Het aantal mensen met de ziekte van Parkinson (waaronder hier wordt verstaan: ziekte van Parkinson en ander parkinsonisme) wordt in 2003 geschat op 25.500 (11.700 mannen en 13.800 vrouwen). Deze schatting is gebaseerd op huisartsenregistraties. Daarnaast waren er in 2003 circa 2.200 personen met deze ziekte opgenomen in verpleeghuizen. Op basis van eerdere schattingen die gebaseerd zijn op bevolkingsonderzoek is het aantal personen met de ziekte van Parkinson waarschijnlijk een factor 2 tot 2,5 hoger. Recente gegevens uit bevolkingsonderzoek zijn niet beschikbaar. In 2003 kregen naar schatting 5.000 personen de ziekte van Parkinson (2.700 mannen en 2.300 vrouwen). In 2005 stierven 518 mannen en 506 vrouwen met de ziekte van Parkinson als primaire doodsoorzaak .
Internationale vergelijkingen worden bemoeilijkt door verschillende diagnosecriteria, maar op basis van de beschikbare gegevens is de prevalentie niet afwijkend van die in andere Europese landen.
Geen trend in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson
Op basis van de gegevens van een huisartsenregistratie is in de periode 1990-2004 geen trend in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson waarneembaar.
In de periode 1993-2005 is de sterfte bij personen met de ziekte van Parkinson ongeveer gelijk gebleven. In de periode van 10 jaar voorafgaand aan 1993 lag de sterfte op een beduidend hoger niveau.
Oorzaak van de ziekte van Parkinson nog grotendeels onbekend
De oorzaak en ontstaanswijze van de ziekte van Parkinson zijn nog grotendeels onbekend. Waarschijnlijk spelen niet-genetische factoren een rol, in interactie met genen die de gevoeligheid voor de ziekte bepalen. Roken zou beschermend werken, wat wordt toegeschreven aan de werking van nicotine.
68% van de kosten van Parkinson naar ouderenzorg
Het grootste deel van de kosten van de ziekte van Parkinson (68%) is toe te schrijven aan de sector ouderenzorg. De totale kosten voor de ziekte bedroegen 177 miljoen euro in 2005. De verdeling van de kosten is gelijk over mannen en vrouwen.
Toename van het aantal Parkinsonpatiënten verwacht
Op basis van alleen demografische ontwikkelingen is de verwachting dat het absoluut aantal personen met de ziekte van Parkinson in de periode 2005-2025 zal toenemen met circa 47%.
Zowel de levensverwachting als de kwaliteit van leven van patiënten zal naar verwachting toenemen. Dat komt door verbeterde behandeling en betere zorg aan huis, en door de toenemende aandacht voor psychosociale aspecten van de aandoening.
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat is de ziekte van Parkinson en wat is het beloop?
Parkinson kenmerkt zich door motorische en niet-motorisch symptomen
Bij de ziekte van Parkinson kunnen motorische en niet-motorische symptomen worden onderscheiden: Motorische symptomen bestaan uit beven (tremor), stijfheid (rigiditeit), bewegingsvertraging (brady- of hypokinesie) en een gestoorde houdingsbalans.
Niet-motorische verschijnselen kunnen zich vroeger of later in het beloop van de ziekte manifesteren. Hieronder vallen:
autonome verschijnselen: een plotselinge bloeddrukdaling bij het gaan staan, blaasledigingsproblemen, erectiestoornissen, speekselvloed en verhoogde transpiratie;
psychiatrische stoornissen: apathie, lusteloosheid, depressie, dementering en hallucinaties.
In tabel 1 is een aantal symptomen en hun gevolgen beschreven. Op den duur leiden deze gevolgen tot ernstige invaliditeit.
Uit onderzoek waarin de kwaliteit van leven is gemeten met behulp van de EQ-5D-vragenlijst, bleek dat patiënten ook relatief veel pijn hebben (Rijken et al., 1999).
Ziektebeeld veroorzaakt door verlies van zenuwcellen
De ziekte van Parkinson is een progressief verlopende aandoening, waarbij een verlies optreedt van zenuwcellen die dopamine als neurotransmitter hebben. Deze zenuwcellen worden normaal gekenmerkt door een zwarte substantie (substantia nigra). In de cellen die overblijven zijn kenmerkende roze kleurende insluitlichaampjes (Lewy-lichaampjes) aanwezig (Koller, 1992; Tanner, 1992). Deze lichaampjes kunnen ook verder verbreid in het centrale en autonome zenuwstelsel worden gevonden. De ziekte van Parkinson berust niet alleen op een degeneratie van zenuwcellen van de substantia nigra (dopamine deficientie-syndroom). Degeneratie treedt op in meerdere hersenkernen. Dit kan leiden tot een gebrek aan andere neurotransmitters dan dopamine, zoals serotonine, acetylcholine en noradrenaline (Braak et al., 1996).
Gevoeligheid voor het krijgen van de ziekte genetisch bepaald
Er zijn sterke aanwijzingen dat er een genetische gevoeligheid bestaat voor het verkrijgen van de ziekte van Parkinson (Van de Warrenburg et al., 2007). Er zijn genafwijkingen gevonden bij familiaire vormen, zowel autosomaal dominant als recessief, maar ook in een klein percentage van sporadisch voorkomende ziektegevallen.Zie ook: Welke factoren beïnvloeden de kans op de ziekte van Parkinson?
Ziekte van Parkinson onderverdeeld naar oorzaak
Men spreekt van parkinsonisme of ‘hypokinetisch-rigide syndroom’ wanneer van de motorische verschijnselen de bewegingsvertraging en ten minste een van de andere motorische verschijnselen kunnen worden vastgesteld. Volgens de ICD-9 kan de ziekte van Parkinson worden onderverdeeld in primair of idiopathisch parkinsonisme en secundair parkinsonisme. In de ICD-10 is de term 'ziekte van Parkinson' alleen van toepassing op primair parkinsonisme, het complex van symptomen waarvoor geen oorzaak bekend is (zie tabel 2). Bij secundair parkinsonisme treden deze verschijnselen op als gevolg van het gebruik van bepaalde geneesmiddelen of toxische stoffen (bijvoorbeeld koolmonoxidevergiftiging) of als gevolg van andere (neurodegeneratieve) aandoeningen van de hersenen. In deze bijdrage in het Kompas wordt de ICD-10 gehanteerd. Binnen de groep van primair parkinsonisme is de verdeling in de ziekte van Parkinson en parkinsonisme van belang voor de behandeling en prognose. Tot parkinsonisme worden multipele systeem atrofie (MSA) en progressieve supranucleaire verlamming (PSP) gerekend. De behandelingsmogelijkheden, het beloop en de levensverwachting van de ziekte van Parkinson zijn duidelijk beter dan voor de andere vormen van primair parkinsonisme (Wolters & Laar, 2003).
