Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Ziekte, kwaliteit van leven en sterfte Factoren die van invloed zijn op de gezondheid Activiteiten om gezondheid te handhaven of te verbeteren Gezondheidszorg Bevolking en economie Internationale vergelijkingen Gezondheidsachterstanden

Osteoporose

Kort en bondig
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Omvang van het probleem
Geografische verschillen

Kijk ook eens bij:

Kijk ook eens bij andere websites:

24 juni 2009
Osteoporose
Osteoporose samengevat

Ruim 148.000 mensen met osteoporose bij huisarts bekend

Osteoporose is een ziekte van het skelet waarbij sprake is van een lage botmassa en een verstoorde opbouw van het botweefsel. Hierdoor is het bot brozer en breekt het sneller.

Op 1 januari 2007 waren naar schatting 15.200 mannen en 133.000 vrouwen bij de huisarts bekend met de diagnose osteoporose. In dat jaar zag de huisarts ongeveer 27.900 nieuwe gevallen met osteoporose. Veel mensen met osteoporose hebben echter geen klachten en komen niet bij de huisarts. Het werkelijke aantal mensen met osteoporose in de bevolking ligt daarom veel hoger dan het aantal mensen met osteoporose die bij de huisarts bekend zijn.

Gevolgen van osteoporose kunnen tot de dood leiden

In 2007 werd bij 15 mannen en 81 vrouwen de sterfte toegeschreven aan osteoporose. Niet osteoporose op zichzelf, maar fracturen ten gevolge van osteoporose kunnen tot de dood leiden. De belangrijkste fractuur in dit opzicht is de heupfractuur.

Osteoporose toegenomen in periode 1990-2007

Het aantal mannen en vrouwen met osteoporose is over de hele periode 1990-2007 gestegen. Ook het aantal nieuwe gevallen is in deze periode sterk gestegen.

Toename osteoporose zet waarschijnlijk door

Vooral door toenemende vergrijzing van de bevolking zal osteoporose steeds meer voorkomen. Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal mensen met osteoporose tussen 2007 en 2040 met 60% zal stijgen.

Grote internationale verschillen in voorkomen osteoporose

Er zijn tamelijk grote internationale verschillen in het voorkomen van osteoporose wanneer dit gedefinieerd wordt als matige of ernstige werveldeformaties. Deze komen het vaakst voor in Scandinavische landen en het minst in Oost-Europa. Nederland neemt hierin een middenpositie in ten opzichte van andere West-Europese landen.


24 juni 2009
Osteoporose
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat is osteoporose en wat is het beloop?


Wat is osteoporose?

Osteoporose is een aandoening van het skelet

Osteoporose (ICD-10 codes M80-M81) is een skeletaandoening die zich kenmerkt door een lage botmineraaldichtheid (botmassa) en een verstoorde samenhang van het botweefsel. Hierdoor is het bot brozer en is de kans op een botbreuk (fractuur) groter. Bij inzakking van de ruggewervels spreekt men van een wervelfractuur, een compressiefractuur in de wervels, of werveldeformatie.
De meest voorkomende osteoporotische fracturen zijn fracturen van wervel, pols en heup (zie Heupfractuur). Van de wervelfracturen treedt ongeveer tweederde spontaan op, dat wil zeggen door slechts een geringe aanleiding.

Diagnose osteoporose gebaseerd op botmineraaldichtheid

De daadwerkelijke diagnose osteoporose is gebaseerd op de botmineraaldichtheid. Deze wordt bepaald door na te gaan in welke mate mineralen in het bot (met name calcium) röntgenstraling absorberen. Vervolgens wordt de botmineraaldichtheid berekend als de botmassa (in grammen) gedeeld door de oppervlakte van het doorstraalde bot.

Door een lage botmineraaldichtheid is het risico op het ontstaan van fracturen verhoogd (Cummings et al., 1993; De Laet et al., 1997). Bij een botmineraaldichtheid van één standaardafwijking lager dan het gemiddelde van jongvolwassenen is de kans op een fractuur gemiddeld tweemaal zo groot (Marshall et al., 1996).

Osteoporose kent verschillende gradaties

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onderscheidt verschillende gradaties van osteoporose (Kanis, 1994). De indeling is gebaseerd op de botmineraaldichtheidsmeting en het al dan niet optreden van osteoporotische fracturen. Dit impliceert dat de diagnose osteoporose alleen gesteld kan worden als er een botmineraaldichtheidsmeting is verricht. De indeling is als volgt:
  • normaal; de botmineraaldichtheid is niet meer dan 1 standaarddeviatie (SD) lager dan de gemiddelde dichtheid bij jongvolwassen vrouwen (‘piekbotdichtheid’ of 'piekbotmassa');
  • osteopenie; de botmineraaldichtheid is verminderd, maar er is nog geen sprake van osteoporose. De botmineraaldichtheid ligt tussen 1 en 2,5 SD onder de gemiddelde dichtheid bij jong volwassen vrouwen;
  • osteoporose; de botmineraaldichtheid ligt meer dan 2,5 SD onder het gemiddelde van jong volwassen vrouwen;
  • ernstige osteoporose; osteoporose gaat gepaard met osteoporotische fracturen.

Deze WHO-definitie is een veel gebruikte definitie in de klinische praktijk. Er is echter nog veel onduidelijkheid over de referentiewaarden die gebruikt zouden moeten worden, vooral bij mannen, maar ook bij vrouwen.

Osteoporose leidt niet altijd tot klachten

Osteoporose is een aandoening die op zichzelf niet gepaard gaat met symptomen. Wervelinzakkingen, hoewel vaak asymptomatisch, kunnen gepaard gaan met chronische rugklachten en een algemene verslechtering van de kwaliteit van leven (Gold, 1996; Burger et al., 1997; Ross, 1997; Nevitt et al., 1998; Oleksik et al., 2000). Juist omdat er meestal geen of alleen aspecifieke klachten zijn, komen wervelfracturen vaak niet onder de aandacht van de (huis)arts (Cooper et al., 1992b; Melton 3rd et al., 1989). Bij sommige mensen is een verkromming en het korter worden van de wervelkolom het enige teken van wervelfracturen. Pols- en heupfracturen ontstaan met name als gevolg van een val. Deze zijn pijnlijk en patiënten gaan hiermee dan ook vrijwel altijd naar de huisarts of SEH.

Vooral wervelfracturen wijzen op osteoporose

Voornamelijk wervelfracturen vormen één van de belangrijkste aanwijzingen voor de aanwezigheid van osteoporose. Dit komt omdat osteoporose de hoofdoorzaak is van deze fracturen. Fracturen van heup en pols zijn niet altijd het gevolg van osteoporose en kunnen ook bij jonge mensen optreden.

Ook zijn wervelfracturen een belangrijke indicatie voor een verhoogd risico op toekomstige fracturen, niet alleen in de wervelkolom, maar ook elders in het skelet, bijvoorbeeld in de heup (Ross et al., 1991; Ross et al., 1993; Burger et al., 1994b; Black et al., 1999; Van der Klift et al., 2002).


Wat is het beloop?

Volledig herstel van eerdere botdichtheid is niet mogelijk

Genezing van osteoporose, in de zin van totaal herstel van de vroegere botmineraaldichtheid, is niet mogelijk. Wel kan behandeling ertoe bijdragen dat de botmassa toeneemt (zie ook: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?). Het is ook niet mogelijk een ingezakte wervel met medicatie te herstellen.

