Overgewicht hangt samen met tal van gezondheidsproblemen
Overgewicht en met name ernstig overgewicht (obesitas) hangen samen met tal van chronische aandoeningen. Dit betreft vooral diabetes mellitus type 2, maar ook hart- en vaatziekten, een aantal soorten kanker en aandoeningen aan galblaas, bewegingsstelsel en ademhalingsorganen. Overgewicht bij kinderen heeft grote gezondheidsgevolgen; ze hebben een verhoogde kans om ook op latere leeftijd (ernstig) overgewicht te hebben en ze hebben een verhoogd risico op diabetes. Ook hebben ze vaak te maken met stigmatisering en lopen daardoor meer kans op psychosociale problemen als eenzaamheid, verdriet en gespannenheid.
Ongeveer de helft van de volwassenen heeft overgewicht
Ongeveer de helft van alle Nederlandse volwassenen heeft overgewicht: 51% van de mannen en 40% van de vrouwen van twintig jaar en ouder. Bij 10% van de mannen en 12% van de vrouwen is sprake van ernstig overgewicht. Overgewicht komt vaker voor onder niet-westerse allochtonen dan onder autochtonen. Ernstig overgewicht komt vaker voor bij mensen met lager onderwijs dan bij mensen met hoger beroepsonderwijs of een universitaire opleiding.
In de periode 1981-2007 is het percentage mensen met ernstig overgewicht in Nederland sterk toegenomen. Een stijging in het vóórkomen van ernstig overgewicht is te zien bij alle leeftijdscategorieën en binnen alle opleidingsniveaus. Ook bij kinderen vanaf 4 jaar is een sterke toename van (ernstig) overgewicht te zien. Vanaf het jaar 2000 lijkt de toename in het percentage volwassenen met overgewicht (matig dan wel ernstig) iets te zijn gestabiliseerd.
In Nederland relatief minder mensen met ernstig overgewicht dan in andere EU-landen
Vergeleken met andere EU-landen hebben relatief weinig Nederlanders ernstig overgewicht. Voor matig overgewicht neemt Nederland een middenpositie in. In alle Europese landen komt overgewicht meer voor bij mannen dan bij vrouwen. Ernstig overgewicht komt in de meeste landen (waaronder Nederland) echter vaker voor bij vrouwen. Vooral het percentage ernstig overgewicht neemt in veel landen sterk toe. Het probleem van overgewicht bij kinderen is met name in Zuid-Europese landen groter dan in Nederland.
Percentage mensen met overgewicht zal verder toenemen
Wanneer de trend zich op dezelfde manier voortzet, zal het percentage volwassenen met ernstig overgewicht (obesitas) de komende twintig jaar met de helft toenemen. De stijging in ernstig overgewicht bij kinderen tussen 1997 en 2004 is sterker dan de stijging tussen 1980 en 1997. Ook de omgeving blijft zodanig veranderen dat het steeds eenvoudiger wordt om te kiezen voor een hogere energie-inname en een lager energiegebruik.
Ongeveer 2% van de volwassenen heeft ondergewicht
In 2007 had ongeveer 2% van de volwassenen ondergewicht. En in 1997 had 13% van de jongens en 12% van de meisjes van 2 tot 6 jaar ondergewicht en respectievelijk 3,6% en 3,3% ernstig ondergewicht. Het percentage kinderen met ernstig ondergewicht steeg tussen 1980 en 1997 van 1,5 naar 3,6% bij jongens en van 2,9 naar 3,3% bij meisjes.
Het lichaam van iemand met ondergewicht heeft moeite om goed te functioneren. Na het opmaken van de vetreserves kunnen ook andere weefsels en organen aangetast worden, zoals spieren, lever, nieren, hart en zenuwstelsel. Hierdoor ontstaan diverse lichamelijke klachten. Bij zeer ernstig ondergewicht kunnen sommige lichamelijke klachten, zoals een ernstige hartritmestoornis, leiden tot de dood.
Verhouding tussen gewicht en lengte bepaalt onder- en overgewicht
Iemand heeft over- of ondergewicht wanneer hij te zwaar of te licht is voor zijn lengte. Door het gewicht van iemand (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meters) kunnen we de 'Body Mass Index' (BMI) berekenen (ook wel Quetelet Index genoemd). De BMI wordt uitgedrukt in kg/m2 en is een internationaal erkende maat voor de verhouding tussen gewicht en lengte. De BMI-waarde geeft aan of iemand een gezond gewicht heeft dan wel een onder- of overgewicht. Voor overgewicht is er consensus over de grenswaarden, maar voor ondergewicht ontbreekt een eenduidige grenswaarde. In het Kompas is uitgegaan van de BMI-waarde van 18,5: deze grenswaarde geniet internationaal gezien de meeste navolging als definitie van ondergewicht, maar kan wel leiden tot relatief hoge percentages mensen met ondergewicht. Voor volwassenen gelden de volgende categorieën van BMI-waarden:
minder dan 18,5: ondergewicht
minder dan 17,5: ernstig ondergewicht
17,5 tot 18,5: matig ondergewicht
18,5 tot 25: gezond gewicht
25 of meer: overgewicht
25 tot 30: matig overgewicht
30 of meer: ernstig overgewicht ofwel obesitas
Voor jongeren gelden aangepaste grenswaarden van de BMI
Voor het vaststellen van (ernstig) overgewicht en (ernstig) ondergewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000, Van den Hurk et al., 2006). De grenswaarden voor ondergewicht zijn door TNO-PG afgeleid volgens dezelfde methode als die van Cole en collega's; deze waarden zijn alleen van toepassing op autochtone Nederlandse kinderen (Van Buuren, 2004).
Bij ouderen is buikomvang bruikbare mate voor vaststellen overgewicht
Vooral bij ouderen van zeventig jaar en ouder is de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren, vanwege verandering van lichaamslengte en lichaamssamenstelling. De buikomvang is dan een meer bruikbare methode om overgewicht vast te stellen (zie hieronder: 'Verdeling lichaamsvet').
Verdeling lichaamsvet
Vetophoping op buik is ongezonder dan op heup en dijen
Vetophoping bij de buik ('appelvorm') brengt over het algemeen meer gezondheidsrisico's met zich mee dan wanneer het vet met name op de heup en dijen zit ('peervorm'). Voor het vaststellen van de gezondheidsrisico's van overgewicht gebruikt men dan ook wel eens de buikomvang in plaats van de BMI. Dit is vooral zinvol bij ouderen van zeventig jaar en ouder. Bij hen is, vanwege verandering van lengte en lichaamssamenstelling, de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren. Bij deze leeftijdsgroep verandert namelijk de vetverdeling over het lichaam: de hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt af en de hoeveelheid vet bij de buik neemt toe.
Hoe wordt de buikomvang gemeten en wat zijn de grenswaarden?
De buikomvang (of 'middelomtrek') wordt gemeten midden tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Bij een buikomvang van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik.
Vooral ernstig overgewicht hangt samen met tal van ziekten
Overgewicht (BMI van 25 of meer) en in het bijzonder ernstig overgewicht (obesitas: BMI van 30 of meer) hangen samen met tal van chronische aandoeningen (zie tabel 1). Dit betreft met name diabetes mellitus type 2. Gewichtsverlies bij mensen met ernstig overgewicht verlaagt de kans op het ontstaan van diabetes mellitus type 2.
Overgewicht kan leiden tot beperkingen en arbeidsongeschiktheid
Behalve met ziekten hangt (ernstig) overgewicht ook vaak samen met lichamelijke beperkingen, een slechtere kwaliteit van leven (Han et al., 1998) en arbeidsongeschiktheid (Rissanen et al., 1990).
Zonder ernstig overgewicht minder diabetes, infarcten en beroertes
Wanneer niemand meer ernstig overgewicht zou hebben, zou diabetes mellitus type 2 bij mannen 53% minder voorkomen en bij vrouwen 26% minder. Hartinfarcten zouden in dat geval 17% minder vóórkomen bij mannen en 4% minder bij vrouwen. Beroerte zou bij afwezigheid van ernstig overgewicht 3% minder vaak voorkomen bij zowel vrouwen als mannen (Gezondheidsraad, 2003a).
Mensen met (ernstig) overgewicht hebben vaker bepaalde vormen van kanker
Bepaalde vormen van kanker komen vaker voor bij mensen met (ernstig) overgewicht dan bij mensen met een normaal gewicht. Het betreft hormoongerelateerde vormen van kanker, zoals borst-, eierstokken- en baarmoederkanker en prostaatkanker, en kanker aan spijsverteringsorganen, zoals darmen (vooral mannen), slokdarm, alvleesklier, galblaas (vooral vrouwen) en nieren. Het risicoverhogende effect van overgewicht op borstkanker is alleen gevonden bij vrouwen na de menopauze (KWF, 2004).
Voor artrose is ernstig overgewicht de belangrijkste risicofactor
(Ernstig) overgewicht is de belangrijkste te beïnvloeden risicofactor voor artrose in het knie- en heupgewricht. Het grote gewicht op de gewrichten kan tot schade aan het kraakbeen leiden. Ook zijn er sterke aanwijzingen dat (ernstig) overgewicht samenhangt met andere aandoeningen aan het bewegingsstelsel, zoals jicht en rugklachten. Voor mensen met klachten aan het bewegingsstelsel hangt (ernstig) overgewicht bovendien samen met het erger worden van de symptomen en (de mate van) het optreden van lichamelijke beperkingen (Visscher et al., 2003).
Tabel 1: Ziekten en aandoeningen waarvoor (ernstig) overgewicht een risicofactor vormt.
Overgewicht bij kinderen heeft grote gezondheidsgevolgen
Wanneer iemand al vanaf jonge leeftijd overgewicht heeft, zijn de gezondheidsgevolgen op latere leeftijd groot. Niet alleen bij volwassenen maar ook bij kinderen met ernstig overgewicht worden meer risicofactoren gevonden voor hart- en vaatziekten, verstoorde glucosetolerantie en (in de Verenigde Staten) diabetes mellitus type 2. Daarnaast hebben kinderen met overgewicht vaak ook nog overgewicht op latere leeftijd, en daarmee samenhangend een verhoogd risico op diabetes mellitus type 2 (Kemper et al., 1999). Verder zijn er aanwijzingen gevonden dat de duur van overgewicht een extra risico betekent voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van diabetes mellitus type 2. Dit zou duiden op een nog eens extra verhoogd risico op deze ziekte bij kinderen met overgewicht. Kinderen met (ernstig) overgewicht hebben bovendien vaak te maken met stigmatisering. Hierdoor hebben deze kinderen in de vroege adolescentie meer kans op een lagere zelfwaardering en daarmee samenhangende psychosociale problemen, zoals eenzaamheid, verdriet en gespannenheid (Strauss, 2000).
Gezondheidsverlies door overgewicht
Jaarlijks 40.000 ziektegevallen en 7% van sterfgevallen te wijten aan overgewicht
In Nederland zijn jaarlijks circa 40.000 gevallen van hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type 2 en kanker en circa 7.000 sterfgevallen te wijten aan overgewicht. Naar verwachting geldt voor alle 40-jarige Nederlanders dat overgewicht een verlies in levensverwachting oplevert van 0,8 levensjaren (Verschuren et al., 2004). Het is overigens niet bekend welk deel van deze ziektelast aan voeding kan worden toegerekend en welk deel aan bewegen en andere oorzaken van overgewicht. Op de langere termijn zal bovendien het terugdringen van overgewicht tot een minder grote winst in mortaliteit en levensverwachting leiden, omdat mensen door andere oorzaken zullen overlijden; dit fenomeen staat bekend als vervangende sterfte.
Door overgewicht niet alleen minder levensjaren, maar ook meer jaren in ongezondheid
Overgewicht gaat behalve met een verlies in levensjaren (kortere levensduur) ook gepaard met meer ongezonde levensjaren. Dit blijkt uit een studie waarin de ongezonde levensjaren gedefinieerd zijn als het lijden aan hart- en vaatziekten, het gebruik van medicijnen voor (een) chronische ziekte(n) en/of arbeidsongeschiktheid (Visscher et al., 2004).
Gezondheidsverlies door overgewicht en ongezond eten vergelijkbaar met dat van roken
Het gezondheidsverlies door overgewicht en ongezonde voeding samen is vergelijkbaar met het gezondheidsverlies door roken. Dit blijkt uit een onderlinge vergelijking van de gezondheidseffecten van meerdere leefstijlfactoren. Om zo’n vergelijking mogelijk te maken wordt het gezondheidsverlies uitgedrukt in DALY's, een maat die de effecten op ziekte en sterfte samenneemt en onderling weegt. Naar schatting bedraagt het jaarlijkse verlies door overgewicht 215.000 DALY's. Het verlies door overgewicht en het verlies door de vijf belangrijkste voedingsfactoren samen (verzadigde vetzuren en transvetzuren, vis, groente, fruit) bedraagt tussen de 300.000 en 400.000 DALY's. Dit is vergelijkbaar met het gezondheidsverlies door roken van 350.000 DALY's. In vergelijking tot andere persoonskenmerken is voor ernstig overgewicht de bijdrage aan de totale ziektelast relatief hoog.
