Borstvoeding heeft positieve gezondheidseffecten voor moeder en kind
Borstvoeding heeft positieve effecten op de gezondheid van zowel het kind als de moeder. Zo heeft het krijgen van borstvoeding een gunstig effect op maagdarminfecties, diarree en acute middenoorontstekingen en geeft het op lange termijn minder kans op overgewicht en een hoge bloeddruk. Het geruime tijd geven van borstvoeding verkleint bij de moeder de kans op het krijgen van reumatoïde artritis en borst- en eierstokkanker. Om optimaal te kunnen profiteren van de positieve gezondheidseffecten adviseert de WHO om kinderen tot de leeftijd van zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven.
Beleid is er op gericht dat meer vrouwen langer borstvoeding geven
Het beleid van de Nederlandse overheid is er op gericht te stimuleren dat meer vrouwen beginnen met borstvoeding en dat ze langer doorgaan met het geven van borstvoeding. In Nederland hebben moeders over het algemeen een positieve houding ten opzichte van borstvoeding. Ruim 80 procent van de moeders begint met borstvoeding, maar een groot deel hiervan stopt alweer snel. Na drie maanden geeft nog ongeveer 30% van de moeders borstvoeding. Slechts een op de vijf kinderen krijgt de door de WHO aanbevolen zes maanden borstvoeding.
Masterplan voor het stimuleren van borstvoeding
Het Voedingscentrum voert in opdracht van het ministerie van VWS campagne om het geven van borstvoeding te stimuleren. Zij heeft hiertoe het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’ ontwikkeld en voert onderdelen hiervan samen met andere organisaties uit. In dit kader is het platform ‘Borstvoeding’ ingesteld. Aan dit platform nemen zowel borstvoedingorganisaties als beroepsverenigingen van zorgverleners die direct of indirect met borstvoeding te maken hebben deel. Het platform is vooral gericht op afstemming en samenwerking in het stimuleren van borstvoeding.
Vele spelers actief op terrein van beschermen, bevorderen en ondersteunen borstvoeding
In Nederland zijn veel partijen betrokken bij het beleid en de uitvoering van het stimuleren van het geven van borstvoeding. De Samenwerkende Borstvoeding Organisaties (SBO) is een overleg van vijf organisaties die actief zijn op het gebied van het beschermen, bevorderen en ondersteunen van borstvoeding. De afzonderlijke organisaties hebben ieder een specifieke taak en samen bestrijken zij een belangrijk deel van het werkveld. De Stichting Zorg voor Borstvoeding geeft uitvoering aan de Nederlandse bewerking van het Baby Friendly Hospital Initiative, een wereldwijde campagne van de WHO en UNICEF. In het kader van deze campagne krijgen instellingen die aan bepaalde criteria voldoen een 'UNICEF Certificaat Zorg voor Borstvoeding'. Op regionaal niveau zijn onder andere verloskundigen, kraamzorgorganisaties, consultatiebureaus en lactatiekundigen actief, al dan niet in een specifiek samenwerkingsverband.
Internationale initiatieven ter bevordering van borstvoeding
De WHO heeft een gedragscode opgesteld die beoogt het geven van borstvoeding te beschermen en een juist gebruik van vervangingsmiddelen voor moedermelk te bewerkstelligen. Samen met UNICEF heeft de WHO een verklaring uitgebracht waarin wordt benadrukt dat het geven van borstvoeding vanzelfsprekend zou moeten zijn. Met de Warenwetregeling Zuigelingenvoeding heeft Nederland een deel van de gedragscode van de WHO uitgewerkt. Daarnaast is in de Arbeidstijdenwet vastgelegd dat moeders gedurende de eerste negen maanden na de bevalling het werk mogen onderbreken om borstvoeding te geven of melk af te kolven.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Doel en organisatie
Wat wordt er met het bevorderen van borstvoeding beoogd?
Bevorderen geven van borstvoeding gericht op bereiken gezondheidswinst
Het algemene doel van de inspanningen om het geven van borstvoeding te bevorderen is om er voor te zorgen dat meer kinderen en moeders kunnen genieten van de gezondheidseffecten van borstvoeding. Op basis van uitgebreid literatuuronderzoek naar de gezondheidseffecten van borstvoeding is vastgesteld dat er overtuigend bewijs bestaat voor een positief effect op korte termijn op minder maagdarminfecties, diarree en acute middenoorontstekingen. Op lange termijn geeft borstvoeding minder kans op ernstig overgewicht en een hoge bloeddruk. Waarschijnlijk beschermt borstvoeding ook tegen luchtweginfecties, astma, piepen op de borst en eczeem en heeft het een gunstig effect op de intellectuele en motorische ontwikkeling. Voor de moeder is er overtuigend bewijs dat het geven van borstvoeding beschermt tegen reumatoïde artritis en mogelijk tegen borstkanker voor de overgang en eierstokkanker (Van Rossum et al., 2005: Büchner et al., 2007).