Gevolgen van wervelfracturen geven aanleiding tot slechtere kwaliteit van leven

De wervelfracturen hebben diverse gevolgen die de kwaliteit van leven sterk verminderen (Burger et al., 1997; Nevitt et al., 1998). Door de wervelfracturen en de daarmee gepaard gaande chronische rugpijn zijn patiënten beperkt in hun dagelijks functioneren. Er zijn vooral problemen bij het lopen, buigen, opstaan en het dragen of tillen van dingen. Deze problemen beïnvloeden de kwaliteit van leven negatief.
Ook veroorzaken de wervelinzakkingen een lengteverlies dat kan oplopen tot zo’n tien tot twintig centimeter waarbij de vorm van de wervelkolom verandert. Hierdoor kan ook druk ontstaan op interne organen, wat weer een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van leven.
Ook bij mensen zonder pijn kunnen wervelfracturen leiden tot een verminderde kwaliteit van leven. Dit kan behalve door rugklachten ook komen door bijkomende aandoeningen zoals depressie (Gold, 1996; Ross, 1997; Oleksik et al., 2000).

Plaats van fractuur bepalend voor mate waarin kwaliteit van leven afneemt

De plaats van fracturen bepaalt het effect op de kwaliteit van leven. Fracturen van de pols geven relatief kortdurend (meestal niet meer dan vier tot twaalf weken) enige beperkingen in het uitoefenen van bepaalde activiteiten. Heupfracturen gaan echter vaak gepaard met grotere gevolgen, zoals invaliditeit, verlies van kwaliteit van leven en zelfs sterfte.

Op heuphoogte heeft wervelbreuk grotere gevolgen dan op borsthoogte

Wervelbreuken ter hoogte van de heup of lendenen (lumbale fracturen) hebben een relatief groter effect op de mobiliteit van de wervelkolom, omdat de wervelkolom daar minder stijf is dan ter hoogte van de borst (thoracale fracturen). Daardoor is de kwaliteit van leven sterker verminderd voor lumbale breuken dan voor thoracale breuken. Ook gaan lumbale wervelbreuken gepaard met meer pijn en hebben ze een grotere invloed op de houdingsstabiliteit van de patiënt (Oleksik et al., 2000).

U kunt algemene informatie over kwaliteit van leven vinden bij het onderwerp gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven. Algemene informatie over lichamelijk functioneren vindt u bij het onderwerp lichamelijk functioneren.

24 juni 2009
Osteoporose
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op osteoporose?

Gebrek aan calcium en vitamine D verhoogt kans op osteoporose

Er zijn verscheidene factoren die de aanmaak en afbraak van het bot beïnvloeden (zie tabel 1). Osteoporose komt het meest voor bij vrouwen na de overgang, als gevolg van een afname van de oestrogeenspiegels. Een gebrek aan calcium, al dan niet in combinatie met een gebrek aan vitamine D verhoogt de kans op osteoporose. Een gebrek aan vitamine D komt zeer vaak voor bij ouderen en allochtonen, onder andere als gevolg van verminderde blootstelling aan zonlicht. Voldoende lichaamsbeweging, stoppen met roken en gezonde voeding dragen bij aan de preventie van osteoporose (zie ook: Preventie gericht op osteoporose)

Zie ook de onderwerpen: Lichamelijke activiteit, Roken, Voeding.

Kans op osteoporose deels af te leiden uit fractuurrisico


Hoezeer een factor het risico op osteoporose beïnvloedt is deels af te leiden uit de mate waarin die factor het fractuurrisico verhoogt. Een fractuur is immers een mogelijk gevolg van osteoporose (zie ook: Wat is osteoporose en wat is het beloop?). Zo is het risico op het krijgen van een nieuwe fractuur vier keer zo groot als iemand al een bestaande wervelfractuur heeft. Mensen met een slechte mobiliteit en geringe activiteit hebben ongeveer twee keer zo veel kans op een fractuur als mensen met een gemiddeld activiteitsniveau (Law et al., 1991b). Ook het gebruik van corticosteroïden, een lichaamsgewicht van minder dan 60 kilo en een eerdere fractuur (opgelopen voor het vijftigste levensjaar) verdubbelen het fractuurrisico (CBO, 2002a). Behalve deze factoren zijn ook het vrouw-zijn en de leeftijd belangrijke voorspellers van het fractuurrisico. Hoe ouder iemand is, hoe groter de kans op een fractuur.

Tabel 1: Factoren die de aanmaak en afbraak van bot beïnvloeden (Cummings et al., 1985; Gezondheidsraad, 1991a; CBO, 2002a).

  • Erfelijke aanleg
  • Kleine en tengere gestalte
  • Laag lichaamsgewicht
  • Vrouwelijk geslacht
  • Hogere leeftijd
  • Langdurig verlaagde bloedspiegels van geslachtshormonen
  • Gebrek aan lichaamsbeweging
  • Langdurige bedrust
  • Voedingstekorten
  • Onvoldoende blootstelling aan zonlicht
  • Hoge sigaretten- en of alcoholconsumptie
  • Bepaalde hormonale ziekten en andere ziekten die de calcium- en botstofwisseling beïnvloeden

Nog geen hoog-risico genen gevonden voor osteoporose

De aanleg voor osteoporose is deels genetisch bepaald. Het voorkomen van osteoporose in de familie wordt als één van de belangrijkste risicofactoren gezien. Tot nog toe zijn er echter geen hoog-risico genen gevonden die de aan- of afwezigheid van osteoporose voorspellen. Er is wel samenhang aangetoond tussen de aanwezigheid van risicofactoren voor osteoporose enerzijds en veel voorkomende genmutaties (polymorfismen) anderzijds, in genen die betrokken zijn bij de bepaling van botgroei, -ontwikkeling, -dichtheid en -afbraak en de mate van fractuurrisico (bijvoorbeeld ESR1, OPG/TNFRSF11B, RANKL/TNFSF11, COL1A1, LRP5, VDR, ZBTB-WNT-4, HLA-regio).

De prevalentie in de bevolking van veel van deze genmutaties ligt tussen de 15-45%. Voor de genmutaties geldt dat zij elk slechts een klein deel aan variantie in botdichtheid en fractuurrisico verklaren (Richards et al., 2008; Styrkarsdottir et al., 2008; Ioannidis et al., 2004; Ralston et al., 2006; Uitterlinden et al., 2006; Van Meurs et al., 2008).


24 juni 2009
Osteoporose
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?


Diagnostiek

Bepalen van de botmineraaldichtheid gebeurt met densitometrie

Het meten van de botmassa gebeurt met densitometrietoestellen. Deze toestellen maken gebruik van de DEXA-techniek (‘Dual Energy X-ray Absorptiometry’), gebaseerd op de absorptie van röntgenstraling door het calcium in botweefsel. Vervolgens wordt de botmineraaldichtheid berekend als de botmassa (in grammen) gedeeld door de oppervlakte van het doorstraalde bot. Het aantal geregistreerde gevallen van osteoporose is in de loop van de tijd vermoedelijk gestegen door de gegroeide beschikbaarheid van densitometrietoestellen waarmee de botdichtheid wordt gemeten.

Onduidelijkheid over drempelwaarden botdichtheid

Het is nog steeds niet helemaal duidelijk welke grenswaarden van botdichtheid aangehouden moeten worden om van osteoporose te spreken. De voornaamste discussie is of eenzelfde grenswaarde moet worden gehanteerd voor mannen als voor vrouwen. Dit hangt af van het doel dat men wil bereiken. De belangrijkste reden voor de behandeling van osteoporose is het voorkomen van fracturen. Bij mannen met een fractuur is de gemiddelde botdichtheid hoger dan bij vrouwen. Als men evenveel fracturen bij mannen als vrouwen wil voorkomen, zal er bij mannen een hogere grenswaarde van botdichtheid nodig zijn dan bij vrouwen (De Laet et al., 2002). Als men echter op kosteneffectieve wijze preventie toe wil passen, zal de drempelwaarde bij mannen en vrouwen gelijk moeten zijn. Ook de absolute drempelwaarde bij vrouwen is niet geheel zonder discussie.

