6): 459-463.
Clin Exp Dermatol, 2000; 25(6): 459-463.
Menko F, Veer L van't.
Erfelijke aanleg voor kanker. In: Leschot N, Brunner H, editors. Klinische Genetica in de praktijk.
Maarssen: Elsevier/Bunge, 1998.
MNP, Milieu- en natuurcompendium.
Aantasting van de ozonlaag: Oorzaken en effecten. Laatst gewijzigd op 22 februari 2005.
Bilthoven, 2006b.
Nelemans PJ, Kiemeney LA, Rampen FH, Straatman H, Verbeek AL.
Trends in mortality from malignant cutaneous melanoma in The Netherlands, 1950-1988.
Eur J Cancer 1992; 1: 107-11.
Noonan FP, Recio JA, Takayama H, Duray P, Anver MR, Rush WL, et al.
Neonatal sunburn and melanoma in mice.
Nature, 2001; 413(6853): 271-272.
Rosenberg SA, Packard BS, Aebersold PM, et al.
Use of tumor-infiltrating lymphocytes and interleukin-2 in the immunotherapy of patients with metastatic melanoma.
N Engl J Med 1988; 319: 1676-70.
Rubin AI, Chen EH, Ratner D.
Rubin AI, Chen EH, Ratner D. Basal-cell carcinoma.
N Engl J Med, 2005; 353(21): 2262-2269.
Sant M, Aareleid T, Berrino F, Bielska Lasota M, Carli PM, Faivre J, et al.
EUROCARE-3: survival of cancer patients diagnosed 1990-94. Results and commentary.
Ann Oncol, 2003a; 14(Suppl 5): v61-118.
Shamanin V, Hausen H zur, Lavergne D, Proby CM, Leigh IM, Neumann C.
Human papillomavirus infections in nonmelanoma skin cancers from renal transplant recipients and nonimmunosuppressed patients.
J Natl Cancer Inst 1996; 88: 802-11.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding.
Kanker in Nederland; Trends, prognoses en implicaties voor zorgvraag.
Amsterdam: KWF Kankerbestrijding, 2004b.
Slaper H, Velders GJM, Daniel JS, Gruijl FR de, Leun JC van der.
Estimates of ozone depletion and skin cancer incidence to examine the Vienna Convention achievements.
Nature, 1996; 384(6606): 256-8.
Struijk L, Schegget J ter, Bouwes Bavinck JN, Feltkamp MC.
Human papillomavirus in the aetiology of skin cancer.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2005; 149(10): 518-22.
Tersmette AC, Coebergh JWW, Casparie- van Velsen IJA, Ruiter DJ, Rhee van der HJ, Welvaart K.
Invasive cutaneous melanoma in The Netherlands.
Eur J Canc Prev 1996; 5: 69-74.
Tsai KY, Tsao H.
The genetics of skin cancer.
Am J Med Genet C Semin Med Genet, 2004; 131C(1): 82-92.
Vries de E, Rhee van der H, Coebergh JWW.
Trends, oorzaken, aanpak en gevolgen van de huidkankerepidemie in Nederland en Europa.
Ned Tijdschr Geneeskunde, 2006; 150(20): 1108-1115.
Vries E de, Boniol M, Dore JF, Coebergh JW.
Lower incidence rates but thicker melanomas in Eastern Europe before 1992: a comparison with Western Europe.
Eur J Cancer, 2004a; 40(7): 1045-1052.
Vries E de, Bray FI, Coebergh JW, Parkin DM.
Changing epidemiology of malignant cutaneous melanoma in Europe 1953-1997: rising trends in incidence and mortality but recent stabilizations in western Europe and decreases in Scandinavia.
Int J Cancer, 2003b; 107(1): 119-126.
Vries E de, Louwman M, Bastiaens M, Gruijl FR de, Coebergh JW.
Rapid and continuous increases in incidence rates of basal cell carcinoma in the southeast Netherlands since 1973.
J Invest Dermatol, 2004c; 123(4): 634-638.
Vries E de, Poll-Franse van de, Gruijl FR de, Coebergh JW.
Predictions of skin cancer incidence in the Netherlands up to 2015.
Br J Dermatol, 2005d; 152(3): 481-8.
Vries E de, Rhee H van der, Coebergh JW.
Trends, oorzaken, aanpak en gevolgen van de huidkankerepidemie in Nederland en Europa.
Ned Tijdschrift Geneeskunde, 2006; in press.
Vries E de, Schouten LJ, Visser O, Eggermont AMM, Coebergh JWW.
Rising trends in the incidence of and mortality from cutaneous melanoma in the Netherlands: a Northwest to Southeast gradient?
Eur J Cancer, 2003a; 39 (10): 1439-1446
Zur Hausen HH.
Oncogenic DNA viruses.