Voor optimaal gezondheidseffect tenminste 6 maanden borstvoeding
Om optimaal te kunnen profiteren van de gezondheidseffecten van borstvoeding raadt de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) aan om tenminste zes maanden borstvoeding te geven. Uit monitoring van de borstvoedingspercentages blijkt dat weliswaar het merendeel (81% in 2007) van de pas bevallen moeders in Nederland begint met borstvoeding, maar dat een groot deel hiervan binnen enkele weken ook weer stopt (zie: Hoeveel moeders geven borstvoeding en neemt dit aantal toe of af?). Belangrijke redenen om te stoppen zijn: te weinig borstvoeding en de (moeilijkheden van de) combinatie met werk (zie: Wat zijn de mogelijke oorzaken van het al dan niet geven van borstvoeding?). Modelsimulaties laten zien dat indien alle kinderen tenminste zes maanden borstvoeding zouden krijgen ongeveer 20% van de middenoorontstekingen, luchtweginfecties en eczeem en de helft van de maagdarminfecties bij jonge kinderen kan worden voorkomen (Van Rossum et al., 2005). Naast gezondheidswinst levert een effectief borstvoedingsbeleid ook kostenbesparing op. Indien 85% van de vrouwen met borstvoeding start en 25% na zes maanden nog steeds exclusief borstvoeding geeft, zal naar verwachting per jaar 10 miljoen euro netto contante waarde aan kosten van de gezondheidszorg worden bespaard (Büchner et al., 2007). De modelsimulaties laten zien dat de grootste gezondheidswinst en besparingen worden bereikt wanneer alle pasgeborenen zes maanden borstvoeding krijgen. Daarnaast laten de modelsimulaties zien dat het starten met het geven van borstvoeding een groter effect heeft op gezondheidswinst en besparingen dan het verlengen van de periode waarin borstvoeding gegeven wordt.
Stimuleren geven van borstvoeding via masterplan Borstvoeding
Het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’ beschrijft de aanpak om het geven van borstvoeding in Nederland te stimuleren. Rode draad in het masterplan is dat vrouwen die borstvoeding willen geven hiertoe in staat moeten worden gesteld. Dat vraagt niet alleen om een goede informatievoorziening richting ouders, maar ook om goede randvoorwaarden zoals adequate begeleiding vanuit de zorg, steun in de sociale omgeving, zowel dichtbij als verder af (partner/familie/vrienden, werkomgeving, publieke opinie). Centraal in het masterplan staan daarom het bevorderen van sociale acceptatie, voorlichting aan ouders, empoweren van moeders en creëren van draagvlak voor borstvoeding. Het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’ is, in opdracht van het Ministerie van VWS, opgesteld door het Voedingscentrum en is een vervolg op het masterplan ‘Borstvoeding 2002-2006’.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Doel en organisatie
Wie doet wat?
Overheid zet zich in om vrouwen in staat te stellen borstvoeding te geven
Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het borstvoedingsbeleid van de overheid. Doel van dit beleid is om door middel van voorlichting en het creëren van randvoorwaarden, vrouwen in staat te stellen borstvoeding te geven als zij dat wensen. De aanpak die het ministerie van VWS hierbij voor ogen staat, omvat de volgende elementen (VWS/LNV, 2008):
voorlichting via het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’ en ‘Hallo Wereld’;
integrale aanpak via het platform ‘Borstvoeding’;
opstellen landelijke richtlijn borstvoeding en implementatie binnen JGZ;
certificering van instellingen met een goed borstvoedingsbeleid (Baby Friendly Hospital Initiative);
onderzoek naar precieze motieven om wel/geen borstvoeding te geven;
handhaving warenwetregeling Zuigelingenvoeding door de VWA;
monitoring van percentages borstgevoede kinderen;
kennis- en informatieuitwisseling over borstvoeding en werk via het ArboPortaal van SZW.
Voedingscentrum centrale speler informatievoorziening
Het Voedingscentrum geeft, voortvloeiend uit het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’, via de site en andere voorlichtingsmaterialen en activiteiten specifieke informatie over borstvoeding (zie ook: Wat wordt er met het bevorderen van borstvoeding beoogd?). Een deel van de materialen die door het Voedingscentrum zijn ontwikkeld, worden door zorgverleners gebruikt ter ondersteuning van de eigen voorlichting. Daarnaast voert het Voedingscentrum het secretariaat van het platform ‘Borstvoeding’ en heeft een regierol in activiteiten die vanuit het platform plaatsvinden.