Tabel 1: Symptomen en gevolgen van de ziekte van Parkinson.
Secundair parkinsonisme ten gevolge van medicijngebruik, toxische stoffen of bij aandoeningen die niet elders in de ICD geclassificeerd kunnen worden
G21
332.1
Parkinsonisme bij elders in de ICD geclassificeerde ziekten
G22
332.1
Beloop
Symptomen ontstaan na versnelde en jarenlange afbraak hersencellen
De eerste fase in de ziekte van Parkinson is de preklinische fase. Met het ouder worden neemt het aantal zenuwcellen af. Verschijnselen van de ziekte van Parkinson ontstaan als het aantal dopaminerge zenuwcellen in de substantia nigra verminderd is tot ongeveer 40% van het oorspronkelijke aantal. Waarschijnlijk is er sprake van een versnelde afbraak van deze hersencellen en is dit proces al 4 tot 5 jaar aan de gang voordat de ziekte zich openbaart. Een andere mogelijkheid is dat er in het verleden een voorval met versneld celverlies heeft plaatsgevonden, gevolgd door het normale hersencelafbraakproces. Na de preklinische fase volgt de klinische fase, die op zijn beurt weer bestaat uit:
de vóórfase: in deze fase zijn er vage, aspecifieke klachten waaronder snel vermoeid zijn, pijnen, prikkelingen en/of verlamde gevoelens in armen of benen, onzeker looppatroon, traagheid in handelen en depressiviteit;
de manifeste fase: in deze fase – die meestal meer dan een jaar na het begin van de vóórfase optreedt – worden de kenmerkende verschijnselen van de ziekte van Parkinson zichtbaar. Daarnaast kan er na verloop van tijd ook verhoogde transpiratie, bloeddrukdaling bij het gaan staan en obstipatie optreden. Vaak ontstaan er depressieve gevoelens en dementering. Het ziektebeeld varieert sterk in uitingsvorm, ernst en mate van progressie. Genezing van de ziekte van Parkinson is niet beschreven.
Hoge leeftijd en vroege balans- en loopstoornis indicatief voor beloop
Hoge leeftijd bij het begin van de ziekte en vroeg optreden van balans- en loopstoornissen hebben een grote voorspellende waarde voor progressie naar ernstige handicap en invaliditeit (Maras et al., 2002; Post et al., 2007).
Twee tot driemaal zo vaak psychische problemen
Onder parkinsonpatiënten komt psychische problematiek (vastgesteld met de GHQ-12) twee- tot driemaal vaker voor dan in de algemene bevolking. Ook psychische stoornissen, waarbij is voldaan aan de DSM-criteria, komen vaak voor. De Rijk & Bijl vonden dat ongeveer 40% van de parkinsonpatiënten in de maand voorafgaand aan de meting een psychische stoornis had doorgemaakt. Angststoornissen en cognitieve stoornissen komen vaker voor dan in de algemene bevolking, afhankelijkheid van alcohol, drugs of medicijnen en depressieve stoornissen minder. Depressieve symptomen die niet voldoen aan de DSM-criteria voor een depressieve stoornis, komen wél vaker voor, evenals psychotische symptomen. Deze laatste waarschijnlijk vooral als bijwerking van anti-Parkinsonmedicatie (De Rijk & Bijl, 1996; De Rijk & Bijl, 1998).
Verhoogd risico van dementie
Patiënten die in de periode 1980-1982 vanwege de ziekte van Parkinson opgenomen zijn geweest in een ziekenhuis, psychiatrisch ziekenhuis of verpleeghuis, of die in dagbehandeling zijn geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of verpleeghuis, zijn acht jaar gevolgd in de bestanden van de LMR, PIGGz en SIVIS (Breteler et al., 1995b). Ze bleken een driemaal hoger risico te hebben om opgenomen te worden of in dagbehandeling te komen vanwege dementie dan een controlegroep. Vooral op relatief jonge leeftijd (50-54 jaar) was het risico sterk verhoogd. In een cross-sectioneel onderzoek op basis van ERGO-gegevens werd gevonden dat dementie drie keer zo vaak voorkwam onder patiënten met de ziekte van Parkinson dan onder personen zonder de ziekte van Parkinson (De Rijk et al., 1995).
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Welke factoren beïnvloeden de kans op de ziekte van Parkinson?
Determinanten nog grotendeels onbekend
De determinanten van de ziekte van Parkinson zijn nog grotendeels onbekend. Hoewel er sprake lijkt van vele en zeer diverse potentiële risicofactoren, zijn deze waarschijnlijk terug te voeren op een beperkt aantal moleculaire mechanismen die uiteindelijk leiden tot dopaminerge celdood. De belangrijkste mechanismen voor het ontstaan van de ziekte zijn (Greenamyre & Hastings, 2004, De Lau, 2005):
mitochondriële disfunctie: het niet goed functioneren van mitochondria;
oxidatieve schade: schade aan lichaamcellen en -weefsels die veroorzaakt wordt door zuurstof;
stoornissen in een systeem verantwoordelijk voor afbraak en eliminatie van afwijkende of beschadigde eiwitten uit lichaamscellen (ubiquitine-proteasoom systeem).
Waarschijnlijk spelen niet-genetische factoren een rol, in interactie met genen die de gevoeligheid voor de ziekte bepalen (De Lau & Breteler, 2006).
Genetische factoren verantwoordelijk voor familiaire Parkinson
Sinds 1997 zijn enkele genmutaties ontdekt die verantwoordelijk zijn voor familiaire vormen van de ziekte van Parkinson. Het aandeel van deze monogenetisch bepaalde varianten wordt geschat op slechts 10% van alle ziektegevallen. In de overige gevallen wordt de ziekte beschouwd als een aandoening die het gevolg is van wisselwerking tussen diverse genetische en niet-genetische risicofactoren (De Lau & Breteler, 2006).
Gevoeligheid voor risicofactoren mogelijk genetisch bepaald
Rokers hebben minder kans op het ontwikkelen van Parkinson
Vele epidemiologische bevolkingsonderzoeken hebben een verlaagd risico aangetoond voor het ontstaan van de ziekte van Parkinson onder rokers. De biologische mechanismen die tot dit beschermende effect van roken leiden zijn onbekend. Waarschijnlijk speelt nicotine hierbij een belangrijke rol, door een stimulerend effect op de afgifte van dopamine, als een anti-oxidant of door de invloed van nicotine op de activiteit van monoamine oxidase B (De Lau & Breteler, 2006).