Oncogene, 2001; 20(54): 7820-7823.
Gegevensbronnen
CBS Doodsoorzakenstatistiek.Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
CBS StatLine.De elektronische databank van het CBS. Bevat statistische informatie over vele maatschappelijke en economische onderwerpen in de vorm van tabellen en grafieken.
EUCAN.European network of Cancer Registries (IARC)
EUROCARE.EUROCARE (IARC)
Eurostat.Statistische Database van de Europese Unie
GLOBOCAN 2002.Cancer Incidence, Mortality and Prevalence Worldwide. IARC CancerBase No. 5, version 2.0.
IKA.Kankerregistratie IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland).
IKZ.Kankerregistratie IKZ-regio (Noord-Brabant en Noord-Limburg).
LMR.Landelijke Medische Registratie (Prismant).
NKR.Nederlandse Kanker Registratie (VIKC).
Literatuur
Armstrong BK, Kricker A.
The epidemiology of UV induced skin cancer.
J Photochem Photobiol B, 2001; 63(1-3): 8-18.
Balch CM, Soong SJ, Shaw HM, Urist MM.
An analysis of prognostic factors in 8,500 patients with cutaneous melanoma. In: Balch CM, Milton GW (eds.). Cutaneous Melanoma.
Philadelphia: JB Lippincott Company, 1992: 165-187.
Breslow A.
Thickness, cross-sectional areas, and depth of invasion in the prognosis of cutaneous melanoma.
Ann Surg 1970; 172: 902-908.
CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.
Gezondheid en zorg in cijfers 2005.
Voorburg/Heerlen: CBS, 2005.
Chin L.
The genetics of malignant melanoma: lessons from mouse and man.
Nat Rev Cancer, 2003; 3(8): 559-70.
Coebergh JWW, Vries E de.
Trends of cancer in the Netherlands. In: Dijck JAAM van, Coebergh JWW, Siesling S, Visser O (eds). VIKC 2002.
Utrecht: VIKC, 2002: 27-30.
Coebergh JWW, Janssen-Heijnen MLG, Louwman MJ, Voogd AC (eds.).
Cancer incidence and survival in the South of the Netherlands, 1955-1999 & incidence in the North of Belgium, 1996-1998.
Eindhoven: Comprehensive Cancer Centre South (IKZ), 2001a.
Curtin JA, Fridlyand J, Kageshita T, Patel HN, Busam KJ, Kutzner H, et al.
Distinct sets of genetic alterations in melanoma.
N Engl J Med, 2005; 353(20): 2135-2147.
Evans RD, Kopf AW, Lew RA, Rigel DS, Bart RS, Friedman RJ, et al.
Risk factors for the development of malignant melanoma-I: review of case-control studies.
J Dermatol Surg Oncol, 1988a; 14: 393-408.
IKZ, Integraal Kankercentrum Zuid.
Van meten naar weten; 50 jaar kankerregistratie.
Eindhoven: IKZ, 2005.
Karagas MR, Nelson HH, Sehr P, Waterboer T, Stukel TA, Andrew A.
Human papillomavirus infection and incidence of squamous cell and basal cell carcinomas of the skin.
J Natl Cancer Inst, 2006; 98(6): 389-395.
Karjalainen S, Hakulinen T.
Survival and prognostic factors of patients with skin melanoma.
Cancer 1988; 62: 2274-2280.
Krekels G.
Basal Cell Carcinoma, a disease on the increase. Implications for treatment and prevention.
Maastricht: Universiteit Maastricht, 1998.
La Vecchia C, Negri E, Levi F, Decarli A, Boyle P.
Cancer mortality in Europe: effects of age, cohort of birth and period of death.
Eur J Cancer 1998; 34(1): 118-41.
LMR, Landelijke Medische Registratie.
Prismant, bewerkt door RIVM-cVTV,
2005.
MacKie RM.
Incidence, risk factors and prevention of melanoma.
Eur J Cancer, 1998; 34 Suppl 3: s3-s6.
Marks R.
Epidemiology of melanoma. 2000; 25(6): 459-463.
Clin Exp Dermatol, 2000; 25(6): 459-463.
Menko F, Veer L van't.
Erfelijke aanleg voor kanker. In: Leschot N, Brunner H, editors. Klinische Genetica in de praktijk.
Maarssen: Elsevier/Bunge, 1998.
MNP, Milieu- en natuurcompendium.
Aantasting van de ozonlaag: Oorzaken en effecten. Laatst gewijzigd op 22 februari 2005.
Bilthoven, 2006b.
Nelemans PJ, Kiemeney LA, Rampen FH, Straatman H, Verbeek AL.
Trends in mortality from malignant cutaneous melanoma in The Netherlands, 1950-1988.
Eur J Cancer 1992; 1: 107-11.