Platform Borstvoeding voor afstemming en samenwerking tussen diverse organisaties
In het kader van het masterplan is het platform ‘Borstvoeding’ ingesteld. In dit platform hebben allerlei organisaties zitting die direct, dan wel indirect, te maken hebben met de begeleiding bij borstvoeding van prenataal tot ver na de geboorte. Behalve advisering over voorgenomen activiteiten in het kader van uitvoering van het masterplan, is het platform vooral gericht op onderlinge afstemming en samenwerking in de begeleiding bij borstvoeding. Vanuit het platform ‘Borstvoeding’ is onder andere het initiatief genomen om te komen tot een gemeenschappelijke visie op het geven van borstvoeding in Nederland en hoe dit beter mogelijk te maken. Deze visie is beschreven in het Charter voor Borstvoeding. De organisaties uit het platform leveren ook een bijdrage aan de multidisciplinaire richtlijn voor borstvoeding die in ontwikkeling is. Deze richtlijn is erop gericht de kwaliteit en continuïteit van de zorg en begeleiding bij borstvoeding te verbeteren.
Samenwerkende Borstvoeding Organisaties beschermen, bevorderen en ondersteunen borstvoeding
De Samenwerkende Borstvoeding Organisaties (SBO) is een overleg van vijf organisaties die actief zijn op het gebied van het beschermen, bevorderen en ondersteunen van borstvoeding. De afzonderlijke organisaties hebben ieder een specifieke taak en met elkaar wordt een belangrijk deel van het werkveld bestreken (zie ook: Website SBO):
De vrijwilligersorganisaties Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en Borstvoedingorganisatie LLL geven hulp en informatie op basis van moeder-tot-moeder contact. Daarnaast houden beide organisaties regionale informatiebijeenkomsten en hebben een telefonische hulpdienst en e-mailbeantwoording van vragen. Verder verzorgen zij voorlichtingsmateriaal over borstvoeding voor vrouwen en hulpverleners.
De Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen is een beroepsorganisatie. Zelfstandige lactatiekundigen verlenen zonodig hulp aan moeder en kind en verzorgen (bij)scholing aan zorgverleners. Lactatiekundigen werken vaak bij kraamzorgorganisaties en in ziekenhuizen op kraam- en neonatologieafdelingen.
De Stichting Zorg voor Borstvoeding voert in Nederland de certificering van instellingen uit. Dit is een initiatief van WHO/UNICEF bedoeld om de kwaliteit van de geleverde zorg rond borstvoeding te verhogen (zie ook: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?). De stichting heeft specifiek voor de Nederlandse situatie afgeleide criteria ontwikkeld voor een goed borstvoedingsbeleid binnen de jeugdgezondheidszorg en verloskundige praktijken.
De Stichting BabyVoeding werkt onder andere aan de naleving van de gedragscode van de WHO. In deze Code uit 1981 is vastgelegd dat er door fabrikanten geen misleidende methoden mogen worden gebruikt voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen van moedermelk. Daarnaast worden onder andere overheden en zorgverleners op hun verantwoordelijkheid gewezen voor het beschermen, bevorderen en ondersteunen van het geven van borstvoeding.
Zorgverleners spelen belangrijke rol bij bevorderen en begeleiden borstvoeding
Zorgverleners spelen een belangrijke rol bij het bevorderen en begeleiden van het geven van borstvoeding, zowel tijdens de zwangerschap, de kraamperiode als daarna. Het gaat hierbij zowel om het verstrekken van informatie over borstvoeding als ook om het aanleren van vaardigheden en het versterken van het zelfvertrouwen van voedende moeders. De zorgketen loopt van verloskundigen en huisartsen, via kraamverzorgenden en eventueel artsen (gynaecologen, neonatologen, kinderartsen) en verpleegkundigen in ziekenhuizen, tot jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen. Hulp en advies van lactatiekundigen kan op alle momenten in de keten ingeroepen worden.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Doel en organisatie
Wat is het aanbod?
Voorlichting over borstvoeding via diverse kanalen
Via diverse kanalen wordt voorlichting gegeven over borstvoeding. Zo leren zorgverleners aan (aanstaande) moeders hoe ze borstvoeding moeten geven. Daarnaast bestaan er telefonische hulpdiensten waar geïnteresseerden en moeders informatie kunnen krijgen over borstvoeding en is het mogelijk om per e-mail vragen voor te leggen aan de borstvoedingorganisaties. Bij de borstvoedingorganisaties zijn diverse schriftelijke en audiovisuele voorlichtingsmaterialen verkrijgbaar voor moeders zoals folders, brochures, handboeken, video's, informatiemappen, nieuwsbrieven en andere uitgaven. Een deel van deze materialen wordt door sommige zorgverleners gebruikt in hun eigen voorlichting aan ouders. Verder zijn er op regionaal niveau informatiebijeenkomsten, thema-avonden en cursussen voor aanstaande moeders. Tot slot worden allerlei voorlichtingsactiviteiten georganiseerd tijdens de jaarlijkse WereldBorstvoedingsWeek.
