Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ga naar hoofdmenu / zoeken

Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2006

www.vtv2006.nl

Wat betekent gezondheidszorg voor onze gezondheid?

Gezondheidszorg levert substantiële bijdrage aan de volksgezondheid

De gezondheidszorg levert een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Vooral bij infectieziekten en hart- en vaatziekten is de sterfte door medische zorg en collectieve preventie in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald. Bij kanker is die bijdrage kleiner.Op grond van buitenlands onderzoek mag worden aangenomen dat de geestelijke gezondheidszorg de ziektelast van psychische stoornissen met tien tot vijftien procent heeft teruggebracht. Dit percentage zou nog tot twintig kunnen toenemen als er alleen 'evidence-based' gewerkt zou worden.

Als totaaleffect van de gezondheidszorg wordt een toename van de levensverwachting met drie à vier jaar genoemd. Effecten op kwaliteit van de leven komen hier nog bij. Hoewel het om voorlopige cijfers gaat, is toch de conclusie al gerechtvaardigd dat de gezondheidszorg, zeker in de meest recente periode, een substantiële bijdrage levert aan de gezondheid van de inwoners van Nederland.

Prestatie-indicatoren in ontwikkeling

Prestaties van de gezondheidszorg kunnen ook op tal van andere manieren in kaart worden gebracht. Daarbij bestaat een toenemende aandacht voor prestatie-indicatoren. Deze bieden in de vorm van kengetallen inzicht in de kwaliteit van zorg en andere aspecten van het functioneren van de gezondheidszorg, zoals toegankelijkheid en betaalbaarheid.

Het terrein van prestatiemeting in de zorg is nog volop in ontwikkeling en de verwachtingen zijn hooggespannen. Er zijn echter aanzienlijke knelpunten bij de ontwikkeling en toepassing van prestatie-indicatoren, zoals de vaak ontoereikende kwaliteit en vergelijkbaarheid van de benodigde data en de hoge kosten en registratielast. Daarnaast lopen de perspectieven van belanghebbende partijen op prestaties en prestatie-informatie vaak sterk uiteen en ontbreekt het soms aan expertise op het terrein van indicatorontwikkeling in de gezondheidszorg. Er moet nog veel werk worden verzet voor de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in al zijn facetten door middel van indicatoren eenduidig en transparant kunnen worden gevolgd. Maar een ding is duidelijk: de tijd van het niet-meten van prestaties is definitief voorbij.

Zorgbalans 2004 als ijkpunt

De Zorgbalans beschrijft de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004. Nederland heeft anno 2004 een toegankelijk zorgsysteem en de kwaliteit van zorg is op meerdere onderdelen bovengemiddeld. Wat betreft de effectiviteit van preventie en zorg, patiëntveiligheid en ketenzorg is nog veel winst te boeken. De Zorgbalans kan gezien worden als een nulmeting waarlangs in de toekomst de effecten van de stelselwijziging kunnen worden afgemeten.

In de Nederlandse gezondheidszorg gaat jaarlijks veel geld om. Dit geeft aanleiding tot belangrijke vragen. Wat krijgen we voor dit geld terug? Welke bijdrage levert de gezondheidszorg aan de volksgezondheid in Nederland? Hoe presteert de zorg? Deze vragen laten zich echter niet gemakkelijk beantwoorden. Daarom zijn er in de achterliggende jaren verschillende lijnen uitgezet om inzicht te krijgen in de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg. In deze paragraaf worden drie onderzoekslijnen samengevat.

In Hoeveel gezondheid levert de gezondheidszorg op? wordt allereerst stilgestaan bij een achtergrondstudie waarin ten behoeve van deze VTV is geschat wat in de achterliggende decennia de bijdrage van de gezondheidszorg aan de volksgezondheid is geweest (Meerding et al., 2006). Het gaat daarbij om de invloed van de gezondheidszorg op de levensverwachting en de kwaliteit van leven van de Nederlandse bevolking.

Prestatie-indicatoren worden steeds belangrijker

De prestaties van de gezondheidszorg kunnen ook vanuit andere invalshoeken in kaart worden gebracht, zowel als het gaat om de uitkomsten van de zorg als om het proces van de zorgverlening zelf. Het gaat dan om zaken als bejegening, patiëntveiligheid en toegankelijkheid van zorg. De laatste jaren is de aandacht voor het meten van de prestaties van de zorg sterk toegenomen. Centraal daarin staat de ontwikkeling van zogeheten prestatie-indicatoren. Deze beogen in een enkel getal uitdrukking te geven aan specifieke aspecten van de prestaties van de zorg, vooral op de aspecten van kwaliteit en effectiviteit. Onder andere de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Orde van Medisch Specialisten houden zich elk vanuit hun eigen perspectief en doelstellingen bezig met de ontwikkeling van indicatorensets. Verder wordt door verschillende organisaties gewerkt aan de implementatie van de Amerikaanse Consumer Assessment of Health Plan Survey (CAHPS) vragenlijsten in de Nederlandse context. Hierin staat het perspectief van de patiënt centraal waarbij 'empowerment' van de patiënt en het faciliteren van vraaggestuurde zorg belangrijke doelstellingen zijn. Uit deze voorbeelden volgt dat prestatie-indicatoren nauw gekoppeld zijn aan het gebruiksdoel en voor wie ze worden gemaakt. Het hele terrein van prestatiemeting in de zorg is nog volop in ontwikkeling, op alle niveaus van de zorg, van het micro-niveau van individuele zorgaanbieders en specifieke behandelingen, tot het meso-niveau van beroepsgroepen en ziekteketens en het macro-niveau van het zorgstelsel in al zijn facetten.