Screening alleen zinvol bij groepen met hoger fractuurrisico

Aangezien osteoporose kan leiden tot een fractuur (zie ook: Wat is osteoporose en wat is het beloop?), is het opsporen van hoge fractuurrisico’s via een botdichtheidsbepaling zinvol bij mensen die op basis van meerdere factoren al een verhoogde kans hebben op een fractuur. Voor mensen zonder risicofactoren is het niet zinvol, omdat de helft van het aantal osteoporotische fracturen voorkomt bij mensen die geen verlaagde botmassa hebben. Volgens de Nederlandse richtlijn Osteoporose (CBO, 2002a) wordt een botmeting aanbevolen bij:

  • Vrouwen van 50 jaar en ouder die na hun 50e jaar een fractuur hebben gehad;
  • Vrouwen van 60 jaar en ouder bij wie de volgende drie risicofactoren aanwezig zijn: fracturen in de familie, een laag lichaamsgewicht en ernstige immobiliteit;
  • Vrouwen van 70 jaar en ouder bij wie twee van deze risicofactoren aanwezig zijn;
  • Vrouwen met een wervelfractuur (ongeacht de leeftijd).
  • Jongere vrouwen (<50 jaar) en mannen (<65 jaar) met een osteoporotische wervel- of heupfractuur dienen altijd naar een specialist te worden doorverwezen voor nader onderzoek van de onderliggende oorzaak.

Zie ook: Welke factoren beïnvloeden de kans op osteoporose?

Bepalen van risico op toekomstig fractuur

Sinds 2008 kan men gebruik maken van een door de WHO gevalideerd model om het risico op een fractuur door osteoporose over een periode van tien jaar te berekenen (WHO, 2008). Deze methode, de WHO Fracture Risk Assessment Tool genaamd, evalueert het risico op een fractuur van de heup of van andere belangrijke fracturen door osteoporose (klinische wervel, heup, pols of schouder) in de komende tien jaren. De berekening is gebaseerd op het al dan niet aanwezig zijn van risicofactoren zoals leeftijd, geslacht, ondergewicht (lengte en gewicht), voorgeschiedenis van fracturen, aanwezigheid van heupfracturen bij een van beide ouders, huidig rookgedrag, alcoholconsumptie (drie eenheden per dag of meer), het gebruik van glucocorticoïden, reumatoïde artritis, secundaire osteoporose en eventueel de botminderaaldichtheid van de heup-hals wanneer die bekend is.

Er zijn nog geen richtlijnen ontwikkeld die aangeven vanaf welk risico gebaseerd op deze methode een medicamenteuze behandeling moet worden ingesteld. Deze moeten door de verschillende landen individueel worden vastgesteld.

Media-aandacht van invloed op diagnostiek en vraag naar preventie

De toegenomen aandacht voor osteoporose in de media heeft ervoor gezorgd dat de bevolking, met name de vrouwen na de menopause, zich meer bewust is geworden van osteoporose. Dit heeft waarschijnlijk geleid tot meer vraag naar diagnostiek, preventieve maatregelen en behandeling, maar mogelijk ook tot betere therapietrouw van degenen die behandeld worden. Ook de alertheid van artsen ten aanzien van osteoporose is door de activiteiten van de media toegenomen. Zij besluiten daardoor mogelijk sneller tot diagnostiek en preventieve maatregelen. Het aantal geregistreerde gevallen van osteoporose is door deze ontwikkelingen gestegen. Een belangrijke ontwikkeling is ook het oprichten van speciale fractuur en osteoporose poliklinieken waarbij patiënten boven de 50 jaar met een doorgemaakte fractuur worden gescreend op de aanwezigheid van osteoporose. De marketing van verrijkte voedingsmiddelen, supplementen en medicijnen heeft hoogstwaarschijnlijk eenzelfde effect gehad als de toegenomen aandacht van de media.

Effect van toekomstige ontwikkelingen op diagnostiek van osteoporose ongewis

In de toekomst zullen ultrageluidsmetingen en bepaling van biochemische merkers in bloed en/of urine mogelijk in aanmerking komen als methode voor de diagnostiek van osteoporose. Ook zouden genetische 'markers' gebruikt kunnen worden. Het is niet duidelijk welk effect deze ontwikkelingen op de epidemiologische kengetallen van osteoporose zullen hebben.


Behandeling

Leefstijlmaatregelen belangrijk bij behandeling osteoporose

Een belangrijk uitgangspunt bij de behandeling van osteoporose zijn leefstijlmaatregelen met aandacht voor voldoende lichaamsbeweging, valpreventie, voldoende inname van calcium en vitamine D, beperking van roken en overmatig alcoholgebruik en het voorkomen van gewichtsverlies.

Proces van botafbraak met bisfosfonaten tot stilstand te brengen

De medicamenteuze behandeling van osteoporose gebeurt onder andere met bisfosfonaten. Hierbij wordt de botafbraak afgeremd en kan de botmassa zelfs iets toenemen. Studies tonen aan dat bij gebruik van bisfosfonaten de kans op een fractuur ongeveer halveert (Black et al., 1996; Cummings et al., 1998; Harris et al., 1999; Pols et al., 1999; Orwoll et al., 2000; Reginster et al., 2000; McClung et al., 2001). Bisfosfonaten zijn in diverse toedieningsvormen (oraal en intraveneus) en doseerintervallen te verkijgen (dagelijks, wekelijks, maandelijks en jaarlijks).

Terughoudendheid in oestrogeensuppletie door risico op borstkanker

Diverse studies tonen aan dat oestrogeensuppletie een gunstig effect heeft op handhaving van de botmassa (Cauley et al., 1993; Ettinger et al., 1985; Lane et al., 1999; Michaelsson et al., 1998; Writing Group for the PEPI Trial, 1996; Naessen et al., 1990). Studies tonen echter ook aan dat oestrogeensuppletie een toename van het risico op borstkanker en hart- en vaatziekten tot gevolg heeft (Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer, 1997; Jacobs, 2000; Clemons & Goss, 2001; Nelson et al., 2002a). Oestrogeensuppletie wordt daarom niet meer zonder meer als behandeling van osteoporose voorgeschreven. Voor meer informatie over het risico op borstkanker: zie borstkanker.

Behandeling met SERMs heeft mogelijk gunstig effect op de botmassa

Selectieve Oestrogeen Receptor Modulators (SERMs) zijn synthetische stoffen die nauw verwant zijn aan oestrogenen. Eén van deze middelen, raloxifen, wordt inmiddels toegepast bij de behandeling van osteoporose. Net als oestrogenen heeft het een gunstig effect op de handhaving van de botmassa (Delmas et al., 1997; Lufkin et al., 1998; Ettinger et al., 1999). Er is echter geen verhoogde kans op borstkanker. SERMs lijken de kans op borstkanker zelfs te verminderen (Cauley et al., 2001). Daarnaast zijn er aanwijzingen dat SERMs de kans op hart- en vaatziekten verminderen bij vrouwen met een hoog risico daarop (Barrett-Connor et al., 2002).

Bijschildklierhormonen alleen bij ernstige osteoporose

Behandeling met een dagelijkse onderhuidse injectie van humaan recombinant bijschildkierhormoon (PTH) leidt tot toename van de botaanmaak door stimulering van de osteoblasten. Het is hiermee een krachtig anabool geneesmiddel voor de behandeling van osteoporose (CVZ, College voor Zorgvezekeringen, 2008). De middelen worden in Nederland vooralsnog alleen onder bepaalde voorwaarden vergoed bij ernstige osteoporose bij postmenopauzale vrouwen. Werkzaamheid is aangetoond ter voorkoming van wervel- en niet-wervelfracturen.