Noonan FP, Recio JA, Takayama H, Duray P, Anver MR, Rush WL, et al.
Neonatal sunburn and melanoma in mice.
Nature, 2001; 413(6853): 271-272.
Rosenberg SA, Packard BS, Aebersold PM, et al.
Use of tumor-infiltrating lymphocytes and interleukin-2 in the immunotherapy of patients with metastatic melanoma.
N Engl J Med 1988; 319: 1676-70.
Rubin AI, Chen EH, Ratner D.
Rubin AI, Chen EH, Ratner D. Basal-cell carcinoma.
N Engl J Med, 2005; 353(21): 2262-2269.
Sant M, Aareleid T, Berrino F, Bielska Lasota M, Carli PM, Faivre J, et al.
EUROCARE-3: survival of cancer patients diagnosed 1990-94. Results and commentary.
Ann Oncol, 2003a; 14(Suppl 5): v61-118.
Shamanin V, Hausen H zur, Lavergne D, Proby CM, Leigh IM, Neumann C.
Human papillomavirus infections in nonmelanoma skin cancers from renal transplant recipients and nonimmunosuppressed patients.
J Natl Cancer Inst 1996; 88: 802-11.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding.
Kanker in Nederland; Trends, prognoses en implicaties voor zorgvraag.
Amsterdam: KWF Kankerbestrijding, 2004b.
Slaper H, Velders GJM, Daniel JS, Gruijl FR de, Leun JC van der.
Estimates of ozone depletion and skin cancer incidence to examine the Vienna Convention achievements.
Nature, 1996; 384(6606): 256-8.
Struijk L, Schegget J ter, Bouwes Bavinck JN, Feltkamp MC.
Human papillomavirus in the aetiology of skin cancer.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2005; 149(10): 518-22.
Tersmette AC, Coebergh JWW, Casparie- van Velsen IJA, Ruiter DJ, Rhee van der HJ, Welvaart K.
Invasive cutaneous melanoma in The Netherlands.
Eur J Canc Prev 1996; 5: 69-74.
Tsai KY, Tsao H.
The genetics of skin cancer.
Am J Med Genet C Semin Med Genet, 2004; 131C(1): 82-92.
Vries de E, Rhee van der H, Coebergh JWW.
Trends, oorzaken, aanpak en gevolgen van de huidkankerepidemie in Nederland en Europa.
Ned Tijdschr Geneeskunde, 2006; 150(20): 1108-1115.
Vries E de, Boniol M, Dore JF, Coebergh JW.
Lower incidence rates but thicker melanomas in Eastern Europe before 1992: a comparison with Western Europe.
Eur J Cancer, 2004a; 40(7): 1045-1052.
Vries E de, Bray FI, Coebergh JW, Parkin DM.
Changing epidemiology of malignant cutaneous melanoma in Europe 1953-1997: rising trends in incidence and mortality but recent stabilizations in western Europe and decreases in Scandinavia.
Int J Cancer, 2003b; 107(1): 119-126.
Vries E de, Louwman M, Bastiaens M, Gruijl FR de, Coebergh JW.
Rapid and continuous increases in incidence rates of basal cell carcinoma in the southeast Netherlands since 1973.
J Invest Dermatol, 2004c; 123(4): 634-638.
Vries E de, Poll-Franse van de, Gruijl FR de, Coebergh JW.
Predictions of skin cancer incidence in the Netherlands up to 2015.
Br J Dermatol, 2005d; 152(3): 481-8.
Vries E de, Rhee H van der, Coebergh JW.
Trends, oorzaken, aanpak en gevolgen van de huidkankerepidemie in Nederland en Europa.
Ned Tijdschrift Geneeskunde, 2006; in press.
Vries E de, Schouten LJ, Visser O, Eggermont AMM, Coebergh JWW.
Rising trends in the incidence of and mortality from cutaneous melanoma in the Netherlands: a Northwest to Southeast gradient?
Eur J Cancer, 2003a; 39 (10): 1439-1446
Zur Hausen HH.
Oncogenic DNA viruses.
Oncogene, 2001; 20(54): 7820-7823.
Gegevensbronnen
CBS Doodsoorzakenstatistiek.Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
CBS StatLine.De elektronische databank van het CBS. Bevat statistische informatie over vele maatschappelijke en economische onderwerpen in de vorm van tabellen en grafieken.
EUCAN.European network of Cancer Registries (IARC)
EUROCARE.EUROCARE (IARC)
Eurostat.Statistische Database van de Europese Unie
GLOBOCAN 2002.Cancer Incidence, Mortality and Prevalence Worldwide. IARC CancerBase No. 5, version 2.0.
IKA.Kankerregistratie IKA-regio (Noord-Holland en Flevoland).
IKZ.Kankerregistratie IKZ-regio (Noord-Brabant en Noord-Limburg).