Terugdringen ernstig overgewicht beperkt zowel gezondheidsverlies als kosten
Het terugdringen van ernstig overgewicht is behalve voor het beperken van gezondheidsverlies ook van groot belang vanuit maatschappelijk en economisch oogpunt. Het terugdringen van het aantal ongezonde levensjaren (doorgebracht met ziekte en beperkingen) beperkt immers ook de maatschappelijke kosten (zoals de kosten door arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim) en kosten in de gezondheidszorg ten gevolge van overgewicht (Visscher & Seidell, 2001) (Visscher et al., 2004).
Ondergewicht
Door ondergewicht raakt het lichamelijk functioneren verstoord
Bij mensen met ondergewicht heeft het lichaam moeite om goed te functioneren. De conditie gaat achteruit (lichamelijk, maar ook geestelijk), men kan snel duizelig worden en het haar valt meer uit dan normaal. Het lichaam maakt allereerst de vetreserves op, met vermagering als gevolg. Wanneer iemand geen vetreserves meer heeft, kunnen ook andere weefsels worden aangetast zoals spieren, lever, nieren, hart en zenuwweefsel. Hierdoor ontstaan diverse lichamelijke klachten (zie hiernaast). Bij zeer ernstig ondergewicht worden op den duur alle organen aangetast en kunnen sommige lichamelijke klachten - zoals een ernstige verstoring van het hartritme - leiden tot de dood (Johnson et al., 2002).
Bij ondergewicht vergelijkbare klachten als bij anorexia nervosa
De lichamelijke klachten van iemand met ondergewicht zijn vergelijkbaar met de lichamelijke klachten van iemand die ondervoed is geraakt door anorexia nervosa (Tenwolde, 2002; Van Rijn, 1998; Sharp & Freeman, 1993). De belangrijkste lichamelijke klachten zijn:
algehele uitputting en lage lichaamstemperatuur
problemen met hart en bloedvaten (zoals verlaagde bloeddruk, vertraagde hartslag en hartritmestoornissen)
botontkalking (osteoporose)
maag- en darmklachten
hormoonafwijkingen (o.a. wegblijven menstruatie)
verminderde schildklierwerking en verminderde stofwisseling
22 september 2008
Lichaamsgewicht
De determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken
Wat zijn de mogelijke oorzaken van overgewicht en ondergewicht?
Het is moeilijk dan wel bijna onmogelijk om enkelvoudige oorzaken van de gewichtstoename aan te wijzen. Voor de factoren die een relatief grote bijdrage leveren aan de gewichtstoename volgt hierna een beschrijving en geeft tabel 1 een opsomming.
Balans tussen voeding en bewegen bepaalt het gewicht
Gewichtsstijging ontstaat wanneer de energie-inname (via de voeding) hoger is dan het energiegebruik (door lichamelijke activiteit); dit kan vervolgens leiden tot overgewicht. Een geringe energiedisbalans kan het lichaamsgewicht al behoorlijk veranderen.
In combinatie met onvoldoende beweging kunnen diverse voedingskenmerken een energiedisbalans veroorzaken. Zo is de kans op een energie-inname die hoger is dan het energiegebruik groter bij een vetrijke voeding dan bij een vetarme vezelrijke voeding. Onvoldoende inname van voedingsvezels is een belangrijke oorzaak van overgewicht, een beschermend effect van vezelsupplementen is echter niet consistent aangetoond. Al is voor de verschillende typen koolhydraten het effect op de regulering van de energiebalans nog niet geheel opgehelderd, suikers worden wel beschouwd als duidelijke oorzaak van gewichtsstijging. Ook een aantal andere kenmerken van de voeding beïnvloeden de energie-inname, zoals energiedichtheid van de voeding, portiegrootte van aangeboden voedsel en maaltijdfrequentie (vooral snackgedrag) (Gezondheidsraad, 2003a) (WHO, 2003e). Deze voedingskenmerken worden mede door de omgeving bepaald.
Genetische factoren spelen een rol bij (ernstig) overgewicht
Genetische factoren kunnen een rol spelen bij het ontstaan van overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas), maar in welke mate is nog niet precies bekend. Aangenomen wordt dat (nog veelal onbekende) genetische factoren in combinatie met elkaar en in combinatie met leefstijlfactoren (bijvoorbeeld hoge vetinname of lichamelijke inactiviteit) tot gewichtstoename kunnen leiden (Newell et al., 2007). Zo kunnen zij een rol spelen bij de vorming van vetweefsel en bij het reguleren van het honger- en verzadigingsgevoel. Uit familiestudies (waaronder adoptie- en tweelingstudies) blijkt dat ongeveer 30% tot 70% van de verschillen in lichaamsgewicht tussen personen erfelijk bepaald is. Bij 10% van de mensen die op zeer jonge leeftijd extreem overgewicht hebben is sprake van een zeldzame mutatie in één gen. Voor de minder extreme vormen van obesitas is hooguit 2,5% toe te schrijven aan een mutatie in één gen (monogenetisch). Bijna al deze mutaties zitten in genen die een rol spelen bij de voedselinname, waarvan de meesten in het melanocortin-4-receptor (MC4R) gen. De bijdragen van deze (zeldzame) mutaties aan de totale prevalentie van overgewicht op populatieniveau is gering (Van den Berg et al., 2007). Uit vele associatiestudies met talloze kandidaatgenen is gebleken dat variaties in slechts drie genen, te weten MC4R, PCSK1 en PPARG, overtuigend (reproduceerbaar) het risico op obesitas beïnvloeden (Rankinen et al., 2006; Loos et al., 2008; Benzinou et al., 2008; Tönjes et al., 2006). Vervolgens is in genoombrede studies (GWAS) het FTO gen ontdekt. Variaties in dit gen blijken, zowel bij kinderen als volwassenen sterk samen te hangen met lichaamsgewicht. Deze variaties verklaren mogelijk 10% van de gevallen met overgewicht en 20% van de gevallen met obesitas (Frayling et al., 2007). PPARG speelt een rol bij de vorming van vetweefsel en MC4R reguleert het honger- en verzadigingsgevoel in de hersenen. Hoe FTO en PCSK1 het risico op obesitas beïnvloeden is op dit moment nog niet duidelijk.
Borstvoeding mogelijk van invloed
Kinderen die zes maanden gevoed zijn met borstvoeding hebben minder kans op het krijgen van overgewicht op 3- tot 10-jarige leeftijd (Arenz et al., 2004). Het is nog niet duidelijk of dit effect (uitsluitend) aan borstvoeding is toe te schrijven of dat (ook) andere achterliggende factoren hierbij een rol spelen.
Tabel 1: Factoren die samenhangen met overgewicht (WHO, 2003e).
* Dit betreft voeding met een hoog percentage vet en/of suiker.
Obesogene omgeving verleidt tot inactiviteit en ongezond eten
Een omgeving waarin relatief gemakkelijk gekozen wordt voor een grote energie-inname of een beperkte hoeveelheid lichamelijke activiteit, wordt ook wel een 'obesogene' omgeving genoemd. Behalve persoonsgebonden factoren (beweging en voedselkeuze) zijn, bij zowel kinderen als volwassenen, waarschijnlijk ook omgevingsfactoren belangrijk bij het ontstaan en in stand houden van overgewicht (Gezondheidsraad, 2003a) (Egger & Swinburn, 1997). De laatste decennia zijn er in onze omgeving duidelijke veranderingen opgetreden. Arbeid wordt steeds meer uitgevoerd door machines. Voeding is op steeds meer verkooppunten, in grote hoeveelheden en met steeds meer variatie te verkrijgen. En de reclamecampagnes voor energierijke voeding (waaronder tussendoortjes en frisdrank) zijn omvangrijk. Tegelijkertijd is ook de koopkracht van de bevolking gegroeid en daarmee is de meeste voeding ook voor de meeste mensen financieel bereikbaar (WHO, 2003e). Mensen kijken ook meer televisie en zitten vaker achter de computer, wat gepaard gaat met inactiviteit en het gebruik van energierijke tussendoortjes en (fris)drank (Robinson, 1998). Zo is onder meer bij kinderen het gebruik van suikerhoudende dranken (frisdrank, gezoete zuiveldranken en vruchtensappen) toegenomen.
Preventie van overgewicht op meerdere oorzaken gericht
Preventieve interventies richten zich idealiter op bovenstaande brede range van oorzaken van overgewicht. Ze hebben niet alleen een positieve invloed op persoonsgebonden factoren zoals kennis en attitude, maar stimuleren ook fysieke en sociale omgevingsfactoren die voldoende bewegen en een gezond voedingspatroon ondersteunen.
Ondergewicht is het gevolg van een negatieve energiebalans
Terwijl er bij overgewicht sprake is van een positieve energiebalans, is ondergewicht het gevolg van een negatieve energiebalans. Deze disbalans ontstaat als de voedselinname te laag is voor het energiegebruik. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door een te stringent dieet, maar ook door te intensieve sportbeoefening.
Oorzaken verminderde voedselinname
In landen in de derde wereld is de beperkte beschikbaarheid van voedsel de belangrijkste oorzaak van ondergewicht. In Nederland zijn vooral de volgende oorzaken van belang:
Verminderde eetlust. Dit kan het gevolg zijn van stress, of een psychische stoornis, zoals depressie of dementie. Het kan ook het gevolg zijn van misselijkheid (als bijwerking van medicijnen).
Moeite met eten. Door allerlei oorzaken kan voedselinname pijn of ongemak veroorzaken. Zo kunnen kauw- en slikproblemen optreden door een operatie in de mond of de slokdarm.
Verstoorde stofwisseling. Door ziekten aan de maag of de darmen kan het lichaam niet voldoende voedsel verwerken.
Extreem lijnen. Als mensen lange tijd bewust veel te weinig eten, bijvoorbeeld om af te vallen, kan dit uiteindelijk leiden tot ondervoeding. Dit is het geval bij de eetstoornis anorexia nervosa.
Bij de vaak ouderen lage voedselinname door ouderen in verzorgingshuizen spelen meerdere specifieke oorzaken een rol.
Genetische factoren spelen ook een rol bij ondergewicht
Uit verschillende studies blijkt dat er een verband bestaat tussen lichaamssamenstelling en erfelijkheid. Ook is er een genetisch verband gevonden tussen de lichaamssamenstelling en de eetlust, en ook tussen de lichaamssamenstelling en het energieverbruik. Magere mensen voelen zich in het algemeen minder aangetrokken tot voedsel en zijn meestal meer actief. Genetische factoren zijn voorlopig echter weinig of niet te beïnvloeden.
In 2007 had 45% van de Nederlandse bevolking van twintig jaar en ouder matig dan wel ernstig overgewicht: 51% van de mannen en 40% van de vrouwen. Van de mannen had 10% ernstig overgewicht (obesitas) en 41% matig overgewicht. Van de vrouwen had 12% ernstig overgewicht en 28% matig overgewicht. Deze cijfers zijn gebaseerd op de resultaten van de POLS-enquête waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven. Op basis van deze gegevens is hun BMI berekend (bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Kanttekening bij de gepresenteerde cijfers is dat zelfrapportage meestal leidt tot onderschatting van het gewicht en overschatting van de lengte. Dit gebeurt vooral bij mensen met ernstig overgewicht en het resulteert in een onderschatting van de BMI (Viet et al., 2003, Conner Gorber et al., 2007). Gemeten gegevens verdienen daarom de voorkeur boven zelfgerapporteerde gegevens. Gemeten gegevens die representatief zijn voor prevalentie van overgewicht in de gehele Nederlandse bevolking ontbreken echter. Zie ook: Achtergrondinformatie bij gegevensbronnen.
Ook op jonge leeftijd komt overgewicht al vaak voor
Bij kinderen en jongeren is er vaak al sprake van overgewicht. In de periode 2002-2004 had van de 4- tot 16-jarigen gemiddeld 13,5% van de jongens en 16,7% van meisjes overgewicht. Het percentage jongens met ernstig overgewicht was gemiddeld 2,9% en voor meisjes was dit 3,3%. Overgewicht komt bij meisjes tot 12 jaar meer voor dan bij jongens. Het verschil is kleiner voor de oudere leeftijdsgroepen. Kinderen van 7 à 8 jaar hebben de hoogste percentages overgewicht en ernstig overgewicht (zie figuur 1). Deze gegevens zijn afkomstig van elf GGD'en en zijn gemeten bij ruim 80.000 kinderen (Van den Hurk et al., 2006).