Strontiumranelaat alleen voor vrouwen

Strontiumranelaat is een dagelijkse behandeling voor de preventie en behandeling van osteoporose bij (op dit moment alleen) vrouwen na de overgang (CVZ, College voor Zorgvezekeringen, 2008. Het remt de botafbraak en het stimuleert de botaanmaak. Het middel is sinds 2005 in ons land beschikbaar. Strontiumranelaat mag in Nederland (nog) niet worden voorgeschreven voor mannen met osteoporose. Werkzaamheid is aangetoond ter voorkoming van wervel-, niet-wervel- en heupbreuken. De effectiviteit is vergelijkbaar met die van bisfosfonaten.

Percutane vertebroplastiek bij persisterende pijn door wervelinzakking

Wanneer er ondanks de gebruikelijke behandeling met pijnstillers en eventueel corset na zes weken na een wervelinzakking toch veel klachten blijven bestaan, kan met percutane vertebroplastiek pijnverlichting voor de patiënt worden bereikt. Hierbij wordt een kleine hoeveelheid cement in het ingezakte wervellichaam ingebracht. Bij kyphoplastiek wordt gebruik gemaakt van een speciale ballonkatheter die in het wervellichaam wordt opgeblazen, waarna cement in de gecreëerde holte wordt ingebracht. Beide behandelingen geven in 70-90% van de gevallen een significante verbetering van de pijnklachten binnen 24 uur bij osteoporotische wervelinzakkingsfracturen.

Toenemende bekendheid van osteoporose doet aantal behandelingen stijgen

De toenemende bekendheid van osteoporose zal leiden tot een stijgend aantal behandelingen; zo is in het verleden het gebruik van bisfosfonaten in de behandeling van osteoporose toegenomen. Daarnaast zijn er een aantal veelbelovende medicamenten in ontwikkeling die zich richten op verschillende stadia van botafbraak.


24 juni 2009
Osteoporose
Omvang van het probleem
Hoe vaak komt osteoporose voor en hoeveel mensen sterven eraan?

Ongeveer 148.000 mensen met osteoporose op 1 januari 2007

Op 1 januari 2007 hadden naar schatting 15.200 mannen (95%-betrouwbaarheidsinterval: 9.000 - 25.800) en 133.000 vrouwen (95%-betrouwbaarheidsinterval: 90.000 - 197.000) osteoporose. Dit komt overeen met 1,9 per 1.000 mannen en 16,1 per 1.000 vrouwen. Het aantal mensen met osteoporose neemt toe met de leeftijd, de toename is bij vrouwen echter veel sterker dan bij mannen (zie figuur 1).

Het aantal nieuwe patiënten met osteoporose in 2007 wordt geschat op 3.300 mannen (95%-betrouwbaarheidsinterval: 1.900 - 5.900) en 24.600 vrouwen (95%-betrouwbaarheidsinterval: 17.100 - 35.500). Dit komt overeen met 0,4 per 1.000 mannen en 3,0 per 1.000 vrouwen. Ook het aantal nieuwe patiënten met osteoporose neemt toe met de leeftijd, maar vanaf (ongeveer) 78 jaar neemt de incidentie onder vrouwen af (zie figuur 2).

De prevalentie en incidentie van osteoporose zijn geschat op basis van gegevens afkomstig van huisartsenregistraties. Het totaal aantal personen met osteoporose in de bevolking wordt geschat op twee tot drie keer het aantal personen met osteoporose op basis van huisartsenregistraties. Deze schatting is gebaseerd op bevolkingsonderzoek uit de periode 1990-1993 (De Laet et al., 1996a). Hoewel deze schatting gebaseerd is op verouderd onderzoek, geeft deze wel een indruk van het gegeven dat de prevalentie op basis van bevolkingsonderzoek veel hoger uitvalt dan in de huisartsenregistraties. Dit komt omdat veel mensen met osteoporose geen klachten hebben en dus niet naar de huisarts gaan.

Gevolgen van osteoporose kunnen tot de dood leiden

In 2007 werd bij 96 personen (15 mannen en 81 vrouwen) de sterfte toegeschreven aan osteoporose (ICD-10 codes M80-81) (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek). Osteoporose op zichzelf leidt niet tot de dood. Alleen de gevolgen ervan, namelijk een fractuur, kunnen tot de dood leiden. De belangrijkste fractuur in dit opzicht is de heupfractuur. Voor meer informatie over sterfte ten gevolge van heupfractuur: zie heupfractuur.

detailsPrevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht

detailsAchtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties

detailsSchattingsmethode incidentie en prevalentie 2007

Figuur 1: Puntprevalentie van osteoporose (per 1.000) op 1 januari 2007 naar leeftijd en geslacht (Bronnen: zie Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties).

osteoporose_puntprevalentie_2007

Figuur 2: Incidentie van osteoporose (per 1.000) in 2007 naar leeftijd en geslacht (Bronnen: zie Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties).

osteoporose_incidentie_2007


24 juni 2009
Osteoporose
Omvang van het probleem
Neemt het aantal mensen met osteoporose toe of af?

Aantal vrouwen met osteoporose sterk gestegen

Het aantal mensen met osteoporose (prevalentie) is tussen 1990 en 2007 sterk toegenomen. Het aantal mannen met osteoporose is in deze periode met ongeveer 100% toegenomen, terwijl het aantal vrouwen met osteoporose met 150% is toegenomen (zie figuur 1). Het aantal personen dat bij de huisarts komt met osteoporose is overigens slechts een deel van het totaal aantal personen in de bevolking met osteoporose (zie Hoe vaak komt osteoporose voor en hoeveel mensen sterven eraan?).

Bevolkingsgroei en vergrijzing leiden tot toename osteoporose

Op basis van alleen demografische ontwikkelingen zoals bevolkingsgroei en vergrijzing, is de verwachting dat het absoluut aantal mensen met osteoporose tussen 2007 en 2025 met 38% zal stijgen.

Figuur 1: Puntprevalentie van osteoporose in de huisartsenpraktijk in de periode 1990-2007 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde), gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1991=100) (Bron: CMR-Nijmegen e.o., RNH).

osteoporose_prevalentie_trend_1990-2007

24 juni 2009
Osteoporose
Omvang van het probleem
Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?


Welke zorg gebruiken patiënten?

Patiënt met osteoporose meestal door huisarts behandeld

Over het algemeen wordt een patiënt met osteoporose behandeld door de huisarts. Voor meting van de botdichtheid kan de patiënt verwezen worden naar een nucleair geneeskundige. Vooral als de osteoporose het gevolg is van het gebruik van glucocorticoïden bij reumatische ziekten zal de reumatoloog de behandeling uitvoeren. Als zich heupfracturen of symptomatische wervelfracturen voordoen, wordt de orthopeed ingeschakeld. De internist is in de tweede lijn waarschijnlijk de belangrijkste behandelaar van osteoporose. Oudere, alleenstaande patiënten met een traag herstel of met comorbiditeit worden soms opgenomen in een verpleeghuis.

Zeshonderd ziekenhuisopnamen voor osteoporose in 2005

In 2005 werd 600 keer iemand in een ziekenhuis opgenomen met osteoporose. Het aantal vrouwen dat wordt opgenomen is ongeveer zes keer zo groot als het aantal mannen. De gemiddelde opnameduur was tien dagen. In 2005 werden 9.009 dagbehandelingen geteld (zie tabel 1).

Aantal klinische opnamen en opnameduur afgenomen

In de periode 1995-2005 is het aantal klinische opnamen voor osteoporose voor mannen met 66% en voor vrouwen met 36% gedaald. Het aantal klinische opnamedagen daalde vooral voor vrouwen nog harder omdat voor vrouwen de gemiddelde opnameduur met 41% daalde in de periode 1995-2005. Voor mannen daalde de opnameduur met 19% (zie figuur 1).