Prestatie-indicatoren voor specifieke ziekten en voor het gehele zorgstelsel

In het kader van deze Volksgezondheid Toekomt Verkenning is het thema van de prestatie-indicatoren uitgewerkt op ziektespecifiek niveau. Het gaat om een benadering die aansluit op wat in de internationale literatuur 'clinical logics' is gaan heten. Anders dan de term suggereert gaat het hierbij zeker niet om klinische indicatoren maar veel meer om de prestaties van hele zorgketens. In Prestatie-indicatoren voor de gezondheidszorg wordt een eerste verkenning gegeven van prestatie-indicatoren voor diabeteszorg (Van den Berg Jeths & Baan, 2006). Dit is de tweede onderzoekslijn die hier wordt samengevat. De derde lijn betreft de Zorgbalans, die een eerste aanzet biedt voor een set prestatie-indicatoren voor het hele zorgstelsel (Westert & Verkleij, 2006). Centraal daarin staan kwaliteit, toegankelijkheid en kosten van de Nederlandse gezondheidszorg. De eerste editie van de Zorgbalans biedt een soort nulmeting van de prestaties van de zorg voorafgaand aan de stelselwijziging. Door in de toekomst deze indicatoren periodiek te meten kunnen de effecten van de stelselwijziging op de prestaties van de gezondheidszorg in beeld worden gebracht.


23 juni 2006
Wat betekent gezondheidszorg voor onze gezondheid?
Hoeveel gezondheid levert de gezondheidszorg op?

Het ultieme doel van de gezondheidszorg is verbetering van de volksgezondheid. De vraag wat de bijdrage is van de gezondheidszorg aan de volksgezondheid ligt dus voor de hand, maar is ook onderwerp van een voortgaande discussie. Dit komt omdat het aantonen van het causale verband tussen gezondheidszorg en volksgezondheid op bevolkingsniveau allerminst eenvoudig is, en in de praktijk nog heel wat lastiger dan het aantonen van effecten op individueel niveau, bijvoorbeeld door middel van randomized clinical trials. Op bevolkingsniveau zijn ook andere factoren van invloed, die gelijktijdig met de ontwikkelingen in de gezondheidszorg zijn veranderd, zoals een hoger welvaartsniveau, onderwijs en betere voeding. Op dit terrein is veel empirisch onderzoek gedaan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in twee benaderingen. Ten eerste zijn er studies uitgevoerd waarin op grond van medisch-inhoudelijke kennis en de feitelijke daling van de doodsoorzaakspecifieke sterfte is berekend welke bijdrage medische interventies aan deze sterftedaling hebben geleverd. Ten tweede zijn er studies die een meer ecologische benadering volgen, uitgaande van empirische samenhangen op internationaal niveau tussen het aanbod van gezondheidszorg en sterfte, rekening houdend met het effect van andere determinanten. Van beide bijdragen geven wij een kort overzicht van de bevindingen in de literatuur.

Volgens McKeown geen grote sterftedaling door de gezondheidszorg

De schattingen van de mate waarin de gezondheidszorg, waartoe hier zowel curatieve interventies als ook de collectieve preventie worden gerekend, bijdraagt aan sterftereductie en daarmee aan een toename van de levensverwachting laten een uiteenlopend beeld zien (tabel 2.16). Dit heeft onder meer te maken met de tijdsperiode die is onderzocht. Zo toonde McKeown aan, op basis van gedegen analyses van de sterfteontwikkeling in Engeland en Wales, dat de medische zorg geen substantiële bijdrage had geleverd aan de stijging in de levensverwachting van het midden van de negentiende eeuw tot 1971 (McKeown, 1976). Deze stijging was wel voor 74% toe te schrijven aan de reductie van de sterfte aan infectieziekten, waaronder tuberculose en pneumonie, maar het belangrijkste deel hiervan werd gerealiseerd voorafgaand aan de introductie van effectieve medische interventies zoals de introductie van sulfonamides en antibiotica in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Met soortgelijke redeneringen betoogde McKeown dat ook bij andere ziekten de bijdrage van gezondheidszorg aan de sterftedaling in deze periode van ondergeschikt belang is geweest, ondanks belangrijke ontwikkelingen in bijvoorbeeld de chirurgie en de verloskunde. Verreweg het belangrijkste deel van de sterftedaling bleek in de analyse van McKeown het gevolg van een betere hygiëne (schoon drinkwater, riolering) en verbeterde levensomstandigheden waaronder met name een betere voeding. Tegen de conclusies van McKeown is echter wel het een en ander in te brengen, zoals blijkt uit analyses van de sterfteontwikkeling in Nederland.

Tabel 2.16: Literatuuroverzicht van de bijdragen van collectieve preventie en medische zorg aan sterftedaling en toename van de levensverwachting (Bron: Meerding et al., 2006).

Land

Periode

Bijdrage gezondheidszorg

Totale sterfte

McKeown (1976)

Engeland en Wales

1848/1854 - 1971

Circa 20% van de sterftedaling bij infectieziekten a (74% van totale sterftedaling), een minderheidsaandeel in de daling bij niet-infectieziekten (26% van totale sterftedaling)

Mackenbach (1996)

Nederland

1875/1879 - 1970

4,7-18,5%

Mackenbach et al. (1988)

Nederland

1950/1954 - 1980/1984

Winst in levensverwachting 3 jaar (mannen) en 4 jaar (vrouwen) b

Mackenbach (1992)

Nederland

1970 - 1989

15-29% (collectieve preventie) c

22-35% (medische zorg) d

Bunker et al. (1992)

VS

1950 - 1989

Winst in levensverwachting 1,5 jaar (collectieve preventie) en 4,5 jaar (medische zorg)

Sterfte coronaire hartziekten e

Goldman et al. (1984)

VS

1968 - 1976

40% (medische zorg), 60% (primaire preventie)

Capewell et al. (1999)

Schotland

1975 - 1994

40% (medische zorg), 51% (primaire preventie)

Bots et al. (1996)

Nederland

1978 - 1985

75% (medische zorg), 25% (primaire preventie)

Unal et al. (2005)

Engeland en Wales

1981 - 2000

25% (medische zorg), 75% (primaire preventie)

Hunink et al. (1997)

VS

1980 - 1990

71% (medische zorg), 25% (primaire preventie)

a Het deel van de sterftedaling dat plaatsvond na de introductie van effectieve medische interventies.

b Een maximumschatting, omdat dit de totale winst is bij door medische interventies vermijdbare doodsoorzaken; deze kan niet geheel worden toegeschreven aan medische interventies.

c Som van het effect op de sterftedaling bij hart- en vaatziekten en ongevallen.

d Som van het effect op de sterftedaling bij hart- en vaatziekten, cerebrovasculaire aandoeningen, ongevallen, infectieziekten, ziekten van spijsverteringsorganen, en perinatale aandoeningen.

e Onderscheid wordt gemaakt tussen het aandeel van primaire preventie, in het bijzonder de verminderde prevalentie van risicofactoren (deels door collectieve preventie) en van medische zorg door behandeling van risicofactoren en coronaire hartziekten.