Figuur 1: Percentage kinderen en jongeren (4 tot en met 15 jaar) met overgewicht en ernstig overgewicht (obesitas) (gemeten BMI boven de voor leeftijd aangepaste grenswaarde), naar leeftijd en geslacht in 2002-2004 (Bron: TNO-PG, 2006).
Ondergewicht
Circa 2% van de volwassenen heeft ondergewicht
In 2007 had ongeveer 2% van de Nederlandse bevolking van twintig jaar en ouder een te laag gewicht: 1% van de mannen en 2,5% van de vrouwen. Deze cijfers zijn gebaseerd op de resultaten van de POLS-enquête waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven. Op basis van deze gegevens is hun BMI berekend (POLS, gezondheid en welzijn).
Ongeveer 1 op de 8 jonge kinderen heeft ondergewicht
In 1997 had bij de jongste kinderen (2 tot 7 jaar) gemiddeld 13% van de jongens en 12% van de meisjes ondergewicht en respectievelijk 3,6% en 3,3% ernstig ondergewicht. Van de 7- tot 18-jarige jongens had 9% ondergewicht en 1,4% ernstig ondergewicht en voor de meisjes waren deze percentages respectievelijk 9% en 1,7% (Van Buuren, 2004).
22 september 2008
Lichaamsgewicht
Omvang van het probleem
Neemt het aantal mensen met overgewicht of ondergewicht toe of af?
Op basis van de resultaten van de POLS-enquête, waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven, is het percentage volwassenen met (matig dan wel ernstig) overgewicht gestegen tussen 1981 en 2007 (zie figuur 1). In de periode 1981-2007 trad ook een sterke stijging op in het percentage volwassen mensen met ernstig overgewicht (zie figuur 2). Het percentage volwassenen van 20 jaar en ouder met ernstig overgewicht steeg van 5,1% in 1981 tot 11,2% in 2007 (mannen en vrouwen samengenomen). Een stijgende trend in BMI is waargenomen in alle leeftijdsgroepen. Bij mannen zijn de waargenomen trends in de verschillende leeftijdsgroepen vergelijkbaar. Bij vrouwen verschilt de toename in BMI tussen leeftijdsgroepen. De stijging bij vrouwen in de leeftijdsgroep 20-39 jaar was significant groter dan bij vrouwen van 40 jaar en ouder (Gast et al., 2007). De laatste jaren lijkt de toename in het percentage volwassenen met overgewicht iets te zijn gestabiliseerd (zie figuur 1). Opvallend is dat gedurende de gehele periode 1981-2007 ernstig overgewicht meer onder vrouwen voorkwam en overgewicht (matig dan wel ernstig) meer onder mannen (zie figuren 1 en 2).
Kanttekening bij de gepresenteerde cijfers is dat zelfrapportage meestal leidt tot onderschatting van het gewicht en overschatting van de lengte, vooral door mensen met ernstig overgewicht, en hierdoor tot onderschatting van de BMI (Viet et al., 2003, Conner Gorber et al., 2007). Gemeten gegevens verdienen daarom de voorkeur boven zelfgerapporteerde gegevens. Gemeten gegevens die representatief zijn voor prevalentie van overgewicht in de gehele Nederlandse bevolking ontbreken echter (zie ook: Achtergrondinformatie bij gegevensbronnen). De beschikbare studies en bronnen waarin gewicht en lengte gemeten zijn, laten een vergelijkbare trend zien (Blokstra & Schuit, 2003; Visscher et al., 2002; Peilstation HVZ (1987-1992), MORGEN-project (1993-1997), Doetinchem Cohort Studie (1998-2007)).
Ook bij kinderen sterke stijging overgewicht
Naast de stijging bij volwassenen is ook het percentage kinderen met overgewicht gestegen. Het percentage kinderen van zeven jaar en ouder dat te dik was in de periode 2002-2004 is ten opzichte 1997 sterk gestegen en soms zelfs verdubbeld (zie figuur 3). Het percentage kinderen met ernstig overgewicht is in diezelfde periode ook sterk toegenomen en op sommige leeftijden zelfs meer dan verdrievoudigd (8-, 9- en 15-jarige jongens, 15- en 16-jarige meisjes). De gegevens over de periode 2002-2004 zijn afkomstig van elf GGD'en en zijn gemeten bij ruim 80.000 kinderen. De prevalentiecijfers uit 1997 zijn afkomstig van de Vierde Landelijke Groeistudie (Van den Hurk et al., 2006).
Bij gelijkblijvende trend zal ernstig overgewicht met 50% toenemen
Wanneer de trend zich op dezelfde manier voortzet als voorheen, zal het percentage volwassenen met ernstig overgewicht (obesitas) de komende twintig jaar met 50% toenemen (Bemelmans et al., 2004). Er zijn aanwijzingen dat de stijging in ernstig overgewicht bij kinderen tussen 1997 en 2004 (Van den Hurk et al., 2006) sterker is dan de stijging tussen 1980 en 1997 (Hirasing et al., 2001). Ook in landen om ons heen zijn stijgende trends te zien (Schokker, 2007). Verder is de verwachting dat veranderingen in de omgeving de keuze voor een hogere energie-inname en een lager energieverbruik zullen bevorderen (Van Rossum & Ocké, 2004).
Figuur 1: Percentage mensen (20 jaar en ouder) met (matig dan wel ernstig) overgewicht in de periode 1981-2007, gestandaardiseerd naar leeftijds- en geslachtverdeling in 1981 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2008).
Figuur 2: Percentage mensen (20 jaar en ouder) met ernstig overgewicht (obesitas) in de periode 1981-2007, gestandaardiseerd naar leeftijds- en geslachtverdeling in 1981 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2008).
Figuur 3: Percentage kinderen (4 tot en met 15 jaar) met overgewicht (gemeten BMI boven de voor leeftijd aangepaste grenswaarde) in 1997 en in de periode 2002-2004, naar leeftijd en geslacht (Bron: TNO-PG, 2006).
Ondergewicht
Ernstig ondergewicht bij volwassenen is gedaald
Het percentage volwassenen met ondergewicht is in de periode 1981-2007 gedaald van 3% in 1981 naar 1,8% in 2007. Deze cijfers zijn gebaseerd op de resultaten van de POLS-enquête waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven. Op basis van deze gegevens is hun BMI berekend (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Bij jonge kinderen is ernstig ondergewicht gestegen
Voor jonge kinderen (2-6 jaar) is het percentage ernstig ondergewicht tussen 1980 en 1997 gestegen; voor jongens van 1,5 naar 3,6% en voor meisjes van 2,9 naar 3,3%. Bij oudere meisjes (7-18 jaar) daalde het percentage juist van 2,9 naar 1,7% en voor jongens bleef het percentage ongeveer gelijk (rond de 1,5%) (Van Buuren, 2004).
23 september 2009
Lichaamsgewicht
Omvang van het probleem
Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?
Onder mensen met een lage opleiding komt meer overgewicht voor dan onder hoogopgeleiden. Van de mensen met alleen lagere school heeft 54% overgewicht en van de mensen met een hoge opleiding (hbo of universiteit) is dat 33% (zie figuur 1). Het opleidingsniveau is hier als indicator gebruikt voor de sociaaleconomische status van mensen (zie ook: Opleidingsniveau als indicator voor sociaaleconomische status en Beschrijving opleidingscategorieën).
Bij 25-34-jarigen geen sociaaleconomische verschillen in overgewicht
In de leeftijdscategorie van 25-34 jaar zijn de verschillen in overgewicht tussen hoog- en laagopgeleiden niet significant. Bij de andere leeftijdsgroepen en bij mannen en vrouwen afzonderlijk komt overgewicht meer voor bij laagopgeleiden dan bij hoogopgeleiden (zie ook: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd).
Het bovenstaande is gebaseerd op gegevens van de POLS-enquête waarbij de deelnemers gevraagd is hun lichaamslengte en -gewicht aan te geven. Een kanttekening bij de gepresenteerde cijfers is dat zelfrapportage meestal leidt tot onderschatting van het gewicht en overschatting van de lengte. Zie ook: Hoeveel mensen hebben overgewicht of ondergewicht?
Meer obesitas onder laagopgeleiden
Obesitas (ernstig overgewicht) komt meer voor in de laagste opleidingscategorie dan in de hoogste opleidingscategorie. Van de laagopgeleiden (lagere school) heeft 18,4% obesitas en van de hoogopgeleiden (hbo of universiteit) is dat 6,5% (zie figuur 2). In de leeftijdscategorieën boven 25-34 jaar is het percentage mensen met obesitas relatief hoog onder laagopgeleiden. In de leeftijdscategorie van 25-34 jaar zijn de verschillen in overgewicht tussen hoog- en laagopgeleiden niet significant (zie: Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd).
Figuur 1: Prevalentie van overgewicht in de Nederlandse populatie van 25 jaar en ouder, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn 2007) a.
a Relative index of inequality (RII), gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht: 2,51 (95%-bi: 2,05-3,06). Betekenis RII > 1: laagopgeleiden meer overgewicht dan hoogopgeleiden; RII < 1: hoogopgeleiden meer overgewicht dan laagopgeleiden.
Figuur 2: Prevalentie van obesitas in de Nederlandse populatie van 25 jaar en ouder, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007) a.
a RII (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht): 4,42 (95%-bi: 3,23-6,05).
Trends
Sociaaleconomische verschillen in overgewicht afgenomen door sterkere stijging in hoogste opleidingscategorie
Verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden in zowel overgewicht als obesitas zijn tussen 1990 en 2007 afgenomen (zie figuur 3 en figuur 4). De prevalentie van overgewicht en obesitas is in die periode weliswaar toegenomen in alle opleidingscategorieën maar vooral in de hoogste opleidingscategorie waardoor de verschillen tussen opleidingscategorieën zijn afgenomen. Zie ook: Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen.
Figuur 3: Jaarprevalentie van overgewicht in de periode 1990-2007, naar opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde) a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007) b.
a De prevalentiecijfers in figuur 3 zijn 3-jaar voortschrijdende gemiddelden. Het prevalentiecijfer van 2007 uit figuur 3 wijkt daardoor af van het prevalentiecijfer in figuur 1.
b Trend in RII (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht): 0,97 (95%-bi: 0,96-0,98). Betekenis: RII > 1: toename in opleidingsverschillen in de periode 1990-2007, RII < 1: afname in opleidingsverschillen.
Figuur 4: Jaarprevalentie van obesitas in de periode 1990-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau (3-jaar voortschrijdend gemiddelde) a; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007) b.
a De prevalentiecijfers in figuur 4 zijn 3-jaar voortschrijdende gemiddelden. Het prevalentiecijfer van 2007 uit figuur 4 wijkt daardoor af van het prevalentiecijfer in figuur 2.
b Trend in RII (gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht): 0,97 (95%-bi: 0,96-0,99). Betekenis: RII > 1: toename in opleidingsverschillen in de periode 1990-2007, RII < 1: afname in opleidingsverschillen.
21 september 2009
Lichaamsgewicht
Omvang van het probleem
Sociaaleconomische verschillen naar geslacht en leeftijd
aOR (laagste opleidingsgroep ten opzichte van de hoogste, gecorrigeerd voor geslacht): 25-34 jaar: 1,51 (95%-bi: 0,90-2,53); 35-49 jaar: 1,93 (95%-bi: 1,37-2,73); 50-64 jaar: 2,82, (95%-bi: 2,08-3,82); 65+: 1,60 (95%-bi: 1,11-2,31).
Obesitas
Figuur 3: Prevalentie van obesitas naar geslacht en hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007)a.
a RII (gecorrigeerd voor leeftijd): mannen: 4,23 (95%-bi: 2,68-6,65); vrouwen: 4,47(95%-bi: 2,90-6,89).
Figuur 4: Prevalentie van obesitas naar leeftijd en hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2007 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 2007)a.
a OR (laagste opleidingsgroep ten opzichte van de hoogste, gecorrigeerd voor geslacht): 25-34 jaar: 1,66 (95%-bi: 0,66-4,17); 35-49 jaar: 2,82 (95%-bi: 1,73-4,60); 50-64 jaar: 5,17, (95%-bi: 3,24-8,23); 65+: 2,19 (95%-bi: 1,11-4,31).
21 september 2009
Lichaamsgewicht
Omvang van het probleem
Achtergrondgegevens bij trends in sociaaleconomische verschillen
Tabel 1: Prevalentie en OR-trenda van overgewicht in de periode 1990-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn,1990-2007).