Het aantal dagopnamen is in de periode 1995-2005 sterk gestegen. Er wordt in toenemende mate overgegaan op dagopnames voor korte observaties, om klinische opnames te vermijden. De ziekenhuisprevalentie is in de periode 1995-2004 voor zowel mannen als vrouwen vrijwel constant gebleven (zie figuur 1). De ziekenhuisprevalentie betreft het aantal personen dat één of meer keren per jaar in het ziekenhuis is opgenomen voor osteoporose (zowel klinische opnamen als dagopnamen tellen mee).

Bij bovenstaande trends is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking in Nederland.

Tabel 1: Aantal klinische opnamen en opnamedagen, gemiddelde opnameduur (in dagen) en aantal dagopnamen in 2005 voor osteoporose (Bron: LMR).

Mannen

Vrouwen

Totaal

Klinische opnamen

86

514

600

Klinische opnamedagen

1.043

5.035

6.078

Gemiddelde opnameduur

12,1

9,8

10,1

Dagopnamen

1.285

7.724

9.009

Figuur 1: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamen a met osteoporose als hoofdontslagdiagnose in de periode 1995-2005; gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking en geïndexeerd (1995 is 100) (Bron: CBS-Statline en LMR).

Trend in ziekenhuisinformatie ten gevolge van osteoporose voor mannen

Trend in ziekenhuisinformatie ten gevolge van osteoporose voor vrouwen

a Het indexcijfer voor het aantal dagopnamen bij vrouwen is in 2003, 2004 en 2005 respectievelijk 422, 496 en 537.


Wat zijn de kosten?

120 miljoen euro voor de zorg voor osteoporose in 2005

De kosten van de zorg voor osteoporose bedroegen 120,1 miljoen euro in 2005. Dat was 0,2% van de totale kosten voor de gezondheidszorg in Nederland en 2,8% van de totale zorgkosten die gemaakt werden voor ziekten van het bewegingsstelsel en bindweefsel (Poos et al., 2008). Van de totale kosten voor osteoporose wordt 15% door mannen gemaakt en 85% door vrouwen. De kosten zijn het hoogst in de leeftijdsgroep 70-84 jaar (zie figuur 2).

Het grootste deel (45%) van de zorgkosten voor osteoporose was in 2005 toe te schrijven aan genees- en hulpmiddelen. Verder was 30,1% toe te schrijven aan ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg, 11,6% aan ouderenzorg, en 7,5% aan eerste lijnshulpverleners (zie figuur 3).

Figuur 2: Kosten voor osteoporose in 2005 uitgesplitst naar leeftijd en geslacht (Bron: Kosten van Ziektenstudie, 2008).

Kosten van de zorg voor osteoporose naar leeftijd en geslacht in 2005

Figuur 3: Kosten voor osteoporose in 2005 uitgesplitst naar sector en geslacht (Bron: Kosten van Ziektenstudie, 2008).

Kosten van de zorg voor osteoporose naar sector en geslacht in 2005

24 juni 2009
Osteoporose
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

Incidentie en prevalentie

Het vóórkomen van osteoporose verschilt aanzienlijk tussen Europese landen

Er bestaat een aanzienlijke variatie in het voorkomen van osteoporose (gemeten als de prevalentie van matige en ernstige werveldeformatie). De prevalentie is het hoogst in Scandinavische landen en het laagst in Oost-Europa (zie tabel 1). Het Middellandse Zeegebied en West-Europa zitten daar met ongeveer gelijke prevalenties tussenin. Opvallend is dat het verschil in prevalentie tussen mannen en vrouwen in de meeste landen klein is. Onder de 65 jaar is de prevalentie onder mannen zelfs hoger dan onder vrouwen. Dit blijkt uit de 'European Vertebral Osteoporosis Study’ (EVOS) waarbij de prevalentie van matige en ernstige werveldeformatie in negentien Europese landen is vergeleken (O'Neill et al., 1996). Voor Nederland zijn de cijfers afkomstig van het ERGO-onderzoek. In alle landen is op dezelfde gestandaardiseerde manier de botmeting verricht.

Ook wervelinzakkingen komen het meest voor in Scandinavië

Uit gegevens van de 'European Prospective Osteoporosis Study' (EPOS) blijkt dat voor zowel mannen als vrouwen ook de incidentie van wervelinzakkingen het hoogst is in Scandinavië (zie tabel 2). Bij mannen is de incidentie het laagst in Zuid- en Oost-Europa. West-Europa neemt een middenpositie in. Opvallend is, dat met uitzondering van Scandinavië, voor vrouwen de incidentie van wervelinzakkingen in heel Europa op een vergelijkbaar niveau ligt (EPOS, 2002).

Wereldwijd komen osteoporotische fracturen het meest voor in Europa

Wereldwijd komen osteoporotische fracturen het meest voor in Europa (Johnell & Kanis, 2006). In 2000 vond 34,8% van alle fracturen plaats in Europa, vergeleken met bijvoorbeeld 15,7% in de Verenigde Staten en Canada en 28,6% in de West-Pacifische regio, waaronder Australië en Japan. De ziektelast in Europa als gevolg van dit soort fracturen is daarmee hoger dan de ziektelast die veroorzaakt wordt door veel voorkomende soorten van kanker, behalve longkanker (Johnell & Kanis, 2006).

Verschillen in determinanten mogelijke verklaring prevalentieverschillen

Internationale prevalentieverschillen zouden verklaard kunnen worden door verschillen in genetische factoren, medicijngebruik, voeding, lichaamsbeweging, tabak- of alcoholgebruik en door mogelijke interactie tussen deze factoren (zie: Osteoporose; Welke factoren beïnvloeden de kans op osteoporose?).

Zie ook: Heupfractuur; Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

In Nederland grootste stijging van wervelfracturen verwacht

Nederland zal in de eenentwintigste eeuw als gevolg van vergrijzing te kampen krijgen met de grootste absolute stijging van het aantal wervelfracturen van alle lidstaten van de EU (EC, 1999).

Zweden en het Verenigd Koninkrijk kennen beide een hoge incidentie van osteoporotische fracturen, maar omdat de vergrijzing in deze landen minder hard zal toeslaan, zullen stijgingen in incidentie waarschijnlijk meevallen.

Tabel 1: Prevalentie van matige en ernstige werveldeformatie onder 50-79 jarigen in een aantal Europese regio’s; gestandaardiseerd naar de Europese bevolking (O'Neill et al., 1996).

Prevalentie (per 1.000)

mannen

vrouwen

Scandinavië

242

258

Rotterdam

231

219

Middellandse Zee-gebied

216

226

West-Europa

206

192

Oost-Europa

180

184

Tabel 2: Incidentie van matige en ernstige werveldeformaties onder 55-79 jarigen in een aantal Europese regio's gestandaardiseerd naar de leeftijdsverdeling van de Europese populatie (EPOS, 2002).

Incidentie (per 1.000 persoonsjaren)

mannen

vrouwen

Scandinavië

7,3

17,7

West-Europa

6,4

10,2

Oost-Europa

4,3

9,2

Zuid-Europa

3,6

10,2


24 juni 2009
Osteoporose
Omvang van het probleem
Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht

Tabel 1: Puntprevalentie van osteoporose (absoluut en per 1.000) op 1 januari 2007 naar leeftijd en geslacht a,b.