Vitamine E in voeding mogelijk beschermend
Anti-oxidanten in voeding zouden het risico voor het ontstaan van de ziekte van Parkinson kunnen verminderen. In het ERGO-onderzoek is voor vitamine E een significante en dosisafhankelijke associatie gevonden met het vóórkomen van de ziekte van Parkinson: hoe meer vitamine E in de voeding, des te lager de kans op de ziekte van Parkinson. Deze associatie is niet bevestigd door ander (prospectief) onderzoek (De Lau & Breteler, 2006). Voor andere anti-oxidanten dan vitamine E werden geen significante verbanden gevonden (De Rijk et al., 1997c; De Lau & Breteler, 2006).
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
De ziekte, de determinanten en de zorg voor de patiënt
Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?
Diagnostiek gebaseerd op klinisch beeld
De diagnose ziekte van Parkinson wordt gesteld op basis van het klinische beeld. Belangrijke waarnemingen zijn een eenzijdig begin van het beven en de bewegingsvertraging, een ontbreken van andere neurologische symptomen en een gunstige reactie op een proefbehandeling met het middel L-dopa. L-dopa is een tussenproduct in de aanmaak van dopamine in het lichaam. Kernsymptomen zijn beven, stijfheid, bewegingsvertraging en een gestoorde houdingsbalans. Om belangrijke oorzaken (infarcten, tumoren) uit te sluiten, wordt vaak uitgebreidere diagnostiek verricht. Bij onzekerheid over de diagnose kan een PET- of SPECT-scan worden gemaakt. Hiermee is het mogelijk een aantal biochemische eigenschappen van het hersenweefsel specifiek en (semi)kwantitatief te meten.
Behandeling gericht op symptoombestrijding
De behandeling van de ziekte van Parkinson is nog niet gericht op genezing (curatief), maar op symptoombestrijding. Sinds 1967 staat het middel L-dopa daarin centraal. Na 1985 zijn verschillende dopamineagonisten (geneesmiddelen die de werking van dopamine bevorderen) geïntroduceerd. Mede door het optreden van bijwerkingen zijn de toedieningsvorm en de samenstelling van de preparaten herhaaldelijk gewijzigd. De dopaminerge therapie heeft tot een verbetering van de levensverwachting en de kwaliteit van leven geleid. De levensverwachting is echter korter dan die van de algemene bevolking. De gemiddelde levensduur na het stellen van de diagnose wordt geschat op 10,1 tot 12,4 jaren (Beyer et al., 2001; Fall et al., 2003).
Doorgaans worden patiënten met secundair parkinsonisme op dezelfde wijze behandeld als patiënten met de ziekte van Parkinson. De medicatie is bij secundair parkinsonisme echter minder effectief.
Op den duur problemen door bijwerkingen medicatie
De meeste patiënten ondervinden na een ziekteduur van tien jaar vaak complicaties van de medicatie, zoals:
bewegingsstoornissen;
het onvoorspelbaar plotseling omslaan van een toestand van normale bewegingsmogelijkheid in een toestand met onwillekeurige schokkende bewegingen of sterk verminderde bewegingsmogelijkheid;
psychische bijwerkingen zoals hallucinaties.
Door een intensief contact tussen patiënt en behandelaar kan vaak nog jarenlang een bevredigende leefsituatie voor de patiënt en diens directe omgeving worden bereikt. Hierbij is monitoring en eventuele aanpassing van de medicamenteuze therapie belangrijk.
Ook chirurgisch ingrijpen mogelijk
Continue elektrische stimulatie van diep gelegen hersenstructuren is een behandelingsmogelijkheid voor patiënten waarbij medicijnen onvoldoende werkzaam zijn. Er worden elektroden in de hersenen ingebracht, die met een onderhuidsgelegen stimulatiebron worden verbonden. Hierdoor kan de activiteit van bepaalde hersendelen (‘nucleus subthalamicus’ en ‘globus pallidus’) door continue elektrische prikkeling worden beïnvloed. Er kan een verbetering van de motorische verschijnselen van de ziekte van Parkinson worden bewerkstelligd met daarbij vaak een vermindering van de medicijnen. De patiënt kan zelf de onderhuidsgelegen stimulator aan- en uitzetten (Speelman, 1991; Speelman & Bosch, 1995; Speelman et al., 2001).
Nieuwe behandelmogelijkheden nog in experimenteel stadium
In experimenteel onderzoek tracht men inzicht te krijgen in de mogelijkheden om de steuncellen (microglia) rond de aangetaste hersendelen te stimuleren met behulp van ‘zenuw groeifactoren’. De resultaten van onderzoek naar transplantatie van foetaal hersenweefsel zijn omstreden. Bij eventuele transplantatie van niet-humaan hersenweefsel zullen ernstige immunologische problemen opgelost moeten worden evenals transmissie van virusziekten. De toepassing van groeifactoren en gentherapie is nog in een experimenteel stadium.
Veel paramedische aandacht door activiteiten patiëntenplatform
In diverse paramedische beroepen (diëtetiek, fysiotherapie, oefentherapie, ergotherapie en logopedie) is de belangstelling en kennis van de ziekte van Parkinson aanmerkelijk toegenomen. Dat is mede gekomen door de activiteiten van het Landelijk Overleg ziekte van Parkinson, het patiëntenplatform voor de ziekte van Parkinson (Aalbersberg, 1995).
In het kader van implementatie van de KNGF-richtlijn worden in Nederland fysiotherapie-netwerken gevormd voor de behandeling van de ziekte van Parkinson (KNGF, 2004). Daarnaast worden landelijke en regionale scholingen verzorgd gericht op de fysiotherapeutische behandeling van de ziekte van Parkinson.
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
Omvang van het probleem
Hoe vaak komt de ziekte van Parkinson voor en hoeveel mensen sterven eraan?
Huisartsenregistraties: 25.500 patiënten in 2003
Het aantal personen met de ziekte van Parkinson (jaarprevalentie) wordt geschat op 1,5 per 1.000 mannen en 1,7 per 1.000 vrouwen in 2003 (absoluut 11.700 mannen en 13.800 vrouwen). Deze schatting is gebaseerd op huisartsenregistraties. Met 'ziekte van Parkinson' wordt hier bedoeld: de ziekte van Parkinson en ander parkinsonisme.
Het aantal personen met parkinsonisme neemt toe met de leeftijd.