Lagere school (%)
Lbo, mavo, vmbo (%)
Mbo, havo, vwo (%)
Hbo, universiteit (%)
Totaal (%)
1990
49,3
42,7
30,6
23,0
36,4
1991
49,2
41,5
33,3
22,9
36,7
1992
51,8
38,4
35,0
20,4
36,4
1993
51,4
41,9
33,9
22,7
37,5
1994
50,8
43,5
36,1
27,8
39,6
1995
52,4
43,5
35,1
25,6
39,1
1996
52,5
41,8
35,6
28,1
39,5
1997
52,7
44,8
37,0
30,7
41,3
1998
54,1
45,4
37,5
26,9
41,0
1999
53,3
45,6
38,9
34,3
43,0
2000
58,1
49,6
40,9
34,0
45,6
2001
54,6
50,6
42,2
36,1
45,9
2002
59,1
49,3
43,5
34,8
46,7
2003
57,1
52,7
43,1
34,5
46,9
2004
59,2
52,6
45,5
38,6
49,0
2005
55,9
49,2
43,8
34,7
45,9
2006
59,4
49,4
46,1
34,0
47,2
2007
53,4
51,5
43,7
33,8
45,6
OR-trend a
1,02
1,03
1,04
1,05
95% BI b
(1,02-1,03)
(1,02-1,03)
(1,03-1,04)
(1,04-1,05)
a OR-trend > 1: toename van het percentage mensen met overgewicht in de periode 1990-2007; OR-trend < 1: afname van het percentage mensen met overgewicht.
b Betrouwbaarheidsinterval.
Tabel 2: Rate differencea en RII van overgewicht in de periode 1990-2007; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007).
Rate diff a
RII b
95% BI c
1990
26,3
4,03
(3,21-5,06)
1991
26,3
3,38
(2,66-4,28)
1992
31,4
3,75
(3,03-4,65)
1993
28,7
4,18
(3,37-5,18)
1994
23,0
2,94
(2,40-3,61)
1995
26,8
3,57
(2,92-4,36)
1996
24,5
2,74
(2,24-3,36)
1997
22,0
2,74
(2,24-3,36)
1998
27,2
3,57
(2,91-4,38)
1999
19,0
2,25
(1,85-2,74)
2000
24,1
2,96
(2,43-3,59)
2001
18,6
2,41
(1,99-2,93)
2002
24,3
2,74
(2,25-3,34)
2003
22,6
2,77
(2,28-3,37)
2004
20,6
2,33
(1,94-2,79)
2005
21,1
2,46
(2,04-2,96)
2006
25,4
2,85
(2,35-3,46)
2007
19,5
2,58
(2,10-3,16)
RII-trend d
0,97
95% BI c
(0,96-0,98)
a Rate difference: het verschil tussen de laagste en de hoogste opleidingscategorie in het percentage mensen met overgewicht.
d Trend in RII > 1: toename in opleidingsverschillen in overgewicht in de periode 1990-2007, trend in RII < 1: afname in opleidingsverschillen in overgewicht.
Obesitas
Tabel 3: Prevalentie en OR-trenda van obesitas in de periode 1990-2007, naar hoogst voltooid opleidingsniveau; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007).
Lagere school (%)
Lbo, mavo, vmbo (%)
Mbo, havo, vwo (%)
Hbo, universiteit (%)
Totaal (%)
1990
11,0
7,0
5,0
2,3
6,3
1991
9,6
7,7
4,3
2,8
6,1
1992
11,8
6,9
5,3
2,2
6,6
1993
10,7
7,1
5,5
1,9
6,3
1994
11,9
8,1
5,1
4,0
7,3
1995
13,1
7,6
6,5
3,0
7,6
1996
11,7
7,2
6,6
4,2
7,5
1997
14,2
10,1
6,8
3,9
8,7
1998
13,3
8,7
7,8
3,9
8,4
1999
14,6
10,6
6,8
5,6
9,4
2000
16,8
10,2
7,4
5,8
10,0
2001
15,1
12,4
9,2
5,4
10,5
2002
16,9
11,7
8,4
6,4
10,8
2003
18,1
12,0
9,5
6,5
11,5
2004
16,3
15,1
10,6
7,3
12,3
2005
16,5
14,1
10,2
6,6
11,8
2006
18,1
14,9
10,9
6,2
12,5
2007
17,7
15,9
10,4
6,6
12,6
OR-trend a
1,04
1,06
1,06
1,07
95% BI b
(1,04-1,05)
(1,05-1,07)
(1,05-1,07)
(1,06-1,09)
a OR-trend > 1: toename van het percentage mensen met obesitas in de periode 1990-2007, OR-trend < 1: afname van het percentage mensen met obesitas.
b Betrouwbaarheidsinterval.
Tabel 4: Rate differencea en RII van obesitas in de periode 1990-2007; gestandaardiseerd naar de bevolking van 2000 (Bron: POLS, gezondheid en welzijn, 1990-2007).
Rate diff a
RII b
95% BI c
1990
8,7
5,16
(3,29-8,08)
1991
6,7
3,86
(2,40-6,23)
1992
9,6
4,97
(3,25-7,58)
1993
8,8
4,94
(3,21-7,58)
1994
7,9
4,29
(2,91-6,33)
1995
10,1
4,64
(3,18-6,78)
1996
7,6
2,88
(1,97-4,21)
1997
10,3
2,88
(1,97-4,21)
1998
9,4
3,42
(2,38-4,92)
1999
9,0
3,81
(2,71-5,36)
2000
11,1
4,44
(3,19-6,18)
2001
9,7
3,49
(2,53-4,81)
2002
10,5
3,36
(2,44-4,62)
2003
11,6
3,28
(2,41-4,48)
2004
9,0
3,12
(2,34-4,15)
2005
9,9
3,09
(2,32-4,13)
2006
11,9
3,91
(2,90-5,26)
2007
11,1
4,50
(3,29-6,16)
RII-trend d
0,97
95% BI c
(0,96-0,99)
a Rate difference: het verschil tussen de laagste en de hoogste opleidingscategorie in het percentage mensen met obesitas.
d Trend in RII > 1: toename in opleidingsverschillen in obesitas in de periode 1990-2007; trend in RII < 1: afname in opleidingsverschillen in obesitas.
22 september 2008
Lichaamsgewicht
Omvang van het probleem
Zijn er verschillen naar etniciteit?
Niet-westerse allochtonen hebben vaker overgewicht
Overgewicht lijkt vaker voor te komen bij, vooral oudere, allochtonen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst (Van Leest et al., 2002a). Bij personen van 18-39 jaar zijn de verschillen niet zo groot. Vooral in de groep van 40 jaar en ouder zijn de verschillen tussen autochtonen en allochtonen groot. Van de Turkse 55-plussers heeft 83% overgewicht. Bij Marokkaanse 55-plussers is dit 78% en bij de autochtone 55-plussers 60%. Ook Antilliaanse 40-plussers hebben vaker overgewicht dan hun autochtone leeftijdsgenoten, maar de verschillen zijn minder groot dan bij Turken en Marokkanen. Surinaamse 40-plussers verschillen het minst van hun autochtone leeftijdsgenoten, waarbij kan worden opgemerkt dat onder Creoolse 55-plussers het aandeel personen met overgewicht aanzienlijk hoger ligt dan onder Hindoestanen (respectievelijk 75% en 55%) (SCP, 2008a). Deze gegevens zijn gebaseerd op zelfgerapporteerde informatie over lichaamslengte en -gewicht.
Overgewicht komt vaker voor bij kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst
In 1997 had 23% van de jongens van Turkse afkomst overgewicht en 30% van de meisjes, terwijl deze percentages bij autochtone kinderen in hetzelfde jaar tussen de 7 en 16% en tussen de 8 en 16% lagen (afhankelijk van de leeftijdsgroep). Ook de percentages voor ernstig overgewicht waren bij de kinderen van Turkse afkomst hoog (5% van de jongens en 7% van de meisjes) in vergelijking tot de percentages onder autochtone kinderen (tussen 0,5 en 1,6% van de jongens en tussen 0,7 en 2,7% van de meisjes). Kinderen van Marokkaanse afkomst hadden ook vaker overgewicht dan autochtone kinderen: van de jongens had 16% overgewicht en 3% ernstig overgewicht en van de meisjes 25% en 5%. De percentages bij deze allochtone groepen waren ook relatief hoog vergeleken met de percentages bij autochtone kinderen in Nederlandse steden (13% overgewicht en 2% ernstig overgewicht bij jongens, 17% en 3% bij meisjes) (Schokker et al., 2006).
Integratie heeft een positieve invloed op het lichaamsgewicht
Integratie van niet-westerse allochtonen in de Nederlandse samenleving lijkt hun lichaamsgewicht gunstig te beïnvloeden. Overgewicht komt minder voor onder allochtonen van de tweede generatie en onder allochtonen die de Nederlandse taal goed beheersen en in de vrije tijd veel met autochtonen omgaan. Ook wanneer gecorrigeerd wordt voor sociaaleconomische status blijft dit effect van sociaal-culturele integratie bestaan. Een mogelijke verklaring is dat integratie gepaard gaat met het overnemen van de autochtone leefstijl (zoals voeding en lichaamsbeweging) (SCP, 2008a).
Gegevens over lichaamsgewicht zijn óf gemeten óf zelfgerapporteerd
Soms worden de gegevens over gewicht en lengte gemeten. Maar meestal zijn gegevens verzameld met behulp van vragenlijsten, waarin mensen zelf hun gewicht en lengte aangeven (zogenoemde zelfgerapporteerde gegevens).
Gemeten gegevens
De gemeten gegevens voor volwassenen zijn verzameld en bewerkt door het RIVM; achtereenvolgens in het kader van het Peilstation Hart- en Vaatziekten (1987-1991), het MORGEN-project (1993-1997), de laatste twee meetperioden van de Doetinchem Cohort Studie (1998-2007) en de monitoring onderzoeken bij enkele GGD’en (Regenboog-project, 1998-2001; Lokale en Nationale Monitor Gezondheid, 2005-2006). De gemeten gegevens voor jongeren zijn door TNO verzameld en bewerkt in het kader van de periodieke onderzoeken bij jeugdigen. Voor informatie over deze bronnen, zie hierna bij monitoring onderzoek en cohort onderzoek.
Zelfgerapporteerde gegevens
De zelfgerapporteerde gegevens worden onder andere verzameld door het CBS en door GGD'en. Om de ontwikkeling in het percentage mensen met overgewicht of ondergewicht te kunnen volgen in de tijd vraagt het CBS deze gegevens jaarlijks na bij een steekproef uit de Nederlandse bevolking (POLS, gezondheid en welzijn). De meeste GGD'en verzamelen gegevens over lengte en gewicht gemiddeld eens in de vier jaar voor hun gezondheidsenquête. Ze doen dat bij een steekproef uit de bevolking van de GGD-regio en bovendien in wisselende perioden. Voor informatie over deze bronnen, zie hierna bij monitoring onderzoek.
Bij zelfrapportage wordt het gewicht meestal onderschat en de lengte overschat, vooral door mensen met ernstig overgewicht. Dit leidt tot onderschatting van de BMI, wanneer deze gebaseerd wordt op zelfgerapporteerde gegevens (Viet et al., 2003, Conner Gorber et al., 2007).
Regelmatige vergelijking van zelfgerapporteerde en gemeten gegevens gewenst
Aangezien de mate van onderschatting per jaar kan verschillen, moeten de zelfgerapporteerde gegevens regelmatig, bijvoorbeeld eens in de drie jaar, vergeleken worden met de gemeten gegevens. Het meten van lengte en gewicht is behalve voor het inschatten van de onderschatting door zelfrapportage ook nodig voor gedegen studies naar de effectiviteit van preventie en behandelprogramma’s (Visscher et al., 2006).
Verschillen tussen bevolkingsgroepen
Om verschillen tussen bevolkingsgroepen in het percentage mensen met overgewicht of ondergewicht weer te geven is gebruik gemaakt van gemeten gegevens uit het Regenboogproject (verschillen naar opleidingsniveau) en uit lokaal onderzoek (verschillen naar etnische afkomst).
Gepresenteerde trendgegevens in Kompas
Voor het weergeven van de trend in het percentage mensen met overgewicht of ondergewicht presenteert het Kompas zelfgerapporteerde gegevens van het CBS (POLS, gezondheid en welzijn), die een langere periode beslaan dan studies waarin lengte en gewicht worden gemeten (zoals de Doetinchem Cohort Studie). Een (recente) vergelijking van zelfgerapporteerde en gemeten gegevens over lichaamsgewicht ontbreekt. Hierdoor is vooralsnog onbekend of de mate van onderrapportage (ofwel de afwijking ten opzichte van het gemeten percentage) vergelijkbaar is voor de afzonderlijke jaren en of deze afwijkingen genegeerd mogen worden. Daarom dienen de trendgegevens met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden.