Ook veel digitale informatie over borstvoeding beschikbaar
Er is veel digitale informatie over borstvoeding beschikbaar. Zo beheren de borstvoedingorganisaties gezamenlijk een borstvoedingsforum. Hier kunnen moeders terecht bij elkaar met hun vragen en ervaringen, maar er zijn ook contactpersonen van de borstvoedingorganisaties actief om de informatiestroom te modereren. De borstvoedingorganisaties hebben ook elk hun eigen website. Er zijn daarnaast nog andere internetsites over borstvoeding en er zijn diverse borstvoedingswinkels te vinden op internet die behalve handige producten voor borstvoeding ook informatie bieden. Op sites van tal van zorginstellingen is informatie te vinden over borstvoeding. Ook maakt informatie over borstvoeding onderdeel uit van het digitale opvoedondersteuningsprogramma ‘Hallo Wereld’ van het ministerie van Jeugd & Gezin. Op de site van het Voedingscentrum tenslotte is ook veel aandacht voor borstvoeding. Naast de thema’s ‘borstvoeding en gezondheid’, ‘borstvoeding en maatschappij’ en ‘borstvoeding en werk’ is er ook het animatiefilmpje ‘Zo wordt moedermelk gemaakt’ te vinden over het productieproces van moedermelk en is er ruimte voor eigen ervaringen over voeden in het openbaar.
Diverse activiteiten in het kader van het masterplan Borstvoeding
In het kader van het masterplan Borstvoeding zijn en worden de volgende activiteiten uitgevoerd:
Uitgave van het tijdschrift BV borstvoeding. Doel van dit jaarlijkse tijdschrift is om ouders, maar vooral moeders, te helpen bij het maken van keuzes betreffende borstvoeding door uitgebreid in te gaan op allerlei aspecten van borstvoeding. Zo wordt er informatie gegeven door deskundigen en zijn ervaringen van andere moeders te lezen.
Ontwikkeling van de instructiekaart ‘Babymanagement voor startende vaders’. De instructiekaart bevat vooral praktische informatie over borstvoeding voor vaders en gaat in op enkele veelvoorkomende misverstanden over borstvoeding die onder mannen leven.
Uitvoering campagne ‘Borstvoeding & werk’ gericht op het breed op de agenda krijgen van het onderwerp borstvoeding, onder andere van werkgevers. In dit kader is de deurhanger ‘Niet storen, ik kolf’ ontwikkeld. De deurhanger biedt informatie over de wetgeving over borstvoeding & werk en enkele praktische tips om borstvoeding en werk te combineren.
Ontwikkeling van het beeldmerk ‘voeden kan hier’. Dit beeldmerk is bestemd voor horecabedrijven, pretparken, winkels, zorginstellingen, maar ook gebouwen bij de gemeente in beheer om moeders te laten zien dat zij ook welkom zijn als zij hun kind de borst willen geven. Bedrijven die zich voor het beeldmerk hebben aangemeld zijn te vinden op de website van 'voeden kan hier' (zie ook: Website 'Voeden kan hier').
Digitaal advies op maat in de maak
In het kader van het masterplan Borstvoeding wordt een programma ontwikkeld dat digitale, praktische, gepersonaliseerde informatie en advies moet gaan bieden aan moeders, gericht op het geven van borstvoeding, vooral in de eerste weken na de bevalling. Het doel van dit programma is een brug vormen tussen de behoefte aan informatie, advies en ondersteuning van de moeder en het bestaande aanbod in de eigen omgeving.
Bevorderen van het geven van borstvoeding ook via regelgeving
De overheid zet ook regelgeving in om het geven van borstvoeding te stimuleren. Zo bestaat er wetgeving die het combineren van borstvoeding en werk faciliteert. In artikel 4:8 van de Arbeidstijdenwet is gesteld dat een werkgever een vrouw de gelegenheid, in tijd en ruimte, moet geven om onder werktijd moedermelk af te kolven dan wel haar baby te voeden. Dit tot negen maanden na de bevalling. Ook hoeft een vrouw, conform artikel 4:7 van de Arbeidstijdenwet de eerste zes maanden na de bevalling geen nachtdiensten of overwerk te verrichten. In de Arbowetgeving is vastgelegd dat de aard van het werk of de werkplek geen negatief effect mag hebben op de gezondheid van de moeder die borstvoeding geeft, noch op de melkproductie. Is er wel sprake van een negatief effect, dan moet de werkgever zorgen voor aangepast werk, aangepaste werktijden of een andere werkplek. Ook is er regelgeving gericht op zuigelingenvoeding (als alternatief voor borstvoeding). De warenwetregeling Zuigelingenvoeding stelt eisen aan de samenstelling en verpakking van volledige zuigelingenvoeding (in termen van de warenwet: zuigelingenvoeding voor kinderen van 0 tot 6 maanden) en opvolgmelk. In deze regeling is vastgelegd dat er geen reclame voor volledige zuigelingenvoeding mag worden gemaakt en dat er op de verpakking duidelijk moet worden aangegeven dat borstvoeding de beste voeding voor een zuigeling is. Handhaving van de warenwetregeling ligt bij de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). De warenwetregeling is een uitwerking van de gedragscode van de WHO uit 1981 (zie ook: Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?).