Sterfte in Nederland gedaald door medische zorg en collectieve preventie

In Nederland zijn de doodsoorzaakspecifieke trends in de sterfte tot 1970 vergelijkbaar geweest aan die in Engeland en Wales. Het aandeel van (een deel van) de infectieziekten in de totale sterftedaling was circa 47% voor mannen en 45% voor vrouwen (Mackenbach, 1993a). Mackenbach toonde aan dat de introductie van antibiotica na de Tweede Wereldoorlog daarbij wel degelijk een versnelling van de sterftedaling teweeg heeft gebracht, in ieder geval bij een aantal specifieke infectieziekten (Mackenbach & Looman, 1988). Dit geldt bijvoorbeeld voor belangrijke doodsoorzaken als tuberculose en pneumonie, en ook voor minder belangrijke doodsoorzaken als syphilis, otitis media, reumatische koorts en kraamvrouwenkoorts. Wanneer hierbij nog een deel van de sterftedaling bij spijsverteringsziekten, vooral door verbeterde chirurgie, en perinatale aandoeningen wordt opgeteld, zou de bijdrage van medische zorg aan de sterftedaling tot 1970 in Nederland uitkomen op 4,7% tot 18,5% (Mackenbach, 1996). Verder kan worden aangenomen dat een aantal maatregelen op het terrein van de collectieve preventie, zoals voorlichting en aandacht voor persoonlijke hygiëne, belangrijke effecten hebben gehad op de daling van de sterfte aan diarreeziekten, pneumonie (longontsteking), acute bronchitis en influenza (griep), tuberculose en een aantal kinderziekten. Deze bijdrage van collectieve preventie aan de sterftedaling tot 1970 wordt globaal op 20% geschat (Mackenbach, 1992).

Overigens zijn ook vraagtekens gezet bij de rol van voeding als verklaring voor de sterftedaling aan infectieziekten (Mackenbach, 1996). Culturele factoren zoals de opkomst van het onderwijs en economische veranderingen zouden ook belangrijke onderliggende verklaringen kunnen bieden.

Levensverwachting in Nederland met drie à vier jaar toegenomen door gezondheidszorg

Sinds 1970, het eindpunt in de analyses van McKeown, heeft de medische ontwikkeling een hoge vlucht genomen, met name op het terrein van de hart- en vaatziekten. Het is dan ook waarschijnlijk dat de effecten van gezondheidszorg in deze periode zijn toegenomen. Mackenbach heeft de bijdrage van collectieve preventie aan de sterftedaling tussen 1970 en 1989 op ruwweg 20% geschat en de invloed van medische zorg op 25% (Mackenbach, 1992).

Centraal in deze aanpak staat het begrip 'vermijdbare sterfte'. Het gaat daarbij om de sterfte aan ziekten en aandoeningen waarvan bekend is dat deze door de gezondheidszorg wordt beïnvloed of zelfs kan worden voorkomen (Charlton et al., 1983; Mackenbach & Looman, 1988; Nolte & McKee, 2003; Nolte & McKee, 2004). Vanwege de algemene beschikbaarheid van doodsoorzakengegevens in westerse landen kan het concept 'vermijdbare sterfte' relatief eenvoudig worden geoperationaliseerd. Daarmee leent het zich niet alleen voor internationale vergelijkingen van de kwaliteit van zorg maar ook voor trendanalyses. Mackenbach heeft met deze aanpak aangetoond dat de levensverwachting in Nederland bij geboorte tussen 1950 tot 1954 en 1980 tot 1984 is toegenomen met drie jaar voor mannen en vier jaar voor vrouwen als gevolg van de gezondheidszorg (Mackenbach et al., 1988). Deze stijging blijft achter bij de zes jaar (1,5 jaar door screening en vaccinaties en 4,5 jaar door curatieve zorg) die Bunker voor de Verenigde Staten heeft berekend (Bunker et al., 1994). Maar omdat in die studie een geheel andere methodiek werd gebruikt zijn deze effecten niet zonder meer vergelijkbaar.

Ook in ecologische studies positieve relatie tussen gezondheidszorg en volksgezondheid

In 2003 baarde de World Health Organization (WHO) veel opzien met een rapport over Health Systems Performance Assessment (Murray & Evans, 2003). Deze studie volgde een geheel andere, meer ecologische aanpak. Met behulp van internationale datasets werd onderzocht welke verbanden er bestaan tussen het aanbod van gezondheidszorg en de volksgezondheid, ook wanneer rekening wordt gehouden met de eventuele invloed van andere gezondheidsdeterminanten als onderwijs, leefstijl en welvaart. Deze aanpak is ook in andere studies gevolgd, waarvan de meerderheid een significant positief effect van gezondheidszorg op gezondheid heeft aangetoond (Nixon & Ulmann, 2006). De omvang van het effect verschilt echter behoorlijk, mede als gevolg van methodologische verschillen tussen deze studies. Een probleem van dit soort studies is verder dat een aantal leefstijlfactoren, zoals roken en alcoholgebruik, vertraagd doorwerken op de volksgezondheid, waarbij de beschikbare gegevens het doorgaans niet toelaten om hiermee rekening te houden.

Preston voerde een ecologische analyse uit van de toename in levensverwachting in de periode van 1930 tot 1960 in een groot aantal landen. Hij liet zien dat het gestegen welvaartsniveau slechts 10 tot 25% van de toename in levensverwachting met gemiddeld 12 jaar kon verklaren. Ook de rol van alfabetisering en betere voeding bleek beperkt. Het grootste deel van de verbetering in de wereldwijde levensverwachting tussen 1930 en 1960 moet dus het gevolg zijn geweest van de introductie van een aantal medische technologieën zoals vaccinaties, antibiotica en sulfonamides, en maatregelen op het gebied van de bestrijding van ongedierte en (persoonlijke) hygiëne (Preston, 1975).