Prevalentie per 1.000

Prevalentie absoluut

leeftijd

mannen

vrouwen

mannen

vrouwen

0-4

0,06

0,08

28

36

5-9

0,08

0,08

41

39

10-14

0,11

0,10

58

46

15-19

0,16

0,13

82

65

20-24

0,23

0,20

111

97

25-29

0,32

0,34

158

168

30-34

0,45

0,61

243

328

35-39

0,64

1,14

417

731

40-44

0,90

2,20

597

1.421

45-49

1,27

4,25

788

2.607

50-54

1,79

8,16

1.019

4.592

55-59

2,53

15,29

1.420

8.415

60-64

3,51

26,21

1.631

12.062

65-69

4,99

43,40

1.724

15.697

70-74

7,02

64,78

1.901

20.349

75-79

9,83

86,51

1.971

23.749

80-84

13,76

102,86

1.693

22.229

85+

18,71

108,05

1.343

20.518

Totaal

1,88

16,10

15.200

133.000

Ondergrens 95%-betrouwbaarheid

1,12

10,88

9.000

90.000

Bovengrens 95%-betrouwbaarheid

3,19

23,78

25.800

197.000

a De leeftijdspecifieke cijfers zijn niet afgerond. Het totaal van de absolute prevalentie is onder de 50.000 afgerond op honderdtallen en boven de 50.000 op duizendtallen.

b De prevalentie is geschat op basis van gegevens afkomstig van CMR-Nijmegen e.o., RNUH-LEO (probleemlijst) en Transitieproject.

detailsAchtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties

detailsSchattingsmethode incidentie en prevalentie 2007

Tabel 2: Incidentie van osteoporose (absoluut en per 1.000 per jaar) naar leeftijd en geslacht in 2007 c,d.

Incidentie per 1.000

Incidentie absoluut

leeftijd

mannen

vrouwen

mannen

vrouwen

0-4

0,01

0,00

4

0

5-9

0,01

0,00

6

0

10-14

0,02

0,00

9

0

15-19

0,02

0,00

13

2

20-24

0,04

0,01

18

6

25-29

0,05

0,04

26

20

30-34

0,08

0,13

41

67

35-39

0,11

0,34

73

214

40-44

0,17

0,80

109

514

45-49

0,24

1,67

150

1.030

50-54

0,35

3,12

200

1.764

55-59

0,51

5,20

285

2.838

60-64

0,74

7,54

354

3.603

65-69

1,08

9,93

380

3.629

70-74

1,58

11,50

430

3.614

75-79

2,29

11,81

465

3.265

80-84

3,32

10,78

413

2.330

85+

4,67

8,93

346

1.729

Totaal

0,41

2,97

3.300

24.600

Ondergrens 95%-betrouwbaarheid

0,24

2,07

1.900

17.100

Bovengrens 95%-betrouwbaarheid

0,72

4,29

5.900

35.500

c De leeftijdspecifieke cijfers zijn niet afgerond. Het totaal van de absolute incidentie is afgerond op honderdtallen.

d De incidentie is geschat op basis van gegevens afkomstig van CMR-Nijmegen e.o., RNUH-LEO (contactregistratie), Transitieproject en LINH.


24 juni 2009
Osteoporose
Omvang van het probleem
Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties

Kompasschattingen op basis van de huisartsenregistraties

De prevalentie is geschat op basis van gegevens afkomstig van CMR-Nijmegen e.o., RNUH-LEO (probleemlijst) en Transitieproject. De incidentie is geschat op basis van gegevens afkomstig van CMR-Nijmegen e.o., RNUH-LEO (contactregistratie), Transitieproject en LINH.

Gebruikte code uit de CMR-Nijmegen: E-code 4154. Uit de andere registraties: ICPC-code L95.

Meerdere oorzaken voor verschillen in de cijfers tussen registraties

De prevalentie- en incidentiecijfers op basis van verschillende huisartsenregistraties variëren vaak aanzienlijk. De oorzaak kan zijn dat het voorkomen van ziekten in de praktijkpopulaties verschilt, maar het kan ook het gevolg zijn van verschillen in de algemene werkwijze van de registraties en de wijze waarop prevalentie- en incidentiecijfers worden berekend. Bovendien kunnen registraties voor bepaalde ziekten specifieke (al dan niet vastgelegde) regels hanteren. Daarom zijn hieronder allereerst de kenmerken van osteoporose beschreven en de kenmerken van de gebruikte huisartsenregistraties. Daarbij gaat het om kenmerken die van invloed zijn op de wijze waarop huisartsen osteoporose registreren.

Kenmerken van osteoporose in de huisartspraktijk

Osteoporose is een chronische aandoening die niet altijd gepaard gaat met klachten. Het ontstaan van klachten (fracturen, rugpijn, verkromming van de wervelkolom) is soms een aanleiding de botdichtheid te meten. Sommige ouderen laten preventief de botdichtheid bepalen. Nadat de diagnose is gesteld, volgt vaak voorlichting door de huisarts, zonder verdere behandeling. Als wel een behandeling wordt ingesteld, is dat fysiotherapie of het voorschrijven van paracetamol, een NSAID, of andere medicijnen.

detailsSchattingsmethode incidentie en prevalentie 2007

detailsPrevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd en geslacht

Specifieke regels van de registraties voor het vastleggen van osteoporose

Hieronder worden enkele specifieke regels vermeld die de registraties hanteren bij het vastleggen van osteoporose.

CMR-Nijmegen e.o.

  • Geen specifieke opmerkingen.

LINH

  • Mogelijk worden in de 1-jaarsregistratieperiode niet alle prevalente gevallen geregistreerd, bijv. patiënten die in het verleden een osteoporotische fractuur opliepen.

RNUH-LEO

  • Voor zowel de prevalentie als incidentie gaat het om aantallen patiënten.
  • Voor zowel de prevalentie als incidentie zijn de cijfers afkomstig van de probleemlijstregistratie. Op de probleemlijst worden over het algemeen alleen langdurige problemen geregistreerd.
  • De cijfers zijn exclusief osteopenie.

Transitieproject

  • Geen specifieke opmerkingen.

11 mei 2009
Ziekten en aandoeningen
Omvang van het probleem
Schattingsmethode incidentie en prevalentie 2007

Gegevens afkomstig van vijf huisartsenregistraties

De schattingen voor de prevalentie en incidentie in 2007 zijn gebaseerd op de gegevens van vijf huisartsenregistraties:

  1. CMR-Nijmegen e.o.
  2. LINH
  3. RNH
  4. RNUH-LEO
  5. Transitieproject

In deze huisartsenregistraties wordt voor alle personen in de deelnemende huisartsenpraktijken geregistreerd welke ziekten zij gedurende een kalenderjaar krijgen of al hebben. De wijze waarop een ziekte wordt geregistreerd is niet altijd gelijk in alle registraties. Daarom is voor iedere afzonderlijke ziekte gekeken welke registraties geschikt zijn voor het schatten van de incidentie en prevalentie. Op basis van de gegevens van deze registraties zijn de incidentie en prevalentie van de betreffende ziekte geschat. Meer informatie over de registraties, de wijze van registreren en de keuze van registraties per ziekte is te vinden in detailsAchtergrond bij keuze van huisartsenregistraties voor incidentie- en prevalentieschatting.

In de analyses zijn de volgende data gebruikt: aantal personen in de registratie, aantal personen met de ziekte op 1 januari 2007 (puntprevalentie) en aantal nieuwe geregistreerde gevallen in 2007 (incidentie). Alle gegevens zijn gespecificeerd naar geslacht en 18 leeftijdsklassen (0-4, 5-9, 10-14, ..., 85+).

Schattingen gemaakt op basis van een regressiemodel

Voor zowel de incidentie als de prevalentie geldt dat er een verband is met leeftijd en vaak ook met geslacht. Met behulp van een regressiemodel is een functie gezocht die deze relatie het best beschrijft. Om een schatting te maken van de incidentie en prevalentie in 2007 is een regressiemodel gefit op de data met een zogenaamde random intercept per registratie. Deze random intercept vangt als het ware de verschillen tussen de registraties.