Bevorderen van kwaliteit geleverde zorg rond borstvoeding via certificering
In Nederland wordt via certificering van instellingen getracht de kwaliteit van de geleverde zorg rond borstvoeding te verhogen. De certificering is de uitwerking van de wereldwijde campagne 'Baby Friendly Hospital Initiative' (BFHI) van de WHO en UNICEF. De WHO en UNICEF hebben in 1991 'Tien vuistregels voor het welslagen van borstvoeding' geformuleerd. Deze vuistregels zijn bedoeld voor instellingen voor moeder en kindzorg. De Stichting Zorg voor Borstvoeding werkt dit initiatief voor Nederland uit en heeft onder meer de 'Zeven stappen voor ondersteuning van borstvoeding in de Jeugdgezondheidszorg' opgesteld. De stichting informeert instellingen over het toepassen van de tien vuistregels en de zeven stappen en begeleidt hen daarbij. Instellingen die aan deze criteria voldoen ontvangen een 'UNICEF Certificaat Zorg voor Borstvoeding'. Om het certificaat te behouden moeten de instellingen elke 3 jaar een reassessment ondergaan. Sinds kort kunnen ook verloskundige praktijken een borstvoedingscertificaat verwerven.
Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?
Wereldwijde initiatieven om borstvoeding te bevorderen
Op bijeenkomsten van de Verenigde Naties komt herhaaldelijk aan bod dat borstvoeding beschermd, bevorderd en ondersteund dient te worden. Dit is bijvoorbeeld terug te vinden in de Conventie over de Rechten van het Kind en in de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen van moedermelk van de WHO uit 1981, ook wel de WHO-Code genoemd (WHO, 1981). Deze code dient fabrikanten van vervangingsmiddelen voor moedermelk ervan te weerhouden reclame te maken. Ook wijst de code overheden en zorgverleners op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de bescherming, bevordering en ondersteuning van het geven van borstvoeding. De code is deels overgenomen in de EU-richtlijn inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding (Richtlijn 91/321/EEG). Uit deze EU-richtlijn is de Warenwetregeling Zuigelingenvoeding voortgekomen (zie ook: Wat wordt met het bevorderen van het geven van borstvoeding beoogd?).
Daarnaast is in 1990 door WHO/UNICEF een verklaring opgesteld waarin benadrukt wordt dat het geven van borstvoeding vanzelfsprekend zou moeten zijn (WHO/Unicef, 1990). De WHO adviseert wereldwijd kinderen tot en met de leeftijd van zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven en daarna pas te starten met bijvoeden (WHO, 2001g). UNICEF en de WHO zijn de wereldwijde campagne 'Baby Friendly Hospital Initiative' gestart. De Nederlandse uitwerking van deze campagne is in handen van de Stichting Zorg voor Borstvoeding (zie ook: Wat is het aanbod?).
Europese blauwdruk voor bevordering van borstvoeding op alle bestuurlijke niveaus
In 2004 is het rapport ‘Bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding in Europa: een Blauwdruk voor actie’ gelanceerd. Dit gebeurde in het kader van een EU-project voor de bevordering van borstvoeding in Europa. De Blauwdruk biedt een structuur voor de ontwikkeling van plannen om het geven van borstvoeding op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau te bevorderen. In 2008 verscheen een geactualiseerde versie van deze Blauwdruk (EC, 2008). Ook de ‘Global Strategy on Infant and Young Child Feeding’ die in 2002 door alle WHO-lidstaten werd aangenomen, biedt een basis voor initiatieven om in het kader van de volksgezondheid borstvoeding te beschermen, bevorderen en ondersteunen (WHO, 2003g). In 2007 verscheen een gids voor de nationale implementatie van deze strategie (WHO/Unicef, 2007). De Europese Blauwdruk en de Global Strategy zijn als uitgangsdocumenten gebruikt voor de ontwikkeling van het masterplan ‘Borstvoeding 2008-2011’ (zie ook: Wat wordt met het bevorderen van borstvoeding beoogd?).
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Bereik en effectiviteit
Wat is het bereik?