Aanzienlijke sterftedaling bij hart- en vaatziekten door medische zorg

Niet alleen voor de totale volksgezondheid maar ook voor specifieke ziekten kan gekeken worden wat de bijdrage van de gezondheidszorg is geweest aan bijvoorbeeld de reductie van sterfte. Voor hart- en vaatziekten worden de bevindingen samengevat in tabel 2.16. Net als bij de totale sterfteontwikkeling geldt ook voor de daling van de sterfte aan coronaire hartziekten vanaf eind jaren zestig dat de bijdrage van de gezondheidszorg nogal verschillend wordt ingeschat. Dit is mede afhankelijk van de tijdsperiode, waarbij het lijkt alsof de bijdrage van de gezondheidszorg over de tijd heen groter wordt. Drie van de vijf studies komen uit op een minderheidsaandeel, waarbij de rest wordt verklaard door een verbetering van risicofactoren (minder roken, minder serum cholesterol en hypertensie door gezondere voeding en meer beweging), waarvan een deel wel het gevolg is van collectieve preventiemaatregelen. Voor Nederland werd de bijdrage van medische zorg op 75% geschat (periode 1978-1985), hoewel hierin de bijdrage van autonome trends in hoge bloeddruk niet is meegenomen vanwege ontoereikende gegeven (Bots & Grobbee, 1996).

Relatieve sterftereductie door behandeling van kanker, effecten van vroege opsporing waarschijnlijk, vooral bij baarmoederhalskanker en borstkanker

In Nederland is de sterfte aan kanker in de afgelopen decennia bij vrouwen licht gedaald, en bij mannen per saldo gelijk gebleven, na een stijging vanaf de jaren zeventig die het gevolg was van het rookgedrag in de decennia ervoor. Het aantal nieuwe ziektegevallen van kanker is in die periode daarentegen sterk toegenomen, met maagkanker en baarmoederhalskanker als belangrijkste uitzonderingen. Dit is een duidelijke aanwijzing voor een verbeterde overleving door betere behandeling en, bij sommige kankers, vroege opsporing. Dit wordt bevestigd door overlevingsgegevens uit de kankerregistratie. Vanaf 1970 heeft een verbeterde behandeling met name bij lymfomen, borst-, ovarium-, schildklier-, colorectum, nier-, baarmoederhals-, testis- en kleincellige longkanker tot een verbeterde overleving geleid (Janssen-Heijnen et al., 2003). Helaas is weinig bekend over de gerealiseerde gezondheidswinst in termen van extra levensjaren en kwaliteit van leven op bevolkingsniveau.

Vroege opsporing kan door een betere alertheid (bijvoorbeeld bij melanomen), verbeterde opsporingstechnieken (bijvoorbeeld bij prostaatkanker) en georganiseerde screening (borst- en baarmoederhalskanker). Verbeteringen in de relatieve overleving kunnen overigens door vroege opsporing worden vertekend. Zo kan de overleving langer lijken omdat door de screening de diagnose eerder wordt gesteld. Dit staat bekend als de 'lead time bias'. Twijfels over het effect van vroege opsporing bestaan onder meer omdat de toegenomen mogelijkheden gelijktijdig hebben plaatsgevonden met verbeteringen in de behandeling van kanker (Quinn & Allen, 1995). Voor borstkanker bestaan inmiddels redelijk goede aanwijzingen dat screeningsprogramma's effectief zijn (zie tekstblok 2.15). Aanvankelijk waren dit de positieve bevindingen van experimenteel onderzoek, maar de kwaliteit van deze trials en de vertaalbaarheid naar landelijke screeningsprogramma's is onderwerp van stevige discussie (Olsen & Gotzsche, 2001; Humphrey et al., 2002). Zorgvuldige evaluatie van screeningsprogramma's en wiskundige modellering hebben de laatste jaren veel bijgedragen aan de kennis over de effectiviteit van borstkankerscreening op bevolkingsniveau. Modelberekeningen geven aan dat 28-65% van de daling van borstkankersterfte in de VS tussen 1975 en 2000 kon worden toegeschreven aan screening, en de rest aan toepassing van adjuvante therapie (Berry et al., 2005). De positieve effecten van screening op baarmoederhalskanker zijn nooit in experimentele studies aangetoond, maar wel in ecologische studies (Laara et al., 1987; Comber & Gavin, 2004) en door wiskundige modellering van screeningsgegevens. Zo voorkomt screening in Nederland jaarlijks naar schatting 500 gevallen van baarmoederhalskanker. De vroege opsporing van prostaatkanker is sinds het begin van de jaren negentig sterk toegenomen (PSA-test). De effectiviteit en daarmee de wenselijkheid van prostaatkankerscreening is echter nog ongewis en onderwerp van lopend experimenteel onderzoek. Door screening kan prostaatkanker weliswaar veel eerder worden ontdekt, maar omdat prostaatkanker overwegend op oudere leeftijd voorkomt leidt dit tot een aanzienlijke overdetectie van kankers die zonder screening nooit zouden zijn gevonden.

Geestelijk gezondheidszorg verbetert kwaliteit van leven

Op grond van buitenlands onderzoek mag worden aangenomen dat de geestelijke gezondheidszorg de ziektelast van psychische stoornissen met tien tot vijftien procent heeft teruggebracht. Dit percentage zou nog tot twintig kunnen toenemen als men uitsluitend 'evidence-based' zou werken (zie tekstblok 2.20).

Tekstblok 2.20: Australische ggz vermindert 13% van de ziektelast van psychische stoornissen.

Voor tien veelvoorkomende psychische stoornissen berekenden Andrews et al. (Andrews et al., 2004) het effect van de ggz op de kwaliteit van leven in de Australische bevolking in 1997. Ze combineerden de uitkomsten van epidemiologisch onderzoek, onderzoek naar kwaliteit van leven en behandeleffect-onderzoek. De resultaten (zie tabel 2.17) zijn in grote lijnen ook toepasbaar op de Nederlandse situatie (Beekman, 2006). Voor de methodologische verantwoording, zie Andrews et al., 2003.