Aantal patiënten hoger op basis van epidemiologisch onderzoek
Uit eerdere schattingen is gebleken dat het aantal gevallen van parkinsonisme in epidemiologisch onderzoek een factor 2 tot 2,5 hoger is dan in huisartsenregistraties (Maas et al., 1997). Een mogelijke verklaring ligt in het geleidelijk progressieve ziektebeeld. Symptomen als trillen en traagheid van bewegen worden door zowel huisarts als patiënt vaak beschouwd als onderdeel van het normale verouderingsproces. Daardoor wordt de diagnose pas veel later gesteld of helemaal niet als de patiënt voortijdig overlijdt. Bovendien zijn de gehanteerde diagnostische criteria in de klinische praktijk mogelijk strenger dan in epidemiologisch bevolkingsonderzoek.
Recente gegevens afkomstig van bevolkingsonderzoek zijn niet beschikbaar.
Huisartsenregistraties: 5.000 nieuwe gevallen in 2003
Op basis van huisartsenregistraties wordt het aantal nieuwe gevallen van parkinsonisme (incidentie) geschat op 0,33 per 1.000 mannen en 0,28 per 1.000 vrouwen in 2003 (absoluut 2.700 mannen en 2.300 vrouwen).
Patiënten met parkinsonisme die langdurig zijn opgenomen in een verpleeghuis, zijn niet in de huisartsenregistraties meegeteld. Het aantal personen met parkinsonisme in een verpleeghuis wordt in 2003 geschat op 2.200. Deze schatting is gebaseerd op gegevens uit de Landelijke Zorgregistratie Verpleeghuizen (LZV) en van het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK).
In 2005 stierven 1.024 mensen aan parkinsonisme
In 2005 stierven 6,4 per 100.000 mannen en 6,1 per 100.000 vrouwen met parkinsonisme (ICD-10-code G20-22) als primaire doodsoorzaak. Absoluut waren dit 518 mannen en 506 vrouwen. Bij de sterftecijfers moet rekening worden gehouden met onderregistratie omdat parkinsonisme zelden de directe doodsoorzaak is. De patiënten overlijden doorgaans aan longcomplicaties, urineweginfecties en andere ouderdomsaandoeningen.
Neemt het aantal mensen met de ziekte van Parkinson toe of af?
Geen trend in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson
In de huisartsenregistratie RNH-Limburg is in de periode 1990-2004 geen duidelijke trend in het aantal gevallen van de ziekte van Parkinson waarneembaar (zie figuur 1).
Bij de weergegeven trend is gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdsopbouw en omvang van de Nederlandse bevolking.
Sterfte sinds 1993 ongeveer gelijk gebleven
In de periode 1993-2005 is de sterfte met als primaire doodsoorzaak parkinsonisme ongeveer gelijk gebleven. In de periode van bijna 10 jaar voorafgaand aan 1993 lag de sterfte op een hoger niveau (zie figuur 2). Over een langere periode bezien, blijkt de sterfte rond 1975 te zijn gedaald. Dit zou te danken zijn aan een langere overleving door introductie van het middel L-dopa. In de periode 1977-1990 is de sterfte echter gestegen. Deze stijging wordt toegeschreven aan de toenemende medische belangstelling voor het ziektebeeld en aan het overlijden van de eerste groep patiënten die behandeld werd met L-dopa (uitgestelde sterfte).
Naar verwachting toekomstige toename ziekte van Parkinson
Als gevolg van demografische ontwikkelingen wordt een flinke toename (47%) van het aantal personen met de ziekte van Parkinson verwacht, tussen 2005 en 2025.
De prognose betreft absolute aantallen en is uitsluitend gebaseerd op verwachte veranderingen in de leeftijdsopbouw en omvang van de Nederlandse bevolking volgens de CBS-bevolkingsprognose. Trends in andere demografische en niet-demografische factoren (bijvoorbeeld determinanten) zijn niet meegenomen.
Figuur 1: Jaarprevalentie van parkinsonisme (exclusief parkinsonisme door in-toxicatie of als bijwerking van geneesmiddelen) in de periode 1990-2004 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1991 is 100) (Bron: RNH-Limburg).
Figuur 2: Sterfte aan parkinsonisme (ICD-9 code 332, ICD-10 code G20-G22) in de periode 1980-2005; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 1990 en geïndexeerd (1980 is 100) (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).
22 september 2008
Ziekte van Parkinson
Omvang van het probleem
Welke zorg gebruiken patiënten en wat zijn de kosten?
Huisarts en neuroloog zorgen voor Parkinson-patiënt
De huisarts en de neuroloog zijn de zorgverleners die bij patiënten met de ziekte van Parkinson vooral de zorg verlenen. In het beginstadium van de ziekte zal de patiënt met lichamelijke klachten (stijfheid, etc.) naar de huisarts gaan. De huisarts kan de patient vervolgens voor diagnose doorverwijzen naar een neuroloog in het ziekenhuis. De bevestiging van de diagnose aan de hand van een aantal klinische criteria is de verantwoordelijkheid van de neuroloog (zie ook: Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling?). De neuroloog is ook de verantwoordelijke voor een behandeling met medicijnen. In de loop van het ziekteproces begeleidt zowel de huisarts als de neuroloog de patiënt.
Andere zorgverleners dan artsen
Parkinson is een ziekte die tot meerdere problemen kan leiden, waardoor er vaak ook meerdere zorgverleners bij de zorg betrokken zijn. In enkele ziekenhuizen zijn multidisciplinaire behandelteams gevormd, waar een revalidatiearts, gespecialiseerde parkinsonverpleegkundigen, een logopedist, een fysiotherapeut of oefentherapeut en een ergotherapeut deel van uitmaken. Zonodig worden patiënten door de neuroloog of huisarts naar een of meerdere van deze paramedici verwezen.
Bijna 1.500 ziekenhuisopnamen voor Parkinson in 2005
In 2005 werd 1.464 keer iemand opgenomen met de ziekte van Parkinson. Mensen met deze diagnose hadden in 2005 een gemiddelde opnameduur van ruim 16 dagen. Dagbehandelingen komen niet zoveel voor bij de ziekte van Parkinson. In 2005 werden in totaal 300 dagbehandelingen geteld (zie tabel 1).
Aantal klinische opnamen en opnameduur afgenomen
In de periode 1995-2005 is het aantal klinische opnamen voor de ziekte van Parkinson voor mannen met 19% en voor vrouwen met 42% gedaald. Het aantal klinische opnamedagen daalde nog harder omdat voor mannen de gemiddelde opnameduur met 37% daalde in de periode 1995-2005 en voor vrouwen met 31% (zie figuur 1).
Het aantal dagopnamen is in de periode 1999-2005 flink gestegen. Dit aantal blijft in vergelijking met andere ziekten echter laag. Er is vaak sprake van een dagopname wanneer patiënten worden ingesteld op nieuwe medicijnen of behandeld met 'diepe hersenstimulatie'. Er wordt in toenemende mate overgegaan op dagopnames voor korte observaties, om klinische opnames te vermijden.