Groot bereik informatievoorziening door borstvoedingsorganisaties
In 2007 hebben vrijwilligsters van Borstvoedingorganisatie LLL ruim 4.200 telefonische vragen en 2000 e-mails beantwoord en 150 huisbezoeken afgelegd. Er zijn 270 informatiebijeenkomsten georganiseerd die door circa 1.500 mensen zijn bezocht. Er zijn ruim 2.300 brochures over uiteenlopende borstvoedingsonderwerpen verkocht. In 2008 zijn door Vereniging Borstvoeding Natuurlijk 1.133 bijeenkomsten georganiseerd voor zwangere en voedende moeders. De schatting is dat in totaal ruim 5.800 vragen per e-mail zijn behandeld en 4.300 telefonisch. Alle contacten bij elkaar opgeteld schat Vereniging Borstvoeding Natuurlijk in 2008 aan circa 17.000 personen informatie te hebben verstrekt en/of ondersteuning te hebben verleend. Daarnaast worden de websites van beide organisaties jaarlijks door 100 duizenden unieke bezoekers bekeken.
Goede verspreiding tijdschrift BV borstvoeding
Het tijdschrift BV Borstvoeding, een uitgave van het Voedingscentrum en Samenwerkende Borstvoeding Organisaties, kent een oplage van 185.000 stuks. Het tijdschrift verschijnt eenmaal per jaar tijdens de WereldBorstvoedingWeek. Vrouwen ontvangen het tijdschrift tijdens de zwangerschap van hun verloskundige. Vrijwel alle verloskundige praktijken werken aan de verspreiding ervan mee. Uit een verkennend onderzoek van TNO bleek dat 39% van de vrouwen het tijdschrift BV borstvoeding kent, vooral moeders bevallen van een eerste kind, ongeacht opleidingsniveau (Van Wouwe & Lanting, 2006). Bij alle tijdschriften is jaarlijks de deurhanger ‘Niet storen, ik kolf’ bijgevoegd. De instructiekaart 'Babymanagement voor startende vaders' wordt verspreid via de organisatie 'IkVader' en voornamelijk aangevraagd door verloskundigen. Afgelopen jaren zijn 40.000 exemplaren verspreid. Sinds de introductie van het beeldmerk 'voeden kan hier' in 2005, hebben zich ongeveer 300 locaties aangemeld voor dit beeldmerk.
Meer dan 200 certificaten ‘Zorg voor Borstvoeding’ uitgereikt
Begin 2009 beschikten 121 kraamzorginstellingen, 47 ziekenhuizen, 32 verloskundige praktijken en 26 JGZ-instellingen over een WHO/Unicef-certificaat ‘Zorg voor Borstvoeding’. Zie voor de actuele stand van zaken de website van 'Zorg voor borstvoeding'.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Bereik en effectiviteit
Wat zijn de effecten?
Voorlichtingsmateriaal speelt beperkte rol bij (gaan) geven borstvoeding
Onderzoek toont aan dat de folders van Vereniging Borstvoeding Natuurlijk (VBN) en Borstvoedingsorganisatie LLL een beperkte rol spelen bij het (gaan) geven van borstvoeding (Van Wouwe & Lanting, 2006). De folders worden vooral door hoger opgeleide moeders gelezen en door hen als bruikbaar tot zeer bruikbaar gezien.
Stijging duur borstvoedingsperiode en borstvoedingspercentages tijdens masterplan
Gedurende de looptijd van het masterplan ‘Borstvoeding 2002-2006’ is de duur van de borstvoedingsperiode gestegen. Ook het percentage moeders dat zes maanden volledig borstvoeding geeft is gestegen: in 2002 lag dit percentage op 17%, in 2005 was dit percentage 20-25% (Lanting & Wouwe, 2005).
Publieke opinie rond borstvoeding licht verbeterd na 4 jaar masterplan
Uit onderzoek blijkt dat borstvoeding in het openbaar aan het eind van de looptijd van het masterplan als iets normaler wordt beschouwd dan bij aanvang. Het percentage is gestegen van 54% in 2002 naar 57% in 2006 (Vis, 2006). Ook is gemiddeld bijna 9% van de bevolking sinds 2002 positiever gaan denken over borstvoeding. Dit percentage bleek hoger onder mensen die campagneactiviteiten kenden (19%) dan die deze niet kenden (6%) (Vis, 2006).
Borstvoedingswetgeving beter bekend
Het aantal mensen dat weet dat er wettelijke regelingen over borstvoeding en werk bestaan is tijdens de campagne ‘Borstvoeding & werk’ toegenomen van 33% in 2002 naar 41% in 2006. Het percentage werkgevers dat bekend is met wetgeving over borstvoeding en werk is gestegen van 21% naar 26% (Visser, 2005). Het percentage werknemers dat werkonderbrekingen van collega’s voor kolven of voeden als normaal beschouwd, is toegenomen van 74% in 2002 naar 79% in 2006 (Vis, 2006).
Percentage vrouwen dat vanuit gezondheidsoverwegingen kiest voor borstvoeding gestegen
Als belangrijkste reden voor vrouwen om borstvoeding te gaan geven, noemen ze dat het gezonder is dan flesvoeding. Onderzoek toont aan dat het percentage vrouwen dat om deze reden kiest voor het geven van borstvoeding is gestegen van 41% in 2002 naar 48% in 2006 (Lanting & Van Wouwe, 2007b). Deze stijging liep parallel aan de uitvoering van het masterplan 'Borstvoeding 2002-2006’, waarin de gezondheidseffecten van borstvoeding uitvoerig onder de aandacht zijn gebracht.