Tabel 2.17 moet als volgt worden gelezen. Er waren in Australië in 1997 in totaal 648.375 mensen met een depressieve stoornis (depressie). Rekening houdend met de duur van de depressieve episode in dat jaar en het gewicht voor depressie in de Australische Burden of Disease studie leidde dat tot 143.018 DALY's (op basis van Years lived with disability; YLD's). Van alle Australiërs met depressie werd iets meer dan de helft (60,2%) in dat jaar voor depressie behandeld. Van deze mensen kreeg de helft een 'evidence-based' behandeling; 31,7% van het geheel. Op grond van effect-onderzoek werd geschat dat deze evidence-based behandelingen leidden tot een vermindering van 22.559 DALY's in dat jaar. Dat is 16% van het totale aantal DALY's door depressie. Conclusie: de Australische ggz vermindert 16% van de ziektelast als gevolg van depressie.

Voor deze tien psychische stoornissen samen verminderde de Australische ggz 13% van alle DALY's, maar deze percentages verschilden enorm per stoornis (range 2 tot 19%). Dat wordt vooral veroorzaakt door verschillen in bereik van de ggz. Zo werden mensen met stemmingsstoornissen meestal wel behandeld, maar dat gold slechts voor eenderde van de mensen met angststoornissen, en voor een op de tien mensen met alcoholgerelateerde stoornissen. De onderzoekers schatten het bereik bij schizofrenie op 100%, maar dat is mogelijk wat al te optimistisch (Beekman, 2006).

In enkele scenariostudies berekenden Andrews en zijn collega's vervolgens wat het effect zou kunnen zijn van verbeteringen in zorgaanbod en -gebruik (Andrews et al., 2004). Eerst keken ze wat er zou gebeuren als alle geboden behandelingen evidence-based zouden zijn geweest. Daarmee ging het effect van de ggz omhoog van 13 naar 20% van de DALY's. Indien het bereik van de ggz vervolgens zou worden verhoogd naar gemiddeld tweederde van alle mensen met deze psychische stoornissen, ging het effect verder omhoog naar 28%. Het volkomen irreële scenario van 100% bereik en 100% evidence-based aanbod van de ggz zou leiden tot een 40% reductie van DALY's.

Tabel 2.17: Effect van de Australische ggz op de kwaliteit van leven (overgenomen uit Andrews et al., 2004, Tabel 2, p. 529).

Ziektelast in de bevolking

Verminderde ziektelast door GGZ

Jaarprevalentie

DALY's

Bereik

Effectief bereik

Vermindering DALY's

(n)

(%)

(%)

(%)

Stemmingsstoornissen

797.892

194.162

59,8

33,7

30.078

15

Depressieve stoornis

648.375

143.018

60,2

31,7

22.559

16

Dysthymie

78.209

37.781

50,9

33,3

4.982

13

Bipolaire stoornis

71.308

13.363

66,1

46,2

2.536

19

Angststoornissen

1.086.331

201.547

35,2

19,7

26.059

13

Paniekstoornis/ agorafobie

175.994

25.338

39,1

23,8

2.375

9

Sociale fobie

206.976

30.058

20,8

6,7

2.530

8

Gegeneraliseerde angststoornis

376.290

85.341

37,6

20,5

14.469

17

Post-traumatische stress stoornis

327.071

60.810

39,5

25,1

6.687

11

Alcoholstoornissen

479.342

48.744

10,7

5,6

745

2

Alcoholmisbruik

251.911

5.304

8,1

3,6

95

2

Alcoholafhankelijkheid

227.431

43.439

13,6

7,8

650

2

Schizofrenie

39.048

28.671

100,0

100,0

3.774

13

Enige psychische stoornis

2.402.613

473.123

39,5

22,8

60.655

13

Gezondheidseffecten van gezondheidszorg in Nederland

Als achtergrondstudie bij deze VTV is een analyse uitgevoerd van de gezondheidseffecten die verbeteringen in de gezondheidszorg gedurende de afgelopen vijftig tot zestig jaar hebben gehad op de levensverwachting en kwaliteit van leven van de Nederlandse bevolking. Enkele voorlopige resultaten voor infectieziekten en kanker worden beschreven in de tekstblokken 2.21 en 2.22. Een rapport met een uitgebreidere beschrijving van methoden en bevindingen verschijnt in de tweede helft van 2006 als onderdeel van de RIVM-reeks 'Zorg voor euro's' (Meerding et al., 2006).

De in tekstblokken 2.21 en 2.22 gepresenteerde resultaten zijn hier bedoeld als illustratie van het niet onaanzienlijke effect dat verbeteringen in de gezondheidszorg op de volksgezondheid hebben gehad. In het geval van infectieziekten hebben de introductie van antibiotica en vaccinaties geleid tot een toename van de levensverwachting bij de geboorte van ongeveer 1,8 jaar, en tot een afname van het aantal ziektejaarequivalenten met 0,2 jaar. Verbeteringen in behandeling en vroege opsporing van kanker hebben geleid tot een toename van de levensverwachting bij de geboorte van ongeveer 0,8 jaar bij vrouwen en 0,3 jaar bij mannen, maar ook tot een toename van het aantal ziektejaarequivalenten met 0,04 jaar bij mannen.

Uiteraard zijn al deze schattingen met enige onzekerheid omgeven. Dit geldt meer dan gemiddeld voor de effecten van de gezondheidszorg op de kwaliteit van leven, omdat empirische gegevens hierover ver terug in de tijd ontbreken. Ook ontbreken nog de gezondheidseffecten voor enkele ziekten waaronder een aantal seksueel overdraagbare aandoeningen en vormen van kanker bij kinderen en jongvolwassenen. Voor een totaalschatting van de gezondheidseffecten van de Nederlandse gezondheidszorg moeten daarbij nog de effecten bij andere aandoeningen worden opgeteld, zoals hart- en vaatziekten, ziekten van het spijsverteringsstelsel en vele andere fatale en niet-fatale aandoeningen. Gelet op deze kanttekeningen lijkt het erop dat de bijdrage van de gezondheidszorg aan de volksgezondheid in Nederland aanzienlijk is. De exacte bijdrage, zowel absoluut als ten opzichte van andere determinanten, is daarmee zeker nog geen uitgemaakte zaak. Verder onderzoek hiernaar is dus essentieel voor een goede beoordeling van de effecten van de gezondheidszorg.