Monitoring onderzoek
Lokale en Nationale Monitor Gezondheid: gemeten lichaamsgewicht
De Lokale en Nationale Monitor Gezondheid bundelt gegevens die GGD’en op een uniforme wijze lokaal verzamelen in het kader van de regionale of lokale gezondheidsenquête. De meeste GGD'en houden zo'n enquête gemiddeld eens in de vier jaar. Doordat vrijwel alle GGD’en in Nederland meedoen, kan het onderzoek gebeuren binnen een landelijk dekkend netwerk en zijn de zelfgerapporteerde gegevens representatief voor Nederland. Wanneer GGD'en kiezen voor een combinatie met lichamelijk onderzoek krijgt een deel van de mensen behalve een vragenlijst ook een uitnodiging om voor dat onderzoek naar de GGD te komen. Idealiter gebeuren deze metingen continu en bij voorkeur ook in meerdere regio’s. In 2005 en 2006 zijn metingen gedaan in twee GGD-regio’s (GGD Nieuwe Waterweg Noord en GGD Zaanstreek Waterland); slechts een klein aantal mensen heeft zich echter laten meten. Omdat het om een relatief klein aantal personen gaat en omdat deze groep niet representatief hoeft te zijn voor de gehele Nederlandse bevolking, moeten we de door GGD'en gemeten gegevens over lichaamsgewicht voorzichtig interpreteren. In het Kompas gebruiken we deze gegevens daarom niet voor een prevalentieschatting.
CBS: zelfgerapporteerd lichaamsgewicht
Het CBS legt jaarlijks een vragenlijst over gezondheid en welzijn voor aan een steekproef van circa tienduizend Nederlanders van 12 jaar en ouder (POLS, gezondheid en welzijn). Deze vragenlijst bevat onder meer de vragen 'wat is uw gewicht?' en 'wat is uw lengte?'. Om een representatief beeld te krijgen van deze bevolkingsgroep zijn de resultaten van dit onderzoek herwogen naar de volgende vijf factoren: geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en een combinatie van regio en urbanisatiegraad (zie ook: Bronnen bij determinanten).
Regenboogproject (1998-2001)
Het Regenboog-project is een onderzoek bij GGD’en dat plaatsvond in de periode 1998-2001. Doordat vrijwel alle GGD’en in Nederland meededen, kon de dataverzameling gebeuren binnen een landelijk dekkend netwerk. Deelnemers aan het vragenlijstonderzoek is bovendien gevraagd om deel te nemen aan een lichamelijk onderzoek bij de GGD; de respons binnen dit vervolgtraject was echter lager dan verwacht. Hoewel hiervoor deels gecorrigeerd is door middel van weging, heeft dit mogelijk invloed op de representativiteit van de data (Viet et al., 2003). Het gaat niet alleen om een relatief klein aantal personen, maar ook om een groep die niet representatief hoeft te zijn voor de gehele Nederlandse bevolking. Daarom moeten we de door GGD'en gemeten gegevens over lichaamsgewicht en andere lichamelijke eigenschappen voorzichtig interpreteren (zie ook: Bronnen bij determinanten).
TNO: periodieke onderzoeken bij jeugdigen
TNO volgt sinds 1955 de groei en ontwikkeling van Nederlandse kinderen, onder meer via landelijke groeistudies. De laatste landelijke studie waarin prevalentie-gegevens van overgewicht en ernstig overgewicht bij kinderen zijn verzameld, dateert uit 1997. In januari 2008 is de gegevensverzameling van de Vijfde Landelijke Groeistudie gestart. Hierin worden gegevens over onder meer lengte, gewicht en taille-omtrek verzameld. Nieuw is dat ook ondergewicht bij kinderen wordt geregistreerd.
In het kader van de ontwikkeling van een overgewichtmonitor heeft TNO een onderzoek uitgevoerd, waarin ondermeer de landelijke prevalentie van overgewicht en ernstig overgewicht bij schoolkinderen is onderzocht in de periode 2002-2004. Deze prevalenties zijn vergeleken met de prevalentiecijfers uit de Vierde Landelijke Groeistudie van 1997. De gegevens voor de periode 2002-2004 zijn afkomstig van elf GGD'en, en hebben betrekking op ruim 80.000 kinderen en jongeren van 4 tot en met 15 jaar (Van den Hurk et al., 2006).
Cohort onderzoek
Doetinchem Cohort Studie (1987-2007)
Uit de Doetinchem Cohort Studie zijn gegevens beschikbaar over overgewicht en andere risicofactoren voor diverse belangrijke (chronische) aandoeningen. In dit onderzoek is eenzelfde groep van bijna 6.400 mensen uit Doetinchem (het cohort) sinds 1987 regelmatig onderzocht (Blokstra et al., 2006) (zie ook: Bronnen bij determinanten). Vanwege de volgende kanttekening moeten we de gemeten gegevens over lichaamsgewicht voorzichtig interpreteren: het gaat om een relatief kleine groep mensen die niet representatief hoeft te zijn voor de gehele Nederlandse bevolking. In het Kompas gebruiken we deze gegevens daarom niet voor een prevalentieschatting.
Peilstation Hart- en Vaatziekten (1987-1991)
In het Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten zijn in de periode 1987-1991 de veranderingen nagegaan in het percentage mensen met overgewicht en met andere risicofactoren voor diverse belangrijke (chronische) aandoeningen. In deze periode vond regelmatig onderzoek plaats bij eenzelfde groep van ruim 36.000 mannen en vrouwen tussen de 20 en 60 jaar uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht (het cohort) (Verschuren et al., 1994) (zie ook: Bronnen bij determinanten).
MORGEN (1993-1997)
In het MORGEN-project, MOnitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland, is het vóórkomen van overgewicht en andere risicofactoren gemeten tussen 1993 en 1997. In deze periode is eenzelfde groep van circa 23.000 mannen en vrouwen uit Amsterdam, Doetinchem en Maastricht (het cohort) met regelmaat onderzocht (Blokstra et al., 2005) (zie ook: Bronnen bij determinanten).
Lokaal onderzoek
Amsterdamse Gezondheidsmonitor
De Amsterdamse Gezondheidsmonitor (AGM) is in 2004 uitgevoerd bij circa 1.750 inwoners van Amsterdam, met speciale aandacht voor personen van Turkse of Marokkaanse afkomst (Uitenbroek et al., 2006). Voor het onderzoek is door getrainde interviewers een vragenlijst afgenomen waarmee informatie werd verzameld over ondermeer lichamelijke gezondheid en leefstijlfactoren. Tevens is een lichamelijk onderzoek verricht dat gericht was op het in kaart brengen van lichaamsgewicht, bloeddruk, cholesterolgehalte en diabetes (niet-nuchtere glucose bepaling).
Eenmalig onderzoek bij Surinaamse Amsterdammers
De SUrinamers in Nederland Studie naar gezondheid en ETniciteit (SUNSET) is een onderzoek bij circa 2.000 Creoolse en Hindoestaanse Surinamers en Nederlanders tussen de 15 en 60 jaar in Amsterdam (Bindraban, 2007). Tussen 2001 en 2003 is bij alle deelnemers aan huis een persoonlijk interview afgenomen over socio-demografische factoren, migratie geschiedenis, leefstijl en gezondheid. Tevens hebben alle deelnemers tussen de 35 en 60 jaar een lichamelijk onderzoek ondergaan waarbij onder andere lichaamsgewicht, lengte, bloeddruk, nuchter cholesterol en glucose zijn gemeten.
31 juli 2008
Lichaamsgewicht
Geografische verschillen
Zijn er binnen Nederland verschillen naar regio?
Meer mensen met overgewicht in Flevoland, Rivierenland en Zuidhollandse Eilanden
In de GGD-regio Flevoland heeft 52,8% van de inwoners overgewicht, in Rivierenland 52,2% en de Zuidhollandse Eilanden 51,6% (zelfgerapporteerde BMI hoger dan 25) (periode 2004-2007): dit is relatief veel in vergelijking tot het landelijke gemiddelde (45,9%). Van de vier grote steden kent alleen Rotterdam relatief veel inwoners met overgewicht (46,4%). Utrecht (41,0%) en Amsterdam (42,3%) hebben juist relatief weinig inwoners met overgewicht. In de regio's Hollands Noorden en Utrecht wonen de minste mensen met overgewicht (41,0%). De zelfgerapporteerde BMI is gebaseerd op gegevens over gewicht en lengte die mensen zelf in de CBS-vragenlijst invullen (Bron: POLS, gezondheid en welzijn) (zie ook: Wat is overgewicht en wat is ondergewicht).
Het percentage volwassenen met overgewicht is met bijna 40% toegenomen tussen 1981 (33,3%) en 2007 (45,5%). Tot aan de periode 1996-1998 was er sprake van een lichte stijging, maar vanaf deze periode is de stijging van overgewicht groter. In de laatste periode lijkt het percentage volwassen met overgewicht te stabiliseren. In 1981 had Drenthe het hoogste percentage mensen met overgewicht (38,6%) en Zuid-Holland Zuid het laagste percentage (29,4%).
Meeste mensen met ernstig overgewicht in Flevoland en Rivierenland
In Rivierenland (15,1%), Flevoland (14,9%), Rotterdam-Rijnmond (13,2%) en Zuid-Limburg (13,0%) wonen in vergelijking tot het landelijk gemiddelde (11,0%) relatief veel mensen met ernstig overgewicht (zelfgerapporteerde BMI van 30 of meer) (periode 2004-2007). Duidelijk minder inwoners met ernstig overgewicht kennen Amsterdam (7,3%), Zuid-Holland West (8,0%) en Hollands Noorden (8,4%) (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Het percentage volwassenen met ernstig overgewicht is verdubbeld van 5,1% in 1981 naar 11% in 2003. Tot aan de periode 1993-1995 was er sprake van een lichte stijging, maar vanaf de periode 1993-1995 is de stijging van ernstig overgewicht groter. In 1981 werd het hoogste percentage volwassenen met overgewicht geregistreerd in Zeeland: 6,6%. De laagste percentages werden toen gemeten in Noord- en Zuid-Holland (4,7%).
Relatief veel ondergewicht in Flevoland en Zuid-Hollandse eilanden
In de GGD-regio Utrecht (3,5%) wonen relatief veel volwassenen met ondergewicht in vergelijking tot het gemiddelde in Nederland (1,7%) (zelfgerapporteerde BMI van kleiner dan 18,5) (periode 2004-2007). Rivierenland (0,1%), Gemeente Den Haag (0,8%) en Hart voor Brabant (1,0%) kennen de minste inwoners met ondergewicht (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Relatief weinig Nederlanders met ernstig overgewicht
Vergeleken met andere EU-landen hebben relatief weinig Nederlanders ernstig overgewicht (obesitas). Het percentage volwassenen in de EU-27 met obesitas varieert van minder dan 10% bij Italiaanse vrouwen tot meer dan 25% bij Tsjechische vrouwen. In Nederland had in de periode 1998-2002 ongeveer 10% van de mannen en 10% van de vrouwen ernstig overgewicht. Het percentage volwassenen met matig overgewicht varieert van 23,3 % bij Franse vrouwen tot 53% bij Duitse mannen (zie tabel 1). Met 29% van de vrouwen en 44% van de mannen (ook periode 1998-2002) neemt Nederland voor matig overgewicht een middenpositie in. In alle Europese landen komt overgewicht meer voor bij mannen dan bij vrouwen. Ernstig overgewicht (obesitas) komt in de meeste landen echter vaker voor bij vrouwen. Omdat studies naar vóórkomen van overgewicht in verschillende jaren en bij verschillende leeftijdsgroepen zijn gedaan, moeten verschillen tussen landen voorzichtig worden geïnterpreteerd.
Het aantal mensen met overgewicht is de afgelopen jaren zowel in Europa als daarbuiten toegenomen. Wereldwijd hebben inmiddels ruim een miljard mensen overgewicht van wie 300 miljoen ernstig overgewicht hebben (WHO, 2002d). Volgens de National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES) 2003-2004 heeft 66% van de Amerikanen boven de twintig jaar matig of ernstig overgewicht. In de periode 1976-1980 was dit nog 47% (NCHS, 2007).
Ernstig overgewicht neemt sterker toe dan matig overgewicht
Ook het percentage personen met ernstig overgewicht (obesitas) is de afgelopen decennia in vrijwel alle Europese landen toegenomen, evenals in de Verenigde Staten, Canada en Australië (Seidell, 2002; Seidell & Flegal, 1997). Tussen eind jaren zeventig en midden jaren negentig steeg in Nederland het percentage mannen met obesitas van 4,9% tot 8,5% en het percentage vrouwen van 6,2% tot 9,3% (gemeten obesitas, op basis van metingen van lengte en gewicht). In het Verenigd Koninkrijk (Engeland), steeg het percentage mannen met obesitas (gemeten) in tien jaar tijd van 13% tot 22,7% in 2004. Het percentage vrouwen steeg van 16% tot 23,8%. In 1980 had nog maar 6 tot 7% van de Engelsen obesitas (IOTF, 2005b). Engeland behoort nu tot de Europese landen waar ernstig overgewicht het meest voorkomt, maar in de Verenigde Staten is de situatie nog zorgwekkender. Uit de resultaten van NHANES 2003-2004 blijkt dat 32% van de Amerikanen boven de twintig jaar ernstig overgewicht heeft. Dit is een verdubbeling van het percentage Amerikanen dat in de periode 1976-1980 ernstig overgewicht had (NCHS, 2007; Ogden et al., 2006). Ook in Frankrijk is obesitas bij mannen tussen 1997 en 2006 toegenomen van 8,4% tot 11,8% (zelfgerapporteerde cijfers). Bij vrouwen was er in dezelfde periode een toename van 8 tot 13% (IOTF, 2005b).