Kraamzorg door gecertificeerde instellingen leidt tot gunstiger borstvoedingspercentages
In de Peiling Melkvoeding 2007 is het effect van certificering onderzocht. Uit de resultaten blijkt dat de groep moeders die kraamzorg had ontvangen van een gecertificeerde kraamzorginstelling vaker startten met borstvoeding: 84% in de gecertificeerde groep versus 79% in de groep die kraamzorg had ontvangen van een niet-gecertificeerde kraamzorginstelling. Op de achtste dag gaf nog 72% van de moeders met gecertificeerde kraamzorg volledig borstvoeding, tegen 62% in de niet-gecertificeerde groep (Lanting & Van Wouwe, 2007). Er kon geen statistisch significante relatie worden aangetoond tussen het krijgen van gecertificeerde kraamzorg en de duur van de periode waarin uitsluitend borstvoeding werd gegeven.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Financiering en kosten
Hoeveel geld is er beschikbaar en hoe wordt het verdeeld?
Ministerie van VWS kent ruim 1 miljoen euro toe voor borstvoedingsactiviteiten
Door het ministerie van VWS is in totaal 1,1 miljoen euro toegekend aan subsidie voor uitvoering van onderdelen van het masterplan ‘Borstvoeding’ in de jaren 2008 tot en met 2011. Dit is exclusief de ontwikkeling van een film over borstvoeding en de jaarlijkse realisatie van het tijdschrift BV Borstvoeding. De kosten voor de film worden gedekt door een fonds van verzekeraars en het tijdschrift wordt bekostigd uit advertentie-inkomsten. De Stichting Zorg voor Borstvoeding ontvangt ook subsidie van VWS, maar deze subsidie is aflopend. Inkomsten uit het verrichten van (re-)assessments voor certificering moeten in de toekomst de kosten gaan dekken. Verder hebben de Vereniging Borstvoeding Natuurlijk en de Borstvoedingsorganisatie LLL inkomsten uit verkoop van voorlichtingsmaterialen en bijdragen van donateurs. De kosten die zorginstellingen en zorgaanbieders maken voor de begeleiding van borstvoeding, vallen binnen hun zorgbudgetten en de omvang ervan is niet te traceren.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Doel en organisatie
Tien vuistregels voor het welslagen van borstvoeding
Tien vuistregels voor het welslagen van borstvoeding
De WHO en UNICEF ontwikkelden 'Tien vuistregels voor het welslagen van de borstvoeding'. Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen er zorg voor te dragen (SZB, 2002b):
dat zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben, dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle betrokken medewerkers;
dat alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid;
dat alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven;
dat moeders binnen een uur na de geboorte van hun kind worden geholpen met borstvoeding geven;
dat aan vrouwen wordt uitgelegd hoe ze hun baby moeten aanleggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder moet worden gescheiden;
dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie;
dat moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven;
dat borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd;
dat aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen wordt gegeven;
dat er borstvoedingsbegeleidingsgroepen kunnen worden gevormd en dat vrouwen bij het beëindigen van de zorg naar deze groepen worden verwezen.
24 juni 2009
Bevorderen van borstvoeding
Doel en organisatie
Zeven stappen voor ondersteuning van borstvoeding in de JGZ
Zeven stappen voor ondersteuning van borstvoeding in de Jeugdgezondheidszorg
Alle instellingen voor Jeugdgezondheidszorg dienen ervoor zorg te dragen (SZB, 2002c):
dat zij een borstvoedingsbeleid op papier hebben dat standaard bekend wordt gemaakt aan alle medewerkers;
dat alle betrokken medewerkers de vaardigheden aanleren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dat beleid;
dat alle zwangere vrouwen worden voorgelicht over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven;
dat vrouwen die borstvoeding geven daarin worden gestimuleerd en ondersteund met aandacht voor de preventie en oplossing van problemen;
dat aan vrouwen wordt uitgelegd dat het kind tot de leeftijd van ongeveer zes maanden over het algemeen geen andere voeding nodig heeft dan moedermelk en dat de borstvoeding, gecombineerd met andere voedingsmiddelen, daarna kan doorgaan zolang moeder en kind dat wensen;
dat zij voorlichting geven over de mogelijkheden het geven van borstvoeding te combineren met werk of studie buitenshuis;
dat zij contacten onderhouden met andere instellingen en disciplines over de begeleiding van borstvoeding en dat zij de ouders verwijzen naar borstvoedingsorganisaties.
EC, European Commission.