Tekstblok 2.21: Gezondheidseffecten van gezondheidszorg bij infectieziekten.

Voor infectieziekten is een schatting gemaakt van het effect van verbeteringen in de gezondheidszorg sinds de Tweede Wereldoorlog op de levensverwachting en de kwaliteit van leven. Daarbij is een poging gedaan op basis van medisch-inhoudelijke kennis de bijdrage van verbeterde gezondheidszorg te isoleren van die van andere factoren die een rol hebben gespeeld, zoals een betere welstand en voeding, betere behuizing en verbeterde hygiëne (schoon drinkwater, riolering, et cetera). Sommige andere factoren hebben overigens juist een negatieve rol gespeeld, zoals de toename van salmonella-infecties door de opkomst van de bio-industrie.

De gezondheidseffecten zijn gekwantificeerd door een vergelijking van de huidige volksgezondheid met een 'nulsituatie', een situatie die van de huidige slechts verschilt door het ontbreken van verbeteringen in de gezondheidszorg. De stand van de medische technologie ten tijde van de naoorlogse jaren is gekozen als benadering van deze nulsituatie. Dit is de periode voorafgaand aan de introductie van antibiotica en van vaccinaties, twee belangrijke medische innovaties bij de bestrijding van infectieziekten. Overigens kan dit niet als absolute nulsituatie worden beschouwd, omdat daarvoor al sprake was van belangrijke medische toepassingen, zoals chirurgie (bijvoorbeeld bij appendicitis), isolatie van patiënten (tuberculose) en het gebruik van sulfonamiden (vanaf 1935), antitoxine (difterie) en salvarsan (syfilis).

Het effect van de introductie van antibiotica is gemeten als een eenmalige sterftedaling en/of een versnelling hiervan na invoering van antibiotica in 1947, bij die infectieziekten waarvan medisch-inhoudelijk gezien aannemelijk is dat gebruik van antibiotica een positief effect op de case fatality (sterfterisico bij patiënten) heeft gehad. Hierbij is gecorrigeerd voor de vooroorlogse sterftetrend, omdat bij een aantal infectieziekten reeds in de jaren twintig en dertig sprake was van een sterftedaling door bovengenoemde factoren. De resultaten zijn opgenomen in tabel 2.18. Deze laat zien dat inderdaad bij een groot aantal infectieziekten sprake is geweest van een eenmalige verlaging en/of een versnelling van de sterftedaling, die samenviel met de introductie van antibiotica. Het gezondheidseffect door antibiotica is vervolgens gekwantificeerd als het verschil tussen de geobserveerde sterfte eind jaren zestig en de berekende sterfte eind jaren zestig als de vooroorlogse trend zich tot dan zou hebben doorgezet (kolom 1 in tabel 2.18).

Het effect van de introductie van antibiotica is geschat op basis van een trendanalyse van sterftedata van infectieziekten. Het betreft een naar analogie van Mackenbach (Mackenbach et al., 1988) uitgevoerde poisson-regressie op sterftedata van 1921 tot 1968, met kalenderjaar als de verklarende variabele, en met correctie voor leeftijd en geslacht. In de analyse zijn de oorlogsjaren weggelaten omdat deze een tijdelijke verslechtering van de volksgezondheid in het algemeen met zich mee brachten.

In aanvulling hierop is een schatting gemaakt van de sterftedaling door vaccinatie, in het bijzonder de vaccinaties tegen difterie, kinkhoest, polio, mazelen, en meningitis. De effecten van de griepvaccinatie zijn vooralsnog niet gekwantificeerd. Ook hierbij is gecorrigeerd voor eventuele andere factoren die een daling in de sterfte zouden kunnen hebben verklaard, op een vergelijkbare manier als bij de analyse van antibiotica, namelijk door te corrigeren voor een eventuele sterftetrend voorafgaand aan de introductie van vaccinatie (dktp in 1952-1957, mazelen in 1971-1976, Hib in 1993, meningitis C in 2002). Uiteindelijk bleek dat alleen bij kinkhoest sprake was van een dalende sterftetrend voorafgaand aan vaccinatie, zodat voor de overige infectieziekten het verschil in sterfte voor en na de introductie van vaccinatie toegerekend is aan de vaccinatie zelf.

Omdat het sterfteverschil leeftijdsspecifiek is berekend, konden de resultaten vertaald worden naar twee overlevingstafels met een standaardpopulatie. Het verschil in levensverwachting tussen deze overlevingstafels is de overlevingswinst die kan worden toegeschreven aan verbeteringen in medische zorg.

Antibiotica en vaccinaties hebben ook effecten op de morbiditeit door infectieziekten. Vaccinatie voorkomt nieuwe ziektegevallen. Door antibiotica kan de ziekteduur verkort worden en kunnen (door verbreking van de transmissie) incidente gevallen worden voorkomen. In het geval van antibiotica kan de verminderde case fatality echter ook gepaard gaan met een verlenging van de ziekteduur, met name als sprake is van permanente gezondheidsschade, zoals bij meningitis.

Het effect op de morbiditeit is als volgt gekwantificeerd. De incidentie in de nulsituatie is bij tuberculose, difterie, kinkhoest, polio en syphilis teruggerekend uit de sterfte in de nulsituatie (zie hierboven) en de case fatality vóór de introductie van antibiotica (op basis van empirische data of literatuur). Voor meningitis en mazelen is de gemiddelde incidentie in de jaren voorafgaand aan de vaccinatie gebruikt. De incidenties voor de huidige situatie zijn steeds gebaseerd op registratiegevens. Voor elke ziekte, en apart voor de nulsituatie en de huidige situatie, is in een Incidentie-Prevalentie-Mortaliteit-model de incidentie gecombineerd met de kans op complicaties of permanente gevolgen en de duur hiervan (op basis van literatuur), en de sterfte. De jaren doorgebracht per ziektestadium zijn gewogen naar ernst met behulp van bestaande gewichten voor beperkingen, resulterend in ziektejaarequivalenten (Stouthard et al., 1997a). Het verschil in het aantal ziektejaarequivalenten tussen de huidige en de nulsituatie kan worden toegerekend aan de verbeterde gezondheidszorg.