In ontwikkelingslanden naast ondergewicht ook vaker overgewicht
Ook in ontwikkelingslanden met economische voorspoed vormt (ernstig) overgewicht een probleem voor de volksgezondheid. Door de snelle veranderingen in voedingspatroon en leefgewoonten komen hier ondervoeding (ondergewicht) en overgewicht vaak tegelijk voor (‘double burden of nutrition’). Landen als China en India zullen in de toekomst in grote mate bijdragen aan het absolute aantal mensen met overgewicht en ernstig overgewicht wereldwijd, vanwege de grote aantallen inwoners in die landen (Seidell & Rissanen, 1997). Bovendien groeit het aantal mensen met overgewicht in Azië, Noord-Afrika en Latijns-Amerika veel sneller dan in de Verenigde Staten en Europa (Popkin & Gordon-Larsen, 2004).
Een bijkomende moeilijkheid in landen waar zowel ondervoeding als overgewicht voorkomt, is dat voedselprogramma’s het probleem van overgewicht zelfs kunnen verergeren. Zo profiteren in Latijns-Amerika bijna 90 miljoen mensen van voedselprogramma’s, terwijl er maar tien miljoen mensen echt ondergewicht hebben (WHO, 2003b).
Aantal mensen met overgewicht varieert sterk over werelddelen
Het aantal mensen met overgewicht en ernstig overgewicht varieert sterk over de verschillende werelddelen. Overal komt overgewicht voor. Alleen in sommige delen van Afrika komt ernstig overgewicht nog in beperkt mate voor, terwijl in sommige Oost-Europese landen bijna 80% van de vrouwen van 45 tot 59 jaar overgewicht en ongeveer 30% ernstig overgewicht heeft (zie figuur 1) (James, 2004).
Minder dan 5% Europeanen heeft ondergewicht
Het percentage mensen met zelfgerapporteerd ondergewicht (BMI minder dan 18,5) is in de meeste Europese landen lager dan 5%. Vrouwen rapporteren vaker ondergewicht dan mannen (Eurostat, 2007). In Nederland rapporteert ongeveer 2% van de mensen ondergewicht en dit is vergelijkbaar met de aantallen in andere Europese landen (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).
Figuur 1: Voorlopige schattingen voor het voorkomen van overgewicht en ernstig overgewicht in personen van 45 tot 59 jaar in verschillende WHO subregio's (subregio's gebaseerd op kindersterfte (k) en volwassen sterfte (v), A: k heel laag en v heel laag, B: k laag en v laag, C: k laag en v hoog, D: k hoog en v hoog, E: k hoog en v heel hoog. Nederland behoort tot Europa A) (Bron: James, 2004).
Tabel 1: Percentage volwassenen met overgewicht en obesitas in de EU-27 (IOTF Prevalence Data, 2007).
Mannen
Vrouwen
Overgewicht
Obesitas
Overgewicht
Obesitas
Land
Jaar
Studie omvang
Leeftijd
BMI 25-29,9
BMI 30+
BMI 25-29,9
BMI 30+
België
1994-1997
21356
35-59
49,0
14,0
28,0
13,0
Bulgarije (stedelijk gebied)
1994
1996
25-74
15,3
20,9
Cyprus
1999-2000
1019
25-64
46,0
26,6
34,3
23,7
Denemarken
2003
n/a
n/a
13,0
15,0
Duitsland
2002
3807
25+
52,9
22,5
35,6
23,3
Engeland
2004
5579
16+
43,9
22,7
34,7
23,8
Estlanda
2004
3033
16-64
32,0
13,7
25,7
14,9
Finland
2000
n/a
30+
20,0
25,0
Frankrijka
2006
23747
15+
35,6
11,8
23,3
13
Griekenland
2001-2002
3042
20-89
53,0
20,0
31,0
15,0
Hongarije
1992-1994
2559
18+
41,9
21,0
27,9
21,2
Ierland
1997-1999
1379
18-64
46,3
20,1
32,5
15,9
Italië
2003
n/a
18+
42,1
9,3
25,8
8,7
Letland
1997
2292
19-64
41,0
9,5
33,0
17,4
Litouwena
2002
n/a
20-64
41,2
16,2
26,6
15,8
Luxemburg
n/a
5206
16+
45,6
15,3
30,7
13,9
Nederland
1998-2002
3691
20-59
43,5
10,4
28,5
10,1
Oostenrijk
1999
841
25-64
40,0
10,0
27,0
14,0
Polen
2002
n/a
18-94
39
19
29
20
Portugal
2003-2005
5123
18-64
44,1
14,5
31,9
14,6
Roemeniëb
1997
7547
25+
10,8
22,4
Schotland
2003
6675
16+
43,0
22,4
33,8
26,0
Sloveniëa
2001
9034
25-64
50,0
16,5
30,9
13,8
Slowakije (CINDI Bankska Bystrica)
1998
n/a
15-64
57,0
16,0
51,0
18,0
Slowakije (CINDI Trebisov)
1998
n/a
15-64
57,0
22,0
56,0
28,0
Spanje
1990-2000
9885
25-60
45,0
13,4
32,2
15,8
Tsjechië
1997-1998
3068
25+
48,5
24,7
31,4
26,2
Walesa
2003
7800
16+
44,0
17,0
30,0
18,0
Zweden (Gotenburg)
2002
1032
25-64
43,5
14,8
26,6
11,0
a Zelfgerapporteerd, zelfgerapporteerde cijfers kunnen de prevalentie onderschatten.
bIOTF-schatting.
Kinderen
Steeds meer Europese kinderen met overgewicht
Ook overgewicht bij kinderen komt de afgelopen decennia steeds meer voor. Volgens de International Obesity Taskforce (IOTF) kampte in 2002 al 24% van de kinderen in de EU met overgewicht. Dit komt neer op zo’n 14 miljoen kinderen en daar komen er jaarlijks nog 400.000 bij (IOTF, 2004).
In andere landen meer overgewicht bij kinderen
Hoewel overgewicht bij kinderen ook in Nederland een probleem vormt, behoort Nederland tot de landen waar dit nog relatief weinig voorkomt (zie tabel 2). In 2002-2004 is bij Nederlandse jongens van 4 tot en met 15 jaar de prevalentie van overgewicht gemiddeld 13,5%, bij Nederlandse meisjes 16,7% (gemeten). De prevalentie van ernstig overgewicht (obesitas) is in Nederland voor jongens gemiddeld 2,9% en voor meisjes 3,3% (Van den Hurk et al., 2006). Het hoogste percentage kinderen met gemeten (ernstig) overgewicht komt voor in Zuid-Europese landen. Daar heeft 20 tot 40% van de kinderen overgewicht, in Noord-Europa en Centraal-Europa is dat 10 tot 20% (zie tabel 2) (IOTF, 2003; IOTF Prevalence Data, 2007).
Zelfgerapporteerd overgewicht blijkt onder kinderen van dertien en vijftien jaar het meest voor te komen in Canada, Groenland en de Verenigde Staten, gevolgd door Engeland, Schotland en Wales en de Zuid-Europese landen (Griekenland, Italië, Malta, Portugal en Spanje.) In Scandinavië en Centraal-Europa komt minder overgewicht voor en het minste overgewicht komt voor in Oost-Europa. Nederland ligt qua overgewicht tussen Centraal en Oost-Europa en steekt hiermee nog relatief gunstig af (HBSC-studie; Currie et al., 2004).
De International Obesity Taskforce (IOTF) schat dat wereldwijd ongeveer 10% van de kinderen tussen 5 en 17 jaar overgewicht heeft waarvan 2 tot 3% ernstig overgewicht. Dit kwam in 2000 neer op 155 miljoen kinderen met overgewicht van wie 30 tot 45 miljoen ernstig overgewicht hadden (Lobstein et al., 2004). Gewichtstoename onder kinderen in minder geïndustrialiseerde landen komt vaak voor bij de hogere inkomensgroepen, vooral als ze naar verstedelijkte gebieden verhuizen. In geïndustrialiseerde landen komt overgewicht bij kinderen juist vaker voor bij de lagere inkomensgroepen. Zij lopen een groter risico op overgewicht door een slechtere voeding en minder mogelijkheden voor lichaamsbeweging (IOTF, 2004).
Groot deel kinderen in ontwikkelingslanden heeft ondergewicht
In ontwikkelde landen, zoals Nederland, is vooral overgewicht een probleem. Veel ontwikkelingslanden kampen echter, naast een groeiend percentage kinderen met overgewicht, nog altijd met een groot percentage kinderen met ondergewicht. Ondergewicht bij jonge kinderen wordt internationaal nog altijd gezien als een belangrijk volksgezondheidsprobleem met vernietigende gevolgen voor gezondheid, overleving en menselijk functioneren. Zo zou ongeveer 53% van alle sterfte onder jonge kinderen te wijten zijn aan ondergewicht. Een van de Milleniumdoelstellingen van de Verenigde Naties is om tussen 1990 en 2015 de prevalentie van ondergewicht bij kinderen jonger dan vijf jaar te halveren. Dit doel lijkt echter niet te worden gehaald. Volgens schattingen uit 2004 zal de prevalentie van overgewicht bij kinderen jonger dan vijf jaar in genoemde periode wereldwijd afnemen van 27 tot 18% (ofwel van 164 tot 113 miljoen kinderen), een afname van 34%. In Afrika zal de prevalentie echter met 12% toenemen van 24 tot 27% (ofwel van 26 tot 43 miljoen kinderen). In grote delen van Afrika en Azië zal in 2015 nog altijd meer dan 25% van de kinderen jonger dan vijf jaar ondergewicht hebben, terwijl dit in ontwikkelde landen minder dan 1% is (De Onis et al., 2004).
Tabel 2: Percentage kinderen met overgewicht (inclusief obesitas) in EU-27 (gebaseerd op voor leeftijd aangepaste afkapwaarden van de BMI) (IOTF Prevalence Data, 2007).
De WHO deelt de landen in op basis van het werelddeel en de sterfte onder kinderen en volwassenen. De lettercode achter de landen verwijst naar de indeling op basis van sterfte.