Schattingen van de incidentie en prevalentie zijn gemaakt met behulp van voorspellingen van de ‘optimale’ regressiemodellen voor de gemiddelde registratie. De relatieve prevalenties op 1 januari 2007 (puntprevalenties) zijn vermenigvuldigd met de bevolkingsaantallen op 1 januari 2007 om een totaalschatting voor Nederland te maken. De relatieve incidenties voor 2007 zijn vermenigvuldigd met gemiddelde bevolkingsaantallen in 2007 om een totaalschatting voor Nederland te maken. Jaarprevalentie is gedefinieerd als de som van de puntprevalentie en de incidentie. Schattingen van onzekerheid rondom de schatting van de jaarprevalentie zijn verkregen via een Monte Carlo simulatie en zijn op te vatten als een 95%-betrouwbaarheidsinterval (Baan et al., 2009c).


Bronnen

Literatuur

Baan CA, van Baal PH, Jacobs-van der Bruggen MA, Verkley H, Poos MJ, Hoogenveen RT, Schoemaker CG. Diabetes mellitus in Nederland: schatting van de huidige ziektelast en prognose voor 2025. [Diabetes mellitus in the Netherlands: estimate of the current disease burden and prognosis for 2025].  Ned Tijdschr Geneeskd 2009c; 153(22): 1052-8
Barrett-Connor E, Grady D, Sashegyi A, Anderson PW, Cox DA, Hoszowski K, et al. Raloxifene and cardiovascular events in osteoporotic postmenopausal women: four-year results from the MORE (Multiple Outcomes of Raloxifene Evaluation) randomized trial.  JAMA, 2002; 287: 847-57.
Black DM, Arden NK, Palermo L, Pearson J, Cummings SR. Prevalent vertebral deformities predict hip fractures and new vertebral deformities but not wrist fractures. Study of Osteoporotic Fractures Research Group.  J Bone Miner Res 1999; 14: 821-8.
Black DM, Cummings SR, Karpf DB, Cauley JA, Thompson DE, Nevitt MC, et al. Randomised trial effect of alendronate on risk of fracture in women with existing vertebral fractures.  Lancet 1996; 348: 1535-41.
Burger H, Daele PLA van, Algra D, Hofman A, Grobbee DE, Schütte HE, et al. Vertebral deformities as predictors of non-vertebral fractures.  BMJ 1994b; 309: 991-2.
Burger H, Daele PLA van, Grashuis K, Hofman A, Grobbee DE, Schütte HE, et al. Vertebral deformities and functional impairment in men and woman.  J Bone Miner Res 1997; 12: 152-7.
Cauley JA, Cummings SR, Seeley DG, Black D, Browner W, Kuller LH, et al. Effects of thiazide diuretic therapy on bone mass, fractures, and falls. The Study of Osteoporotic Fractures Research Group.  Ann Intern Med 1993; 118: 666-73.
Cauley JA, Norton L, Lippman ME, Eckert S, Krueger KA, Purdie DW, et al. Continued breast cancer risk reduction in postmenopausal women treated with raloxifene: 4-year results from the MORE trial. Multiple outcomes of raloxifene evaluation.  Breast Cancer Res Treat 2001; 65: 125-34.
CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg. Osteoporose: Tweede Herziene Richtlijn.  Utrecht: CBO, 2002a.
Clemons M, Goss P. Estrogen and the risk of breast cancer.  N Engl J Med 2001; 344: 276-85.
Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and hormone replacement therapy: collaborative reanalysis of data from 51 epidemiological studies of 52,705 women with breast cancer and 108,411 women without breast cancer.  Lancet 1997; 350: 1047-59.
Cooper C, Atkinson EJ, O'Fallon WM, Melton LJ III. Incidence of clinically diagnosed vertebral fractures: a population-based study in Rochester, Minnesota, 1985-1989.  J Bone Miner Res 1992b; 7: 221-7.
Cummings SR, Black DM, Nevitt MC, et al. Bone density at various sites for prediction of hip fractures. The Study of Osteoporotic Fractures Research Group.  Lancet 1993; 341: 72-5.
Cummings SR, Black DM, Thompson DE, Applegate WB, Barrett-Connor E, Musliner TA, et al. Effect of alendronate on risk of fracture in women with low bone density but without vertebral fractures: results from the Fracture Intervention Trial.  JAMA 1998; 280: 2077-82.
Cummings SR, Kelsey JL, Nevitt MC, O'Dowd KJ. Epidemiology of osteoporosis and osteoporotic fractures.  Epidemiol Rev 1985; 7: 178-205.
CVZ, College voor Zorgvezekeringen. Farmacotherapeutisch Kompas.  Diemen, 2008.
Delmas PD, Bjarnason NH, Mitlak BH, Ravoux AC, Shah AS, Huster WJ, et al. Effects of raloxifene on bone mineral density, serum cholesterol concentrations, and uterine endometrium in postmenopausal women.  N Engl J Med, 1997; 337: 1641-7.
EC, European Commission. Rapport over osteoporose in de Europese Gemeenschap, Preventief handelen.  Luxemburg: Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 1999.
EPOS, The European Prospective Osteoporosis Study Group. Incidence of vertebral fracture in Europe: results from the European Prospective Osteoporosis Study (EPOS).  Journal of Bone and Mineral Research 2002; 17(4): 716-724.
Ettinger B, Black DM, Mitlak BH, Knickerbocker RK, Nickelsen T, Genant HK, et al. Reduction of vertebral fracture risk in postmenopausal women with osteoporosis treated with raloxifene: results from a 3-year randomized clinical trial. Multiple Outcomes of Raloxifene Evaluation (MORE) Investigators.  JAMA 1999; 282: 637-45.
Ettinger B, Genant HK, Cann CE. Long-term estrogen replacement therapy prevents bone loss and fractures.  Ann Intern Med 1985; 102: 319-24.
Gezondheidsraad. Preventie van osteoporose.  Den Haag: Gezondheidsraad, 1991a.
Gold DT. The clinical impact of vertebral fractures: quality of life in women with osteoporosis.  Bone 1996; 18: 185S-189S.
Harris ST, Watts NB, Genant HK, McKeever CD, Hangartner T, Keller M, et al. Effects of risedronate treatment on vertebral and nonvertebral fractures in women with postmenopausal osteoporosis: a randomized controlled trial. Vertebral Efficacy With Risedronate Therapy (VERT) Study Group.  JAMA, 1999; 282: 1344-52.
Ioannidis JP, Ralston SH, Bennett ST, Brandi ML, Grinberg D, Karassa FB, et al. Differential genetic effects of ESR1 gene polymorphisms on osteoporosis outcomes.  JAMA, 2004 ; 292(17): 2105-2114.
Jacobs HS. Hormone replacement therapy and breast cancer.  Endocr Relat Cancer 2000; 7: 53-61.
Johnell O, Kanis JA. An estimate of the worldwide prevalence and disability associated with osteoporotic fractures.  Osteoporos Int, 2006; 17: 1726-1733.
Kanis JA. Assessment of fracture risk and its application to screening for postmenopausal osteoporosis: synopsis of a WHO report. WHO Study Group.  Osteoporos Int 1994; 4: 368-81.
Klift M van der, Laet CEDH de, McCloskey EV, Hofman A, Pols HAP. The incidence of vertebral fractures in men and women: The Rotterdam Study.  J Bone Miner Res, 2002; 17: 1051-6.
Laet CE de, Klift M van der, Hofman A, Pols HAP. Osteoporosis in men and women: a story about bone mineral density thresholds and hip fracture risk.  J Bone Miner Res 2002; 17: 2231-6.
Laet CEDH de, Hout BA van, Burger H, Hofman A, Pols HAP. Bone density and risk of hip fracture in men and women: cross sectional analysis.  BMJ 1997; 315: 221-225.
Laet CEDH de, Hout BA van, Pols HAP. Osteoporosis in The Netherlands.  IMTA publications, 1996a.
Lane NE, Haupt D, Kimmel DB, Modin G, Kinney JH. Early estrogen replacement therapy reverses the rapid loss of trabecular bone volume and prevents further deterioration of connectivity in the rat.  J Bone Miner Res 1999; 14: 206-14.
Law MR, Wald NJ, Meade TW. Strategies for prevention of osteoporosis and hip fracture.  BMJ 1991b; 303: 453-9.
Lufkin EG, Whitaker MD, Nickelsen T, Argueta R, Caplan RH, Knickerbocker RK, et al. Treatment of established postmenopausal osteoporosis with raloxifene: a randomized trial.  J Bone Miner Res, 1998; 13: 1747-54.
Marshall D, Johnell O, Wedel H. Meta-analysis of how well measures of bone mineral density predict occurrence of osteoporotic fractures.  BMJ 1996; 312: 1254-59.
McClung MR, et al. Effect of risedronate on the risk of hip fracture in elderly women. Hip Intervention Program Study Group.  N Engl J Med, 2001; 344(5): 333-40.
Melton LJ 3rd, Kan SH, Frye MA, Wahner HW, O'Fallon WM, Riggs BL. Epidemiology of vertebral fractures in women.  Am J Epidemiol 1989; 129: 1000-11.
Michaelsson K, Baron JA, Farahmand BY, Johnell O, Magnusson C, Persson PG, et al. Hormone replacement therapy and risk of hip fracture: population based case-control study. The Swedish Hip Fracture Study Group.  BMJ, 1998; 316: 1858-63.
Naessen T, Persson I, Adami HO, Bergstrom R, Bergkvist L. Hormone replacement therapy and the risk for first hip fracture. A prospective, population-based cohort study.  Ann Intern Med 1990; 113: 95-103.
Nelson HD, Humphrey LL, Nygren P, Teutsch SM, Allan JD. Postmenopausal hormone replacement therapy: scientific review.  JAMA 2002a; 288: 872-81.
Nevitt MC, Ettinger B, Black DM, Stone K, Jamal SA, Ensrud K, et al. The association of radiographically detected vertebral fractures with back pain and function: a prospective study.  Ann Intern Med, 1998; 128: 793-800.
Oleksik A, Lips P, Dawson A, Minshall ME, Shen W, Cooper C. Health-related quality of life in postmenopausal women with low BMD with or without prevalent vertebral fractures.  J Bone Miner Res 2000; 15: 1384-92.
O'Neill TW, Felsenberg D, Varlow J, Cooper C, Kanis JA, Silman AJ. The prevalence of vertebral deformity in European men and women: the European vertebral osteoporosis study.  J Bone Miner Res 1996; 11: 1010-1018.
Orwoll E, Ettinger M, Weiss S, Miller P, Kendler D, Graham J, et al. Alendronate for the treatment of osteoporosis in men.  N Engl J Med, 2000; 343: 604-10.
Pols HA, Felsenberg D, Hanley DA, Stepan J, Munoz-Torres M, Wilkin TJ, et al. Multinational, placebo-controlled, randomized trial of the effects of alendronate on bone density and fracture risk in postmenopausal women with low bone mass: results of the FOSIT study. Foxamax International Trial Study Group.  Osteoporos Int, 1999; 9: 461-8.
Poos MJJC, Smit JM, Groen J, Kommer GJ, Slobbe LCJ. Kosten van ziekten in Nederland 2005. RIVM-rapport nr. 270751019.  Bilthoven: RIVM, 2008.
Ralston SH, Uitterlinden AG, Brandi ML, Balcells S, Langdahl BL, Lips P, et al. Large-scale evidence for the effect of the COLIA1 Sp1 polymorphism on osteoporosis outcomes: the GENOMOS study.  PLoS Medicine, 2006 ; 3(4): e90.
Reginster J, Minne HW, Sorensen OH, Hooper M, Roux C, Brandi ML, et al. Randomized trial of the effects of risedronate on vertebral fractures in women with established postmenopausal osteoporosis. Vertebral Efficacy with Risedronate Therapy (VERT) Study Group.  Osteoporos Int, 2000; 11(1): 83-91.
Richards JB, Rivadeneira F, Inouye M, Pastinen TM, Soranzo N, Wilson SG, et al. Genome-Wide Association Study Reveals Genetic Variants Associated with Bone Mineral Density, Osteoporosis and Osteoporotic Fractures.  The Lancet, 2008; 371: 1505-1512.
Ross PD, Davis JW, Epstein RE, et al. Pre-existing fractures and bone mass predict vertebral fracture incidence in women.  Ann Intern Med 1991; 114: 919-923.
Ross PD, Genant HK, Davis JW, Miller PD, Wasnich RD. Predicting vertebral fracture incidence from prevalent fractures and bone density among non-black, osteoporotic women.  Osteoporos Int 1993; 3: 120-6.
Ross PD. Clinical consequences of vertebral fractures.  Am J Med 1997; 103: 30S-42S; discussion 42S-43S.
Styrkarsdottir U, Halldorsson BV, Gretarsdottir S, Gudbjartsson DF, Walters GB, Ingvarsson T, et al. Multiple genetic loci for bone mineral density and fractures.  New England Journal of Medicine, 2008 ; 358(22): 2355-2365.
Uitterlinden AG, Ralston SH, Brandi ML, Carey AH, Grinberg D, Langdahl BL, et al. The association between common vitamin D receptor gene variations and osteoporosis: a participant-level meta-analysis.  Annals of Internal Medicine, 2006 ; 145(4): 255-264.
Van Meurs JB, Trikalinos TA, Ralston SH, Balcells S, Brandi ML, Brixen K, et al. Large-scale analysis of association between LRP5 and LRP6 variants and osteoporosis.  JAMA, 2008 ; 299(11): 1277-1290.
Writing Group for the PEPI Trial. Effects of hormone therapy on bone mineral density: results from the postmenopausal estrogen/progestin interventions (PEPI) trial. The Writing Group for the PEPI.  JAMA, 1996; 276: 1389-96.