EU Project on Promoting Breastfeeding in Europe. Protection, promotion and support in Europe: a Blueprint for action (revised).
Luxembourg: EC, 2008.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Borstvoeding in Nederland, een nadere beschouwing. Achtergrondkenmerken, redenen en motieven, en het effect van het BFH. TNO-Rapport nr. KvL/JPB/2005.080.
Leiden: TNO, 2005.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Peiling Melkvoeding van Zuigelingen 2007: Borstvoeding in Nederland en relatie met certificering door stichting Zorg voor Borstvoeding.
TNO-rapport KvL/P&Z 2007.104, 2007.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Redenen en motieven om te starten en te stoppen met borstvoeding.
TNO-rapport KvL/P&Z 2007.105, 2007.
SZB, Stichting Zorg voor Borstvoeding.
http: //www.zvb.borstvoeding.nl - Tien Vuistregels, (29 mei 2002).
SZB, 2002b.
SZB, Stichting Zorg voor Borstvoeding.
http: //www.zvb.borstvoeding.nl - Zeven Stappen voor de JGZ, (29 mei 2002).
SZB, 2002c.
Vis C.
Borstvoeding verdient tijd. Nameting publiekscampagne.
Centerdata, 2006.
Visser F.
Effectmeting 'Bewustwordingscampagne Borstvoeding & Werk'.
NIGZ, 2005.
VWS & LNV, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport & Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
'Gezonde voeding, van begin tot eind'. Nota voeding en gezondheid.
Den Haag: VWS/LNV, 2008.
WHO, World Health Organization.
International Code of Marketing of Breastmilk Substitutes.
Geneva: WHO, 1981.
WHO, World Health Organization.
Report of the expert consultation of the optimal duration of exclusive breastfeeding.
Geneva: WHO, 2001g.
WHO, World Health Organization.
Global Strategy for Infant and Young Child Feeding.
Geneva: WHO, 2003g.
WHO/Unicef, World Health Organization/Unicef.
Innocent Declaration.
Geneva: WHO, 1990.
WHO/Unicef, World Health Organization/Unicef.
Planning guide for national implementation of the global strategy for infant and young child feeding.
Geneva: WHO, 2007.
Wouwe JP van, Lanting CI.
Een verkennend onderzoek naar de effecten van een aantal activiteiten van de campagne 'Borstvoeding verdient meer tijd' van het Voedingscentrum.
Leiden: TNO, 2006.
EC, European Commission.
EU Project on Promoting Breastfeeding in Europe. Protection, promotion and support in Europe: a Blueprint for action (revised).
Luxembourg: EC, 2008.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Borstvoeding in Nederland, een nadere beschouwing. Achtergrondkenmerken, redenen en motieven, en het effect van het BFH. TNO-Rapport nr. KvL/JPB/2005.080.
Leiden: TNO, 2005.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Peiling Melkvoeding van Zuigelingen 2007: Borstvoeding in Nederland en relatie met certificering door stichting Zorg voor Borstvoeding.
TNO-rapport KvL/P&Z 2007.104, 2007.
Lanting CI, Wouwe JP van.
Redenen en motieven om te starten en te stoppen met borstvoeding.
TNO-rapport KvL/P&Z 2007.105, 2007.
SZB, Stichting Zorg voor Borstvoeding.
http: //www.zvb.borstvoeding.nl - Tien Vuistregels, (29 mei 2002).
SZB, 2002b.
SZB, Stichting Zorg voor Borstvoeding.
http: //www.zvb.borstvoeding.nl - Zeven Stappen voor de JGZ, (29 mei 2002).
SZB, 2002c.
Vis C.
Borstvoeding verdient tijd. Nameting publiekscampagne.
Centerdata, 2006.
Visser F.
Effectmeting 'Bewustwordingscampagne Borstvoeding & Werk'.
NIGZ, 2005.
VWS & LNV, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport & Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
'Gezonde voeding, van begin tot eind'. Nota voeding en gezondheid.
Den Haag: VWS/LNV, 2008.
WHO, World Health Organization.
International Code of Marketing of Breastmilk Substitutes.
Geneva: WHO, 1981.
WHO, World Health Organization.
Report of the expert consultation of the optimal duration of exclusive breastfeeding.
Geneva: WHO, 2001g.
WHO, World Health Organization.
Global Strategy for Infant and Young Child Feeding.
Geneva: WHO, 2003g.
WHO/Unicef, World Health Organization/Unicef.
Innocent Declaration.
Geneva: WHO, 1990.
WHO/Unicef, World Health Organization/Unicef.
Planning guide for national implementation of the global strategy for infant and young child feeding.
Geneva: WHO, 2007.
Wouwe JP van, Lanting CI.
Een verkennend onderzoek naar de effecten van een aantal activiteiten van de campagne 'Borstvoeding verdient meer tijd' van het Voedingscentrum.
Leiden: TNO, 2006.