A. Heel lage kindersterfte, heel lage volwassenensterfte
B. Lage kindersterfte, lage volwassenensterfte
C. Lage kindersterfte, hoge volwassenensterfte
D. Hoge kindersterfte, hoge volwassenensterfte
E. Hoge kindersterfte, heel hoge volwassenensterfte
Afrikaanse regio
Algerije AFR-D
Angola AFR-D
Benin AFR-D
Botswana AFR-E
Burkina Faso AFR-D
Burundi AFR-E
Centraal Africaanse Republiek AFR-E
Comoren AFR-D
Democratische Republiek Kongo AFR-E
Equatoriaal Guinee AFR-D
Eritrea AFR-E
Ethiopië AFR-E
Gabon AFR-D
Gambia AFR-D
Ghana AFR-D
Guinee AFR-D
Guinee-Bissau AFR-D
Ivoorkust AFR-E
Kameroen AFR-D
Kaapverdië AFR-D
Kenia AFR-E
Kongo AFR-E
Lesotho AFR-E
Liberia AFR-D
Madagaskar AFR-D
Malawi AFR-E
Mali AFR-D
Mauritanië AFR-D
Mauritius AFR-D
Mozambique AFR-E
Namibië AFR-E
Niger AFR-D
Nigeria AFR-D
Oeganda AFR-E
Rwanda AFR-E
Sao Tomé en Principe AFR-D
Senegal AFR-D
Seychellen AFR-D
Sierra Leone AFR-D
Swaziland AFR-E
Tanzania (Verenigde Republiek van) AFR-E
Togo AFR-D
Tsjaad AFR-D
Zambia AFR-E
Zimbabwe AFR-E
Zuid-Afrika AFR-E
Regio van de Amerika's
Antigua en Barbuda AMR-B
Argentinië AMR-B
Bahamas AMR-B
Barbados AMR-B
Belize AMR-B
Bolivia AMR-D
Brazilië AMR-B
Canada AMR-A
Chili AMR-B
Colombia AMR-B
Costa Rica AMR-B
Cuba AMR-A
Dominica AMR-B
Dominicaanse Republiek AMR-B
Ecuador AMR-D
El Salvador AMR-B
Grenada AMR-B
Guatemala AMR-D
Guyana AMR-B
Haïti AMR-D
Honduras AMR-B
Jamaica AMR-B
Mexico AMR-B
Nicaragua AMR-D
Panama AMR-B
Paraguay AMR-B
Peru AMR-D
Saint Kitts en Nevis AMR-B
Saint Lucia AMR-B
Saint Vincent en de Grenadines AMR-B
Suriname AMR-B
Trinidad en Tobago AMR-B
Uruguay AMR-B
Venezuela (Bolivaarse Republiek van) AMR-B
Verenigde Staten van Amerika AMR-A
Oost Mediterane regio
Afghanistan OMR-D
Bahrein OMR-B
Cyprus OMR-B
Djibouti OMR-D
Egypte OMR-D
Iran, Islamitische Republiek van OMR-B
Irak OMR-D
Jemen OMR-D
Jordanië OMR-B
Kuwait OMR-B
Libanon OMR-B
Libië Arab Jamahiriya OMR-B
Marokko OMR-D
Oman OMR-B
Pakistan OMR-D
Qatar OMR-B
Saudi Arabië – OMR-B
Somalië OMR-D
Soedan OMR-D
Syrische Arabische Republiek OMR-B
Tunesië OMR-B
Verenigde Arabische Emiraten OMR-B
Europese regio
Albanië EUR-B
Andorra EUR-A
Armenië EUR-B
Azerbeidzjan EUR-B
België EUR-A
Bosnië en Herzegovina EUR-B
Bulgarije EUR-B
Denemarken EUR-A
Duitsland EUR-A
Estland EUR-C
Finland EUR-A
Frankrijk EUR-A
Georgië EUR-B
Griekenland EUR-A
Hongarije EUR-C
Ierland EUR-A
IJsland EUR-A
Israël EUR-A
Italië EUR-A
Kazakstan EUR-C
Kirgizstan EUR-B
Kroatië EUR-A
Letland EUR-C
Litouwen EUR-C
Luxemburg EUR-A
Macedonië (De voormalige Joegoslavische Republiek van) EUR-B
Malta EUR-A
Moldavië Republiek van EUR-C
Monaco EUR-A
Nederland EUR-A
Noorwegen EUR-A
Oostenrijk EUR-A
Oekraïne EUR-C
Oezbekistan EUR-B
Polen EUR-B
Portugal EUR-A
Roemenië EUR-B
Russische Federatie EUR-C
San Marino EUR-A
Servië en Montenegro
Slovenië EUR-A
Slowakije EUR-B
Spanje EUR-A
Tadzjikistan EUR-B
Tsjechische Republiek EUR-A
Turkije EUR-B
Turkmenistan EUR-B
Verenigd Koninkrijk EUR-A
Wit-Rusland EUR-C
Zweden EUR-A
Zwitserland EUR-A
Zuidoost-Aziatische regio
Bangladesh ZOAR-D
Bhutan ZOAR-D
India ZOAR-D
Indonesië ZOAR-B
Malediven ZOAR-D
Myanmar ZOAR-D
Nepal ZOAR-D
Noord-Korea (Democratische Volksrepubliek van Korea) ZOAR-D
Benzinou M, Creemers JW, Choquet H, Lobbens S, Dina C, Durand E, et al.
Common nonsynonymous variants in PCSK1 confer risk of obesity.
Nat Genet, 2008; 40(8): 943-5.
Bindraban NR.
The cardiovascular risk profile of Hindustani and Creole Surinamese in the Netherlands compared to white Dutch people (proefschrift).
Amsterdam: AMC, 2007.
Buuren S van.
Afkapwaarden van de ‘body-mass index’ (BMI) voor ondergewicht van Nederlandse kinderen.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2004; 148(40): 1967-72.
Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM.
Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey.
BMJ, 2000; 320: 1240-1243.
Conner Gorber S, Tremblay M, Moher D, Gorber B.
A comparison of direct vs. self-report measures for assessing height, weight and body mass index: a systematic review.
Obesity Reviews, 2007; 8: 307-326.
Currie C, Roberts C, Morgan A, Smith R, Settertobulte W, Samdal O.
Young people’s health in context. Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) study: international report from the 2001/2002 survey.
Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe, 2004.
Egger G, Swinburn B.
An "ecological" approach to the obesity pandemic.
BMJ 1997; 315: 477-80.
Frayling TM, Timpson NJ, Weedon MN, Zeggini E, Freathy RM, Lindgren CM, et al.
A common variant in the FTO gene is associated with body mass index and predisposes to childhood and adult obesity.
Science, 2007; 316(5826): 889-94.
Gast GC, Frenken FJ, Leest LA van, Wendel-Vos GC, Bemelmans WJ.
Intra-national variation in trends in overweight and leisure time physical activities in The Netherlands since 1980: stratification according to sex, age and urbanisation degree.
Int J Obes, 2007; 31(3): 566.
Gezondheidsraad.
Overgewicht en obesitas.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2003a; 07.
Han TS, Tijhuis MAR, Lean MEJ & Seidell JC.
Quality of life in relation to overweight and body fat distribution.
Am J Public Health, 1998; 88, 1814-20.
Hirasing RA, Fredriks AM, Buuren S van, Verloove-Vanhorick SP, Wit JM.
Toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas bij Nederlandse kinderen en signalering daarvan aan de hand van internationale normen en nieuwe referentiediagrammen.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2001; 145(20); 1303-4.
Hurk K van den, Dommelen P van, Wilde JA de, Verkerk PH, Buuren S van, HiraSing RA.
Prevalentie van overgewicht en obesitas bij jeugdigen 4-15 jaar in de periode 2002-2004. TNO-rapport nr. KvL/JPB/2006.010.
Leiden: TNO, 2006.
IOTF, International Obesity Taskforce.
Waiting for a green light for health? Europe at the crossroads for diet and disease. IOTF position paper.
London: IOTF, 2003.
IOTF, International Obesity Taskforce.
EU childhood obesity “out of control”. http: //www.iotf.org.
London: IOTF, 2004.
IOTF, International Obesity Taskforce.
EU Platform Briefing Paper. Prepared in collaboration with the European Association for the Study of Obesity.
Brussels: IOTF, 2005b.
James PT.
Obesity: the worldwide epidemic.
Clinics in Dermatology, 2004; 22(4): 276-280.
Johnson J, Cohen P, Kasen S, Brook J.
Eating disorders during adolescence and the risk for physical and mental disorders during early adulthood.
Archives of General Psychiatry, 2002; 59(6): 545-552.
Kemper HC, Post GB, Twisk JW, van Mechelen W.
Lifestyle and obesity in adolescence and young adulthood: results from the Amsterdam Growth And Health Longitudinal Study (AGAHLS).
Int J Obes Relat Metab Disord 1999; 23 suppl 3: S34-40.
Lobstein T, Baur L, Uauy R.
Obesity in children and young people: a crisis in public health. In cooperation with the IASO International Obesity TaskForce.
Obesity reviews, 2004; 5 (1): 4–85.
Loos RJ, Lindgren CM, Li S, Wheeler E, Zhao JH, Prokopenko I, et al.
Common variants near MC4R are associated with fat mass, weight and risk of obesity.
Nat Genet, 2008; 40(6): 768-75.
NCHS, National Center for Health Statistics.
Prevalence of Overweight and Obesity Among Adults: United States, 2003-2004 http: //www.cdc.gov/nchs/products/pubs/pubd/hestats/overweight/overwght_adult_03.htm (geraadpleegd 30 januari 2007).
NCHS, 2007.
Newell A, Zlot A, Silvey K, Arail K.
Addressing the obesity epidemic: a genomics perspective.
Prev Chronic Dis., 2007 ; 4(2): A31.
Ogden CL, Carroll MD, Curtin LR, McDowell MA, Tabak CJ, Flegal KM.
Prevalence of overweight and obesity in the United States, 1999-2004.
JAMA, 2006; 295: 1549-1555.
Onis M de, Blossner M, Borghi E, Frongillo EA, Morris R.
Estimates of global prevalence of childhood underweight in 1990 and 2015.
JAMA, 2004; 291(21): 2600-6.
Popkin BM, Gordon-Larsen P.
The nutrition transition: worldwide obesity dynamics and their determinants.
International Journal of Obesity, 2004; 28: S2-S9.
Rankinen T, Zuberi A, Chagnon YC, Weisnagel SJ, Argyropoulos G, Walts B, et al.
The human obesity gene map: the 2005 update.
Obesity (Silver Spring), 2006; 14(4): 529-644.
Rijn C van.
Anorexia nervosa en boulimia nervosa. II. Somatische gevolgen van ondervoeding.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 1998; 142(33): 1863-1866.
Rissanen A, Heliövaara M, Knekt P, et al.
Risk of disability and mortality due to overweight in a Finnish population.
BMJ 1990; 301: 835-837.
Robinson TN.
Does television cause childhood obesity?
JAMA, 1998; 279: 959-60.
Schokker DF, Visscher TLS, Nooyens ACJ, Baak MA van, Seidell JC.
Prevalence of overweight and obesity in the Netherlands.
Obesity reviews, 2006; 8: 101-107.
Schokker DF.
Draft in samenwerking met ILSI, WHO-Europe en International Obesity Task Force. VU Amsterdam.
Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam, 2007.
SCP, Sociaal en Cultureel Planbureau.
Minderheden meer gewicht. Overgewicht bij Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen en het belang van integratiefactoren.
Den Haag: SCP, 2008a.
Seidell JC, Flegal KM.
Assessing obesity: classification and epidemiology.
Br Med Bull 1997; 53: 238-252.
Seidell JC, Rissanen AM.
Worldwide prevalence of obesity and time trends. In: Bray GA, Bouchard C, James WPT (eds.). Handbook of obesity.
New York: Dekker Inc., 1997.
Seidell JC.
Prevalence and time trends of obesity in Europe.
J Endocrinol Invest 2002; 25: 816-22.
Sharp C, Freeman C.
The medical complications of anorexia nervosa.
British Journal of Psychiatry, 1993; 162(4): 452-462.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding.
De rol van voeding bij het ontstaan van kanker.
Den Haag: KWF Kankerbestrijding, 2004.
Strauss RS.
Childhood Obesity and Self-Esteem.
Pediatrics 2000; 105(1): e15.
Tenwolde A.
Lichamelijke aspecten. In: Vandereycken W, Noordenbos G (red.). Handboek eetstoornissen.
Utrecht: De Tijdstroom, 2002.
Tonjes A, Scholz M, Loeffler M, Stumvoll M.
Association of Pro12Ala polymorphism in peroxisome proliferator-activated receptor gamma with Pre-diabetic phenotypes: meta-analysis of 57 studies on nondiabetic individuals.
Diabetes Care, 2006; 29(11): 2489-97.
Visscher TLS, Heliövaara M, Picavet HSJ, Rissanen A, Seidell JC.
Obesity and musculoskeletal disorders. In: Medeiros-Neto G, Halpern A, Bouchard C (eds.) Progress in obesity research: 9.
Montrouge France: John Libbey Eurotext Ltd, 2003;: 596-603.
Visscher TLS, Kromhout D, Seidell JC.
Long-term and recent time trends in the prevalence of obesity among Dutch men and women.
Int J Obes 2002; 26: 1218-24.
Visscher TLS, Rissanen A, Seidell JC, Heliovaara M, Knekt P, Reunanen A, et al.
Obesity and unhealthy life-years in adult finns. An empirical approach.
Acrh Intern med, 2004; 164: 1413-1420.
Visscher TLS, Seidell JC.
The Public Health Impact of Obesity.
Annu. Rev. Public Health, 2001; 22: 355-375.
Visscher TLS, Viet AL, Kroesbergen IH, Seidell JC.
Underreporting of BMI in adults and its effect on obesity prevalence estimations in the period 1998 to 2001.
Obesity, 2006; 14: 2054-63.
WHO, World Health Organization.
The World Health Report 2002: Reducing Risks, Promoting Healthy Life.
Geneva: WHO, 2002d.
WHO, World Health Organization.
Diet, nutrition and the prevention of chronic diseases: report of a joint WHO/FAO expert consultation, Geneva, 28 January -- 1 February 2002. WHO technical report series; 916.
Geneva: WHO, 2003b.
WHO, World Health Organization.
The SuRF Report 1 Surveillance of Risk Factors related to noncommunicable diseases: Current status of global data.
Geneve: WHO, 2003e.
Gegevensbronnen
Doetinchem.Monitoringsstudie onder bewoners van Doetinchem. Voortzetting van Peilstation HVZ en MORGEN. Uitgevoerd door het RIVM vanaf 1998
Eurostat.Statistische Database van de Europese Unie
IOTF Prevalence Data.International Obesity TaskForce Prevalence Data
Lokale en Nationale Monitor Gezondheid.Website monitor gezondheid
MORGEN.Monitoring van risicofactoren en gezondheid in Nederland (RIVM)
Peilstation HVZ.Peilstation Hart- en vaatziekten (RIVM)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
Regenboog.Risicofactoren En Gezondheids Evaluatie Nederlandse Bevolking, een Onderzoek Op GGD'en (RIVM)
Literatuur
Arenz S, Ruckerl R, Koletzko B, Von Kries R.