Tabel 1: Aantal klinische opnamen en opnamedagen, gemiddelde opnameduur (in dagen) en aantal dagopnamen in 2005 voor de ziekte van Parkinson (Bron: LMR).
mannen
vrouwen
totaal
Klinische opnamen
839
625
1.464
Klinische opnamedagen
13.628
10.286
23.914
Gemiddelde opnameduur
16,2
16,5
16,3
Dagopnamen
159
141
300
Figuur 1: Ziekenhuisprevalentie, klinische opnamen, klinische opnamedagen en dagopnamena met de ziekte van Parkinson als hoofdontslagdiagnose in de periode 1995-2005; gecorrigeerd voor veranderingen in leeftijdssamenstelling en omvang van de bevolking en geïndexeerd (1995 is 100) (Bron: CBS-Statline en LMR).
a het indexcijfer voor het aantal dagopnamen voor de ziekte van Parkinson stijgt voor mannen naar 688 in 2005 (het indexcijfer is 591 in 2003 en 570 in 2004).
Kosten
177 miljoen euro voor de zorg voor Parkinson-patiënten
De kosten van de zorg voor de ziekte van Parkinson bedroegen 176,8 miljoen euro in 2005. Dat is 0,3% van de totale kosten voor de gezondheidszorg in Nederland en 4,6% van de totale kosten van de zorgkosten die gemaakt worden voor ziekten van het zenuwstelsel en de zintuigen (Poos et al., 2008). De kosten zijn gelijkmatig verdeeld over mannen en vrouwen (respectievelijk 51% en 49%). De kosten worden voornamelijk op hogere leeftijd gemaakt (zie figuur 2) omdat de ziekte van Parkinson vooral bij ouderen voorkomt. Het grootste deel (68%) van de kosten is toe te schrijven aan de sector ouderenzorg, 12% aan ziekenhuiszorg en medisch-specialistische zorg, 10% aan eerstelijnszorg en 7% aan genees- en hulpmiddelen (Kosten van Ziektenstudie).
Figuur 2: Kosten van de ziekte van Parkinson in 2005 uitgesplitst naar leeftijd en geslacht (Bron: Kosten van Ziektenstudie).
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
Geografische verschillen
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?
Internationale vergelijking prevalentie is lastig
Een internationale vergelijking van het aantal patiënten met Parkinson (prevalentie) is lastig, vanwege verschillende diagnosecriteria. Er is maar een beperkt aantal kwalitatief goede studies beschikbaar die een vergelijking van Europese prevalentiecijfers mogelijk maken. In een overzicht van deze studies varieerde de prevalentie voor een selectie van Europese landen van 108 tot 257 per 100.000 personen (Von Campenhausen et al., 2005). Het betreft hier de prevalentie over alle leeftijdsklassen. De prevalentie onder personen van 60 jaar en ouder varieerde van 1.280 tot 1.500 per 100.000. De prevalentie in Nederland bedroeg 1.400 per 100.000 en was gebaseerd op gegevens van het ERGO-bevolkingsonderzoek onder personen van 55 jaar en ouder (De Rijk et al., 1995b).
Europese studie laat geen grote verschillen in prevalentie zien
In de zogeheten Europarkinson-studie, waarbij de methodologie en diagnosecriteria gelijk waren, bleken er geen significante verschillen in prevalentie tussen de deelnemende landen. In het kader van deze studie zijn de prevalenties van vijf epidemiologische bevolkingsonderzoeken met elkaar vergeleken. Alleen in Frankrijk was de prevalentie iets lager. De lagere prevalentie in Frankrijk wordt mogelijk verklaard door het feit dat de diagnosecriteria in dit land iets minder streng waren en de screening iets afweek van de overige in de studie deelnemende landen (De Rijk et al., 1997a, De Rijk et al., 1997c).
De in het kader van de studie uitgevoerde onderzoeken zijn verricht in Nederland, Frankrijk, Spanje (tweemaal) en Italië. Het gemiddelde aantal personen van 55 jaar en ouder met de ziekte van Parkinson (inclusief secundair parkinsonisme; zie Wat is de ziekte van Parkinson en wat is het beloop?) bedroeg 23 per 1.000. Voor primair parkinsonisme bedroeg deze 16 per 1.000. Er was geen verschil tussen mannen en vrouwen, en de prevalentie nam toe met de leeftijd, zelfs tot op zeer hoge leeftijd. In Nederland (en Frankrijk) was de ziekte bij circa 88% van de patiënten al bekend. In Italië en Spanje bij 48-74%. Deze verschillen hebben mogelijk te maken met aspecten van de gezondheidszorg (vroege herkenning door Nederlandse huisartsen en verpleeghuisartsen, vroege verwijzing naar een neuroloog en een betere toegankelijkheid van de zorg).
Internationale vergelijking sterfte is niet mogelijk
Internationale vergelijking van sterftecijfers voor de ziekte van Parkinson is niet mogelijk. Dat komt door grote verschillen in diagnostiek en definitie van de ziekte van Parkinson, en de opzet en organisatie van de sterftestatistieken (Pritchard et al., 2004).
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
Omvang van het probleem
Beschrijving van gebruikte gegevensbronnen
Huisartsenregistraties
Voor bepaling van de prevalentie en incidentie van ziekte van Parkinson in de huisartspraktijk zijn de volgende vijf huisartsenregistraties gebruikt:
De vijf huisartsenregistraties verschillen niet alleen in algemene werkwijze van elkaar, maar hanteren elk bij het registreren van ziekte van Parkinson specifieke regels. Daarom is de betekenis van de cijfers uit de vijf registraties niet altijd gelijk. Zie daarom ook: Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties.
In het Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen (ERGO-)onderzoek is in 1990-1993 bij 6.969 personen van 55 jaar en ouder de prevalentie van de ziekte van Parkinson bepaald (De Rijk et al., 1996a). Personen die in een verzorgingshuis woonden waren wel in het onderzoek opgenomen, personen die in een verpleeghuis verbleven niet. In een eerste screeningsronde werd bij alle personen een uitgebreid interview afgenomen, het medicijngebruik nagevraagd en een neurologisch onderzoek verricht. Follow-up onderzoek vond plaats in de perioden 1993-1994 en 1997-1999 (De Lau et al., 2004).
In aanvulling op het vervolgonderzoek van personen met (symptomen van) parkinsonisme, werd het cohort d.m.v. een link met het geautomatiseerde medische dossier van de huisartsen voortdurend gemonitord op nieuwe gevallen van parkinsonisme. Op deze manier werd de incidentie van parkinsonisme vastgesteld (De Lau et al., 2004).