De resultaten worden gepresenteerd in tabel 2.19. De totale winst in levensverwachting door verbeteringen in gezondheidszorg voor infectieziekten is geschat op 1,8 jaar. Deze winst is het grootst bij tuberculose (0,7 jaar), acute bronchitis/influenza (0,3 jaar) en pneumonie (0,2 jaar). Additioneel is de winst in kwaliteit van leven, namelijk een vermindering van het aantal ziektejaarequivalenten van 0,24. Het effect is het grootst bij mazelen, omdat deze ziekte vóór invoering van vaccinatie zeer frequent was (het 'lifetime risico' benaderde waarschijnlijk de 100%). Van een aantal infectieziekten zijn de kwaliteit van leven-effecten van verbeterde gezondheidszorg overigens nog niet doorgerekend. Er waren bijvoorbeeld onvoldoende gegevens voorhanden over het effect van antibiotica op de duur en ernst van een aantal infecties of van het effect op chronische complicaties.

In de analyses is de stijging van de incidentie (en sterfte) van sepsis, pneumonie en een aantal andere infectieziekten (onder andere wondroos, MRSA) vanaf de jaren zestig als een autonome trend beschouwd. Deze ontwikkeling heeft te maken met een combinatie van factoren, zoals de toename van invasieve ingrepen, toepassing van immunosuppresieve behandelingen, toegenomen kwetsbaarheid bij ouderen, antibiotica-resistentie en registratie-effecten door een toenemende herkenbaarheid van infectieziekten als oorzaak van ziekte en sterfte. De sterftetoename bij deze infectieziekten kan dus niet los worden gezien van de gunstige effecten van verbeteringen in de gezondheidszorg elders.

Tabel 2.18: Daling in de gestandaardiseerde sterfte aan infectieziekten voor (1921-1939) en na (1947-1968) de introductie van antibiotica (in fracties) a (Bron: Meerding et al., 2006).

Daling sterfte per jaar

Eenmalige verlaging

Toename in daling sterfte per jaar

1921-1939

ca. 1947

1947-1968

Tyfus

-0,11

0,68

0,08

Roodvonk

-0,03

-0,74

-0,10

Mazelen

-0,08

-0,38

-0,01

Syfilis

-0,02

-0,19

-0,07

Encephalitis, meningitis b

-0,06

0,41

0,02

Convulsies c

-0,11

0,83

-0,71

Otitis media (middenooronsteking)

0,05

-1,25

-0,12

Acute bronchitis, influenza

-0,01

-0,39

-0,05

Pneumonie

-0,04

-0,39

-0,01

Reumatische koorts

0,00

-0,04

-0,18

Diarree, dysenterie, enteritis d

-0,09

0,79

0,06

Peritonitis

-0,09

0,24

0,04

Gonorroe, andere SOA

0,05

-1,28

-0,12

Acute nefritis

-0,05

0,12

-0,03

Kraamvrouwenkoorts

-0,01

-1,42

-0,15

Wondroos

-0,02

-0,97

-0,10

Sepsis

-0,06

-0,16

-0,01

Tuberculose

-0,06

0,23

-0,12

Overige infectieziekten

0,00

-0,21

-0,04

Totaal infectieziekten

-0,05

-0,08

-0,02

a Gebaseerd op een analyse analoog aan die uitgevoerd door Mackenbach et al. (1988).

b Bij meningokokken-meningitis is wel sprake van een versnelling van de sterftedaling na WO II.

c Een belangrijk deel van de sterfte aan convulsies kwam voor bij kinderen met koorts.

d Bij bacillaire dysenterie is wel sprake van een versnelling van de sterftedaling na WO II.

Tabel 2.19: Schatting van de gezondheidswinst door verbeteringen in de gezondheidszorg (antibiotica en vaccinaties) bij infectieziekten tussen circa 1947 en 2003 a (Bron: Meerding et al., 2006).

Lifetime ziektejaarequivalenten

Levensverwachting (jaren)

Infectieziekten met antibiotica als belangrijkste interventie

Maagdarminfecties

≈0

+0,130 d

Tuberculose e

-0,023

+0,670

Syphilis

-0,01

+0,068

Otitis media

≈0

+0,124

Acute bronchitis, influenza f

onb.

+0,332

Pneumonie

onb.

+0,216

Reumatische koorts

onb.b 

+0,046

Acute nefritis

onb.b

+0,009

Kraamvrouwenkoorts

onb.

+0,079

Wondroos

onb.

+0,027

Sepsis

onb.

+0,004

Infectieziekten met vaccinatie als belangrijkste interventie

Meningitis

Hib

-0,006

+0,009

Meningokokken

-0,003

+0,008

Difterie g

-0,004

+0,064

Kinkhoest

-0,008

+0,021

Polio

-0,036

+0,011

Mazelen

-0,148

+0,004

Subtotaal (alleen meegenomen infectieziekten)

-0,238

+1,820 c

Ziektejaarequivalenten is het aantal levensjaren met ziekte gewogen voor de ernst van de toestand.

onb. = onbekend.

a Schattingen gelden voor een standaardpopulatie met sterftekansen van 2003.

b Het effect van antibiotica op het voorkomen van chronische hartklepproblemen respectievelijk chronische nefritis is (nog) niet gekwantificeerd.

c Optelsom van afzonderlijke winsten in levensverwachting. Hierbij is geen rekening gehouden met interactie tussen winst in levensverwachting bij individuele infectieziekten. Hierdoor is het subtotaal waarschijnlijk enigszins overschat.

d Nulsituatie is gelijk aan de sterfte in 1958-1962. Vanaf jaren vijftig stijging in incidentie en sterfte door salmonella; vanaf circa 1960 daling in sterfte zonder aanwijzingen voor een daling van de incidentie. De verbetering in case fatality is toegerekend aan verbeterde medische behandeling.

e Bij de berekening is rekening gehouden met de verhoogde incidentie en sterfte door migratie vanaf de jaren tachtig.

f Exclusief het effect van invoering griepvaccinatie.

g Dalende sterfte tussen 1921-1939 maar sterk epidemisch, en de sterfte was hoger in naoorlogse jaren dan eind jaren dertig, waarschijnlijk door de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Nulsituatie is incidentie (meldingen) en sterfte in 1931-1939.