Breast-feeding and childhood obesity - a systematic review.
Int J Obes Relat Metab Disord, 2004; 28(10): 1247-56.
Benzinou M, Creemers JW, Choquet H, Lobbens S, Dina C, Durand E, et al.
Common nonsynonymous variants in PCSK1 confer risk of obesity.
Nat Genet, 2008; 40(8): 943-5.
Bindraban NR.
The cardiovascular risk profile of Hindustani and Creole Surinamese in the Netherlands compared to white Dutch people (proefschrift).
Amsterdam: AMC, 2007.
Buuren S van.
Afkapwaarden van de ‘body-mass index’ (BMI) voor ondergewicht van Nederlandse kinderen.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2004; 148(40): 1967-72.
Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM.
Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey.
BMJ, 2000; 320: 1240-1243.
Conner Gorber S, Tremblay M, Moher D, Gorber B.
A comparison of direct vs. self-report measures for assessing height, weight and body mass index: a systematic review.
Obesity Reviews, 2007; 8: 307-326.
Currie C, Roberts C, Morgan A, Smith R, Settertobulte W, Samdal O.
Young people’s health in context. Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) study: international report from the 2001/2002 survey.
Kopenhagen: WHO Regional Office for Europe, 2004.
Egger G, Swinburn B.
An "ecological" approach to the obesity pandemic.
BMJ 1997; 315: 477-80.
Frayling TM, Timpson NJ, Weedon MN, Zeggini E, Freathy RM, Lindgren CM, et al.
A common variant in the FTO gene is associated with body mass index and predisposes to childhood and adult obesity.
Science, 2007; 316(5826): 889-94.
Gast GC, Frenken FJ, Leest LA van, Wendel-Vos GC, Bemelmans WJ.
Intra-national variation in trends in overweight and leisure time physical activities in The Netherlands since 1980: stratification according to sex, age and urbanisation degree.
Int J Obes, 2007; 31(3): 566.
Gezondheidsraad.
Overgewicht en obesitas.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2003a; 07.
Han TS, Tijhuis MAR, Lean MEJ & Seidell JC.
Quality of life in relation to overweight and body fat distribution.
Am J Public Health, 1998; 88, 1814-20.
Hirasing RA, Fredriks AM, Buuren S van, Verloove-Vanhorick SP, Wit JM.
Toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas bij Nederlandse kinderen en signalering daarvan aan de hand van internationale normen en nieuwe referentiediagrammen.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2001; 145(20); 1303-4.
Hurk K van den, Dommelen P van, Wilde JA de, Verkerk PH, Buuren S van, HiraSing RA.
Prevalentie van overgewicht en obesitas bij jeugdigen 4-15 jaar in de periode 2002-2004. TNO-rapport nr. KvL/JPB/2006.010.
Leiden: TNO, 2006.
IOTF, International Obesity Taskforce.
Waiting for a green light for health? Europe at the crossroads for diet and disease. IOTF position paper.
London: IOTF, 2003.
IOTF, International Obesity Taskforce.
EU childhood obesity “out of control”. http: //www.iotf.org.
London: IOTF, 2004.
IOTF, International Obesity Taskforce.
EU Platform Briefing Paper. Prepared in collaboration with the European Association for the Study of Obesity.
Brussels: IOTF, 2005b.
James PT.
Obesity: the worldwide epidemic.
Clinics in Dermatology, 2004; 22(4): 276-280.
Johnson J, Cohen P, Kasen S, Brook J.
Eating disorders during adolescence and the risk for physical and mental disorders during early adulthood.
Archives of General Psychiatry, 2002; 59(6): 545-552.
Kemper HC, Post GB, Twisk JW, van Mechelen W.
Lifestyle and obesity in adolescence and young adulthood: results from the Amsterdam Growth And Health Longitudinal Study (AGAHLS).
Int J Obes Relat Metab Disord 1999; 23 suppl 3: S34-40.
Lobstein T, Baur L, Uauy R.
Obesity in children and young people: a crisis in public health. In cooperation with the IASO International Obesity TaskForce.
Obesity reviews, 2004; 5 (1): 4–85.
Loos RJ, Lindgren CM, Li S, Wheeler E, Zhao JH, Prokopenko I, et al.
Common variants near MC4R are associated with fat mass, weight and risk of obesity.
Nat Genet, 2008; 40(6): 768-75.
NCHS, National Center for Health Statistics.
Prevalence of Overweight and Obesity Among Adults: United States, 2003-2004 http: //www.cdc.gov/nchs/products/pubs/pubd/hestats/overweight/overwght_adult_03.htm (geraadpleegd 30 januari 2007).
NCHS, 2007.
Newell A, Zlot A, Silvey K, Arail K.
Addressing the obesity epidemic: a genomics perspective.
Prev Chronic Dis., 2007 ; 4(2): A31.
Ogden CL, Carroll MD, Curtin LR, McDowell MA, Tabak CJ, Flegal KM.
Prevalence of overweight and obesity in the United States, 1999-2004.
JAMA, 2006; 295: 1549-1555.
Onis M de, Blossner M, Borghi E, Frongillo EA, Morris R.
Estimates of global prevalence of childhood underweight in 1990 and 2015.
JAMA, 2004; 291(21): 2600-6.
Popkin BM, Gordon-Larsen P.
The nutrition transition: worldwide obesity dynamics and their determinants.
International Journal of Obesity, 2004; 28: S2-S9.
Rankinen T, Zuberi A, Chagnon YC, Weisnagel SJ, Argyropoulos G, Walts B, et al.
The human obesity gene map: the 2005 update.
Obesity (Silver Spring), 2006; 14(4): 529-644.
Rijn C van.
Anorexia nervosa en boulimia nervosa. II. Somatische gevolgen van ondervoeding.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 1998; 142(33): 1863-1866.
Rissanen A, Heliövaara M, Knekt P, et al.
Risk of disability and mortality due to overweight in a Finnish population.
BMJ 1990; 301: 835-837.
Robinson TN.
Does television cause childhood obesity?
JAMA, 1998; 279: 959-60.
Schokker DF, Visscher TLS, Nooyens ACJ, Baak MA van, Seidell JC.
Prevalence of overweight and obesity in the Netherlands.
Obesity reviews, 2006; 8: 101-107.
Schokker DF.
Draft in samenwerking met ILSI, WHO-Europe en International Obesity Task Force. VU Amsterdam.
Amsterdam: Vrije Universiteit Amsterdam, 2007.
SCP, Sociaal en Cultureel Planbureau.
Minderheden meer gewicht. Overgewicht bij Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen en het belang van integratiefactoren.
Den Haag: SCP, 2008a.
Seidell JC, Flegal KM.
Assessing obesity: classification and epidemiology.
Br Med Bull 1997; 53: 238-252.
Seidell JC, Rissanen AM.
Worldwide prevalence of obesity and time trends. In: Bray GA, Bouchard C, James WPT (eds.). Handbook of obesity.
New York: Dekker Inc., 1997.
Seidell JC.
Prevalence and time trends of obesity in Europe.
J Endocrinol Invest 2002; 25: 816-22.
Sharp C, Freeman C.
The medical complications of anorexia nervosa.
British Journal of Psychiatry, 1993; 162(4): 452-462.
Signaleringscommissie Kanker van KWF Kankerbestrijding.
De rol van voeding bij het ontstaan van kanker.
Den Haag: KWF Kankerbestrijding, 2004.
Strauss RS.
Childhood Obesity and Self-Esteem.
Pediatrics 2000; 105(1): e15.
Tenwolde A.
Lichamelijke aspecten. In: Vandereycken W, Noordenbos G (red.). Handboek eetstoornissen.
Utrecht: De Tijdstroom, 2002.
Tonjes A, Scholz M, Loeffler M, Stumvoll M.
Association of Pro12Ala polymorphism in peroxisome proliferator-activated receptor gamma with Pre-diabetic phenotypes: meta-analysis of 57 studies on nondiabetic individuals.
Diabetes Care, 2006; 29(11): 2489-97.
Visscher TLS, Heliövaara M, Picavet HSJ, Rissanen A, Seidell JC.
Obesity and musculoskeletal disorders. In: Medeiros-Neto G, Halpern A, Bouchard C (eds.) Progress in obesity research: 9.
Montrouge France: John Libbey Eurotext Ltd, 2003;: 596-603.
Visscher TLS, Kromhout D, Seidell JC.
Long-term and recent time trends in the prevalence of obesity among Dutch men and women.
Int J Obes 2002; 26: 1218-24.
Visscher TLS, Rissanen A, Seidell JC, Heliovaara M, Knekt P, Reunanen A, et al.
Obesity and unhealthy life-years in adult finns. An empirical approach.
Acrh Intern med, 2004; 164: 1413-1420.
Visscher TLS, Seidell JC.
The Public Health Impact of Obesity.
Annu. Rev. Public Health, 2001; 22: 355-375.
Visscher TLS, Viet AL, Kroesbergen IH, Seidell JC.
Underreporting of BMI in adults and its effect on obesity prevalence estimations in the period 1998 to 2001.
Obesity, 2006; 14: 2054-63.
WHO, World Health Organization.
The World Health Report 2002: Reducing Risks, Promoting Healthy Life.
Geneva: WHO, 2002d.
WHO, World Health Organization.
Diet, nutrition and the prevention of chronic diseases: report of a joint WHO/FAO expert consultation, Geneva, 28 January -- 1 February 2002. WHO technical report series; 916.
Geneva: WHO, 2003b.
WHO, World Health Organization.
The SuRF Report 1 Surveillance of Risk Factors related to noncommunicable diseases: Current status of global data.
Geneve: WHO, 2003e.
Gegevensbronnen
Doetinchem.Monitoringsstudie onder bewoners van Doetinchem. Voortzetting van Peilstation HVZ en MORGEN. Uitgevoerd door het RIVM vanaf 1998
Eurostat.Statistische Database van de Europese Unie
IOTF Prevalence Data.International Obesity TaskForce Prevalence Data
Lokale en Nationale Monitor Gezondheid.Website monitor gezondheid
MORGEN.Monitoring van risicofactoren en gezondheid in Nederland (RIVM)
Peilstation HVZ.Peilstation Hart- en vaatziekten (RIVM)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
POLS, gezondheid en welzijn.Permanent Onderzoek Leefsituatie, gezondheid en welzijn (CBS)
Regenboog.Risicofactoren En Gezondheids Evaluatie Nederlandse Bevolking, een Onderzoek Op GGD'en (RIVM)
EU-27
De 27 landen die vanaf 1 januari 2007 de Europese Unie vormen.
GGD
Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst
GGD
Gemeentelijke/Gewestelijke Gezondheidsdienst (Municipal/Regional Health Service)
GWAS
Genome Wide Association Studie
HBSC-studie
Nederlandse Health Behavior in School-aged Children-studie
IOTF
International Obesity Taskforce
NHANES
National Health and Nutrition Examination Survey
OR
Odds ratio
Overgewicht
Body Mass Index (BMI)/ Quetelet Index >= 25 kg/m2
POLS
Permanent Onderzoek Leefsituatie (CBS)
RII
Relative index of inequality
TNO
Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
TNO-PG
TNO Preventie en Gezondheid
WHO
World Health Organization
Definities
ObesitasErnstig overgewicht (voor personen van 18 jaar en ouder: BMI >= 30 kg/m2; voor jongeren gelden andere afkapwaarden.
PrevalentieHet aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Afkortingen
bi
Betrouwbaarheidsinterval
BMI
Body Mass Index
CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
EU
Europese unie
EU-27
De 27 landen die vanaf 1 januari 2007 de Europese Unie vormen.
GGD
Gemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst
GGD
Gemeentelijke/Gewestelijke Gezondheidsdienst (Municipal/Regional Health Service)
GWAS
Genome Wide Association Studie
HBSC-studie
Nederlandse Health Behavior in School-aged Children-studie
IOTF
International Obesity Taskforce
NHANES
National Health and Nutrition Examination Survey
OR
Odds ratio
Overgewicht
Body Mass Index (BMI)/ Quetelet Index >= 25 kg/m2
POLS
Permanent Onderzoek Leefsituatie (CBS)
RII
Relative index of inequality
TNO
Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
TNO-PG
TNO Preventie en Gezondheid
WHO
World Health Organization
Definities
ObesitasErnstig overgewicht (voor personen van 18 jaar en ouder: BMI >= 30 kg/m2; voor jongeren gelden andere afkapwaarden.
PrevalentieHet aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.