Diagnostiek in het ERGO-onderzoek
Alle personen die minstens één symptoom van parkinsonisme hadden, anti-Parkinsonmedicatie gebruikten of zeiden de ziekte van Parkinson te hebben, werden nader onderzocht. Hierbij werden ook specialistenbrieven ingezien. De diagnose van parkinsonisme werd gesteld als gedocumenteerd was dat anti-Parkinsonmedicijnen een therapeutisch effect hadden of als minimaal twee van de vier hoofdsymptomen aanwezig waren: tremor (beven), rigiditeit (stijfheid), bradykinesie (traagheid van bewegen) of verlies van het normale onbewuste evenwichtsgevoel. Bij de ziekte van Parkinson moesten alle andere mogelijke oorzaken van parkinsonisme worden uitgesloten, zoals dementie, multiple systeem-atrofieën, progressieve supranucleaire paralyse, cerebrovasculaire ziekte, het gebruik van neuroleptica en dergelijke.
De diagnose parkinsonisme is zowel in het ERGO-onderzoek als in buitenlands epidemiologisch onderzoek gebaseerd op een combinatie van maximaal vier hoofdsymptomen. In verschillende onderzoeken worden echter verschillende combinaties gehanteerd. De definitie in het ERGO-onderzoek, waar de aanwezigheid van twee hoofdsymptomen vereist is, is een van de minst restrictieve. Bij gebruikmaking van andere combinaties wordt de prevalentie in het ERGO-onderzoek echter niet veel lager (De Rijk et al., 1997b).
24 september 2007
Ziekte van Parkinson
Omvang van het probleem
Prevalentie, incidentie en sterfte naar leeftijd en geslacht
Prevalentie en incidentie van de ziekte van Parkinson in de huisartspraktijk in 2003
Achtergronden en details bij cijfers uit huisartsenregistraties
Meerdere oorzaken voor verschillen in de cijfers
De prevalentie- en incidentiecijfers op basis van verschillende huisartsenregistraties variëren vaak aanzienlijk. De oorzaak kan zijn dat het voorkomen van ziekten in de praktijkpopulaties verschilt. Het kan ook het gevolg zijn van verschillen in de algemene werkwijze van de registraties en de wijze waarop prevalentie- en incidentiecijfers worden berekend. Bovendien kunnen registraties voor bepaalde ziekten specifieke (al dan niet vastgelegde) regels hanteren. Daarom zijn hieronder allereerst de kenmerken van de ziekte van Parkinson beschreven en de kenmerken van de gebruikte huisartsenregistraties. Daarbij gaat het om kenmerken die van invloed zijn op de wijze waarop huisartsen de ziekte van Parkinson registreren.
Kenmerken van de ziekte van Parkinson in de huisartspraktijk
De ziekte van Parkinson is een progressief verlopende chronische ziekte. De patiënt is vaak onder behandeling van de neuroloog. Vaak is er na verloop van tijd nog maar weinig zorg van de huisarts nodig. De huisarts blijft nog wel herhaalrecepten uitschrijven want een arts kan in de regel maximaal voor drie maanden medicijnen voorschrijven. De diagnose ‘ziekte van Parkinson’ wordt door niet-specialisten soms te vaak gesteld; andere aandoeningen (zoals multiple systeematrofie en essentiële tremor) gaan namelijk gepaard met dezelfde symptomen. Aan de andere kant worden sommige gevallen van parkinsonisme ook gemist door de huisarts. In de huisartsenregistraties wordt geen onderscheid gemaakt tussen primair parkinsonisme en secundair parkinsonisme omdat dit onderscheid voor de huisarts meestal niet relevant is.
Specifiek regels van de registraties voor het vastleggen van de ziekte van Parkinson
Hieronder worden enkele specifieke regels vermeld die de registraties hanteren bij het vastleggen van de ziekte van Parkinson. Algemene gegevens over de registraties worden zichtbaar als u op de desbetreffende registratie klikt.
CMR-Nijmegen e.o. (2000-2004)
Indien de ziekte van Parkinson wordt gediagnosticeerd, blijft het gedurende het gehele resterende leven geregistreerd staan.
In tegenstelling tot bij andere registraties wordt secundair parkinsonisme als bijwerking van een geneesmiddel niet onder de ziekte van Parkinson geregistreerd.
LINH (2004)
Geen specifieke opmerkingen.
RNH-Limburg (2001-2004)
Het RNH gaat uit van probleemlijsten. Over het algemeen worden daarop alleen langdurige problemen geregistreerd.
RNUH-LEO (2001-2004)
Er zijn twee soorten cijfers: die gebaseerd zijn op de contactregistratie en die gebaseerd zijn op probleemlijsten. Bij beide type cijfers gaat het om aantallen patiënten.
De cijfers volgens de contactregistratie geven aan van hoeveel personen bij de huisarts bekend is dat ze in een recente periode klachten hadden van hun ziekte en/of er zorg voor ontvingen, de cijfers volgens de probleemlijst geven aan van hoeveel personen bij de huisarts bekend is dat ze de ziekte van Parkinson hebben welke medische aandacht verdient (maar waarbij de huisarts er mogelijk niet van op de hoogte was dat zij er recent zorg voor ontvingen).
Transitieproject (2000-2004)
Geen specifieke opmerkingen.
De cijfers op basis van de huisartsenregistraties
De prevalentie- en incidentiecijfers zijn weergegeven in onderstaande tabel. Het betreft informatie die medio 2005 beschikbaar was. De Kompas-schattingen zijn gemiddelden van enkele registraties, soms de cijfers van een enkele registratie. Voor de keuze van de registraties, zie achtergrond bij keuze van huisartsenregistraties voor incidentie- en prevalentieschatting.
Gebruikte code uit de CMR-Nijmegen: E-code 1570. Uit de andere registraties: ICPC-code N87.
Tabel 1: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van de ziekte van Parkinson (personen) in vijf huisartsenregistraties; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
Aalbersberg RO.
Landelijk Overleg ziekte van Parkinson.
Logopedie en Foniatrie, 1995; (12): 323-326.
Beyer MK, Herlofson K, Arsland D, Larsen JP.
Causes of death in a community-based study of Parkinson's disease.
Acta Neurol Scand, 2001; 103(1): 7-11.
Braak H, Braak E, Yilmazer D, Vos RA de, Jansen EN, Bohl J.
Pattern of brain destruction in Parkinson's and Alzheimer's diseases.
J Neural Transm, 1996; 103(4): 455-490.
Breteler MMB, Groot RRM de, Romunde LKJ van, Hofman A.