Gegevensbronnen

CBS Doodsoorzakenstatistiek. Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
CBS-Statline. Statistieken gezondheidstoestand.
CMR-Nijmegen e.o.. Continue Morbiditeits Registratie Nijmegen (UMC St. Radboud, afdeling Huisartsgeneeskunde, Nijmegen)
ERGO. ERGO-onderzoek (Erasmus Universiteit Rotterdam)
Kosten van Ziektenstudie, 2008.
LINH. Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (NIVEL)
LMR. Landelijke Medische Registratie (Prismant).
RNH. Registratienet Huisartsenpraktijken (Universiteit Maastricht, capaciteitgroep Huisartsgeneeskunde)
RNUH-LEO. Registratie Netwerk Universitaire Huisartspraktijken Leiden en Omstreken (LUMC).
Transitieproject. Transitieproject (UvA, Vakgroep Huisartsgeneeskunde).
WHO, 2008. World Health Organization Collaborating Centre for Metabolic Bone Diseases

Begrippen

Afkortingen

EU   Europese unie
ICD   International Classification of Diseases
ICPC   International classification of primary care
NSAID   Non-steroidal anti-inflammatory drug
SD   Standaarddeviatie
SEH   Spoedeisende hulp
WHO   World Health Organization

Definities

Incidentie   Het aantal nieuwe gevallen van of nieuwe personen met een bepaalde ziekte in een bepaalde periode, absoluut of relatief.
Prevalentie   Het aantal gevallen of personen met een bepaalde ziekte op een bepaald moment (punt-prevalentie) of in een bepaalde periode, bijvoorbeeld per jaar (periode-prevalentie), absoluut of relatief.
Standaardisatie   Het vergelijkbaar maken van cijfers (bijvoorbeeld sterftecijfers) die betrekking hebben op verschillende jaren of populaties, door rekening te houden met verschillen in bijvoorbeeld leeftijdsverdeling. Een veel gebruikte methode is zogenaamde 'directe standaardisatie', die de leeftijdsspecifieke cijfers van een populatie (de 'indexpopulatie') toepast op de leeftijdsverdeling van een gekozen 'standaardpopulatie'.