Risk of dementia in patients with Parkinson's disease, epilepsy, and severe head trauma: a register-based follow-up study.
Am J Epidemiol 1995b; 142: 1300-1305.
Breteler MMB, Tzourio C, Manubens-Bertran J-M, Lopez-Pouza S, Rocca WA, Alperovitch A.
Risk factors for Parkinson's disease: a population-based case-control study (Europarkinson).
Neurology 1995a; 45 (Suppl. 4): A214.
Campenhausen S von, Bornschein B, Wick R, Botzel K, Sampaio C, Poewe C, et al.
Prevalence and incidence of Parkinson's disease in Europe.
Eur Neuropscychopharmacol, 2005; 15(4): 473-490.
Fall PA, Saleh A, Fredrickson M, Olsson JE, Granérus AK.
Survival time, mortality, and cause of death in elderly patients with Parkinson's disease: a 9-year follow-up.
Mov Disord, 2003; 18(11): 1312-1316.
Healy DG, Abou-Sleiman PM, Lees AJ, et al.
Tau gene and Parkinson's disease: a case-control study and meta-analysis.
J Neurol Neurosurg Psychiatry, 2004; 75: 962-965.
Huang X, Chen PC, Poole C.
APOE-epsilon2 allele associated with higher prevalence of sporadic Parkinson disease.
Neurology, 2004; 62: 2198-2202.
Koller WC.
How accurately can Parkinson's disease be diagnosed?
Neurology 1992; 42: suppl. 6-16.
Lau LML de, Breteler MMB.
Epidemiology of Parkinson's disease.
Lancet Neurology, 2006; 5: 525-535.
Lau LML de, Giesbergen PCLM, Rijk MC de, Hofman A, Koudstaal PJ, Breteler MMB.
Incidence of parkinsonism and Parkinson disease in a general population; The Rotterdam Study.
Neurology, 2004; 63: 1240-1244.
Lau LML de.
Incidence, Risk and Prognosis of Parkinson Disease. Proefschrift
Rotterdam: Erasmus Universiteit, 2005.
Maas IAM, Gijsen R, Lobbezoo IE, Poos MJJC (red.).
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. I De gezondheidstoestand: een actualisering.
Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, 1997.
Maras C, Rochon P, Lang AE.
Predicting motor decline and disability in Parkinson disease: a systematic review.
Arch Neurol, 2002; 59(11): 1724-1728.
Post B, Merkus MP, Haan RJ de, Speelman JD.
Prognostic factors for the progression of Parkinson's disease: a systematic review.
Mov Disord (published online), 2007.
Pritchard C, Baldwin D, Mayers A.
Changing patterns of adult (45-74 years) neurological deaths in the major Western world countries 1979-1997.
Public Health, 2004; 118(4): 268-83.
Rijk C de, Bijl RV.
De prevalentie van psychische stoornissen bij mensen met de ziekte van Parkinson.
Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 27-31.
Rijk K de, Bijl R.
Psychische problemen bij Parkinson.
Utrecht: NcGv, 1996.
Rijk MC de, Breteler MMB, Breeijen JH den, Launer LJ, Grobbee DE, Meché FGA van der, et al.
Dietary antioxidants and Parkinson's disease: the Rotterdam Study.
Arch Neurol, 1997b; 45: 782-5.
Rijk MC de, Breteler MMB, Graveland GA, Ott A, Grobbee DE, Meché FGA van der, et al.
Prevalence of Parkinson's disease in the elderly: The Rotterdam Study.
Neurology, 1995b; 45: 2143-2146.
Rijk MC de, Breteler MMB, Graveland GA, Ott A, Meché FGA van der, Hofman A.
De prevalentie van parkinsonisme en de ziekte van Parkinson bij ouderen; het ERGO-onderzoek.
Ned Tijdschr Geneeskd 1996a; 140: 196-200.
Rijk MC de, Breteler MMB, Ott A, Graveland GA, Meché FGA van der, Hofman A.
Prevalence of Parkinson's disease with and without dementia: The Rotterdam Study. In: Knook DL, Dittmann-Kohli F, Duursma SA, et al. (eds.). Ageing in a changing Europe. Abstract book of the third European Congress of Gerontology.
Utrecht: Netherlands Institute of Gerontology, 1995.
Rijk MC de, Rocca WA, Anderson DW, Melcon MO, Breteler MMB, Maraganore DM.
A population perspective on diagnostic criteria for Parkinson's disease.
Neurology 1997a; 48: 1277-1281.
Rijk MC de, Tzourio C, Breteler MMB, Dartigues JF, Amaducci L, Lopez-Pusa S, et al.
Prevalence of parkinsonism and Parkinson's disease in Europe: the EUROPARKINSON collaborative study.
J Neurol Neurosurg Psychiatry, 1997c; 62: 10-15.
Rijken PM, Foets M, Peters L, Bruin AF de, Dekkers J.
Patiëntenpanel chronisch zieken: kerngegevens 1998.
Utrecht: NIVEL, 1999.
Speelman JD, Bosch DA.
Continue elektrische thalamus-stimulatie voor de behandeling van farmacotherapie-resistente tremor.
Ned Tijdschr Geneedkd 1995; 139: 926-930.
Speelman JD, Esselink RAJ, Schuurman PR, Bie RMA de, Bosch DA.
Stereotactische neurochirurgie bij de behandeling van de ziekte van Parkinson.
Ned Tijdschr Geneeskd 2001; 145: 853-858.
Tan EK, Khajavi M, Thornby JI, Nagamitsu S, Jankovic J, Ashizawa T.
Variability and validity of polymorphism association studies in Parkinson's disease.
Neurology, 2000; 55: 533-538.
Tanner CM.
Epidemiology of Parkinson's disease.
Neurologic Clinics 1992; 10: 317-330.
Warrenburg BPC van de, Scheffer H, Heutink P, Bloem BR.
De ziekte(n) van Parkinson: recente genetische inzichten.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2007; 151(30): 1665-1668.
Wolters ECH, Laar T van.
Bewegingsstoornissen.
Amsterdam: VU Uitgeverij, 2003.
Youdim MBH, Riederer P.
Understanding Parkinson's disease.
Scientific American 1997; 1: 52-59.
Gegevensbronnen
CBS Doodsoorzakenstatistiek.Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.
Aalbersberg RO.
Landelijk Overleg ziekte van Parkinson.
Logopedie en Foniatrie, 1995; (12): 323-326.
Beyer MK, Herlofson K, Arsland D, Larsen JP.
Causes of death in a community-based study of Parkinson's disease.
Acta Neurol Scand, 2001; 103(1): 7-11.
Braak H, Braak E, Yilmazer D, Vos RA de, Jansen EN, Bohl J.
Pattern of brain destruction in Parkinson's and Alzheimer's diseases.
J Neural Transm, 1996; 103(4): 455-490.
Breteler MMB, Groot RRM de, Romunde LKJ van, Hofman A.
Risk of dementia in patients with Parkinson's disease, epilepsy, and severe head trauma: a register-based follow-up study.
Am J Epidemiol 1995b; 142: 1300-1305.
Breteler MMB, Tzourio C, Manubens-Bertran J-M, Lopez-Pouza S, Rocca WA, Alperovitch A.
Risk factors for Parkinson's disease: a population-based case-control study (Europarkinson).
Neurology 1995a; 45 (Suppl. 4): A214.
Campenhausen S von, Bornschein B, Wick R, Botzel K, Sampaio C, Poewe C, et al.
Prevalence and incidence of Parkinson's disease in Europe.
Eur Neuropscychopharmacol, 2005; 15(4): 473-490.
Fall PA, Saleh A, Fredrickson M, Olsson JE, Granérus AK.
Survival time, mortality, and cause of death in elderly patients with Parkinson's disease: a 9-year follow-up.
Mov Disord, 2003; 18(11): 1312-1316.
Healy DG, Abou-Sleiman PM, Lees AJ, et al.
Tau gene and Parkinson's disease: a case-control study and meta-analysis.
J Neurol Neurosurg Psychiatry, 2004; 75: 962-965.
Huang X, Chen PC, Poole C.
APOE-epsilon2 allele associated with higher prevalence of sporadic Parkinson disease.
Neurology, 2004; 62: 2198-2202.
Koller WC.
How accurately can Parkinson's disease be diagnosed?
Neurology 1992; 42: suppl. 6-16.
Lau LML de, Breteler MMB.
Epidemiology of Parkinson's disease.
Lancet Neurology, 2006; 5: 525-535.
Lau LML de, Giesbergen PCLM, Rijk MC de, Hofman A, Koudstaal PJ, Breteler MMB.
Incidence of parkinsonism and Parkinson disease in a general population; The Rotterdam Study.
Neurology, 2004; 63: 1240-1244.
Lau LML de.
Incidence, Risk and Prognosis of Parkinson Disease. Proefschrift
Rotterdam: Erasmus Universiteit, 2005.
Maas IAM, Gijsen R, Lobbezoo IE, Poos MJJC (red.).
Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. I De gezondheidstoestand: een actualisering.
Maarssen: Elsevier/De Tijdstroom, 1997.
Maras C, Rochon P, Lang AE.
Predicting motor decline and disability in Parkinson disease: a systematic review.
Arch Neurol, 2002; 59(11): 1724-1728.
Post B, Merkus MP, Haan RJ de, Speelman JD.
Prognostic factors for the progression of Parkinson's disease: a systematic review.
Mov Disord (published online), 2007.
Pritchard C, Baldwin D, Mayers A.
Changing patterns of adult (45-74 years) neurological deaths in the major Western world countries 1979-1997.
Public Health, 2004; 118(4): 268-83.
Rijk C de, Bijl RV.
De prevalentie van psychische stoornissen bij mensen met de ziekte van Parkinson.
Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 142: 27-31.
Rijk K de, Bijl R.
Psychische problemen bij Parkinson.
Utrecht: NcGv, 1996.
Rijk MC de, Breteler MMB, Breeijen JH den, Launer LJ, Grobbee DE, Meché FGA van der, et al.
Dietary antioxidants and Parkinson's disease: the Rotterdam Study.
Arch Neurol, 1997b; 45: 782-5.
Rijk MC de, Breteler MMB, Graveland GA, Ott A, Grobbee DE, Meché FGA van der, et al.
Prevalence of Parkinson's disease in the elderly: The Rotterdam Study.
Neurology, 1995b; 45: 2143-2146.
Rijk MC de, Breteler MMB, Graveland GA, Ott A, Meché FGA van der, Hofman A.
De prevalentie van parkinsonisme en de ziekte van Parkinson bij ouderen; het ERGO-onderzoek.
Ned Tijdschr Geneeskd 1996a; 140: 196-200.
Rijk MC de, Breteler MMB, Ott A, Graveland GA, Meché FGA van der, Hofman A.
Prevalence of Parkinson's disease with and without dementia: The Rotterdam Study. In: Knook DL, Dittmann-Kohli F, Duursma SA, et al. (eds.). Ageing in a changing Europe. Abstract book of the third European Congress of Gerontology.
Utrecht: Netherlands Institute of Gerontology, 1995.
Rijk MC de, Rocca WA, Anderson DW, Melcon MO, Breteler MMB, Maraganore DM.
A population perspective on diagnostic criteria for Parkinson's disease.
Neurology 1997a; 48: 1277-1281.
Rijk MC de, Tzourio C, Breteler MMB, Dartigues JF, Amaducci L, Lopez-Pusa S, et al.
Prevalence of parkinsonism and Parkinson's disease in Europe: the EUROPARKINSON collaborative study.
J Neurol Neurosurg Psychiatry, 1997c; 62: 10-15.
Rijken PM, Foets M, Peters L, Bruin AF de, Dekkers J.
Patiëntenpanel chronisch zieken: kerngegevens 1998.
Utrecht: NIVEL, 1999.
Speelman JD, Bosch DA.
Continue elektrische thalamus-stimulatie voor de behandeling van farmacotherapie-resistente tremor.
Ned Tijdschr Geneedkd 1995; 139: 926-930.
Speelman JD, Esselink RAJ, Schuurman PR, Bie RMA de, Bosch DA.
Stereotactische neurochirurgie bij de behandeling van de ziekte van Parkinson.
Ned Tijdschr Geneeskd 2001; 145: 853-858.
Tan EK, Khajavi M, Thornby JI, Nagamitsu S, Jankovic J, Ashizawa T.
Variability and validity of polymorphism association studies in Parkinson's disease.
Neurology, 2000; 55: 533-538.
Tanner CM.
Epidemiology of Parkinson's disease.
Neurologic Clinics 1992; 10: 317-330.
Warrenburg BPC van de, Scheffer H, Heutink P, Bloem BR.
De ziekte(n) van Parkinson: recente genetische inzichten.
Ned Tijdschr Geneeskd, 2007; 151(30): 1665-1668.
Wolters ECH, Laar T van.
Bewegingsstoornissen.
Amsterdam: VU Uitgeverij, 2003.
Youdim MBH, Riederer P.
Understanding Parkinson's disease.
Scientific American 1997; 1: 52-59.
Gegevensbronnen
CBS Doodsoorzakenstatistiek.Gegevens omtrent de doodsoorzaken van alle in Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven overledenen.