Tekstblok 2.22: Gezondheidseffecten van screening en betere behandeling bij kanker.

Voor een aantal kankers is een schatting gemaakt van de gezondheidseffecten door verbeteringen in medische behandeling en vroege opsporing. Dit is gedaan voor kankers die vaak voorkomen en waarbij een verbetering in de relatieve overleving heeft plaatsgevonden: colorectum-, borst-, prostaat- en longkanker en non-Hodgkin lymfomen. Behalve voor prostaatkanker worden waargenomen verbeteringen in de relatieve overleving voor deze kankers toegeschreven aan een betere behandeling, dan wel een betere behandeling in combinatie met vroege detectie (Janssen-Heijnen et al., 2003). Dit laat onverlet dat ook andere factoren, zoals een afname van de mate van maligniteit of een betere gezondheidstoestand in het algemeen, een rol zouden kunnen hebben gespeeld bij de verbeteringen in overleving. Bij de beschouwde kankers zijn echter geen aanwijzingen dat soortgelijke factoren een belangrijke rol hebben gespeeld. Overigens betekent de beperking tot deze kankers dat de sterftedaling bij een aantal minder frequent voorkomende kankers, die met name bij kinderen en adolescenten voorkomen, vooralsnog niet is meegenomen (Hodgkin, testiskanker).

De bijdrage van verbeterde behandeling en screening sinds 1955 aan de verbeterde levensverwachting en kwaliteit van leven bij kankers is berekend als het verschil tussen de huidige situatie en een 'nulsituatie' waarin deze verbeteringen niet hebben plaatsgevonden. Beide situaties zijn nagebootst in een overlevingstafel waarbij de leeftijdsspecifieke incidentie van kanker is gecombineerd met de duur-specifieke relatieve overleving (eveneens leeftijdsspecifiek) (Kruijshaar et al., 2003b). In de overlevingstafel is ook sterfte aan overige doodsoorzaken meegenomen, met sterftekansen van 2003. Het verschil in sterfte tussen beide situaties kan worden toegerekend aan de verbeteringen in medische zorg en vroege opsporing sinds 1955.

Voor de huidige situatie is uitgegaan van de incidentie in 1999-2003 (NKR) en de meest recente gegevens over relatieve overleving (IKZ). Wat de incidentie van longkanker, colorectumkanker en non-Hodgkin betreft is voor de nulsituatie uitgegaan van de incidentie in 1999-2003. Immers, ook zonder verbeteringen in medische zorg zou de incidentie van deze kankers zijn toegenomen. Bij borstkanker en prostaatkanker heeft vroege detectie vanaf begin jaren negentig echter een grote invloed gehad op de incidentie. Bij deze kankers is voor de nulsituatie uitgegaan van de huidige incidentie als geen screening zou hebben plaatsgevonden. Deze is voor borstkanker berekend met het MISCAN-model; voor prostaatkanker is uitgegaan van de incidentie van 1989-1991, de periode voorafgaand aan PSA-screening. Voor de nulsituatie is uitgegaan van de relatieve overleving van 1955-1969 (voor prostaatkanker 1970-1977), de oudste beschikbare overlevingsgegevens in Nederland. Gegevens over relatieve overleving zijn alle van het IKZ (Coebergh et al., 2001Rutqvist, 1985). Omdat de incidentie het aantal tumoren betreft, terwijl meerdere tumoren per persoon kunnen voorkomen, is de incidentie en daarmee de sterfte in alle gevallen enigszins overschat.

De effecten op veranderingen in kwaliteit van leven zijn berekend door uit te gaan van bestaande ziektemodellen (Melse & Kramers, 1998). Per kanker worden een aantal ziektestadia onderscheiden (onder andere diagnostiek en behandeling, fase na behandeling, ziektevrij, metastasen, terminale fase). De incidentie van deze stadia is gekoppeld aan de incidentie dan wel de sterfte aan kanker. De duur per stadium is gebaseerd op expertschattingen en empirische gegevens (TRM, 1999). Voor elk stadium zijn ook gewichten voor ziekte-ernst beschikbaar (Stouthard et al., 1997a). Door in dezelfde overlevingstafel als voor de berekening van de sterfte-effecten de incidentie per stadium te vermenigvuldigen met de stadiumduur en de ernstgewichten, resulteert het aantal ziektejaarequivalenten in de standaardpopulatie (aantal jaren met ziekte gewogen voor ernst).

Voor de huidige en de nulsituatie zijn dezelfde stadia, stadiumduren en ernstgewichten gebruikt. Effecten op de kwaliteit van leven zijn dus alleen het gevolg van een veranderde incidentie per stadium (door veranderde kankerincidentie en -sterfte). Geen rekening is gehouden met (mogelijk) minder en kortere behandeling in de nulsituatie, meer belastende behandeling in de nulsituatie (complicaties), en met eventuele verbeteringen in de zorg in de stadia voorafgaand aan het overlijden. Dit is (voorlopig) gedaan omdat empirische gegevens over kwaliteit van leven (duur en ernst per ziektestadium) over de periode 1950-1960 ontbreken.

De resultaten zijn weergegeven in tabel 2.20. De totale winst in levensverwachting is op basis van de meegenomen kankers nog geen 0,3 jaar bij mannen en circa 0,8 jaar bij vrouwen. Verreweg de grootste winst in levensverwachting is geboekt bij borstkanker. Vanwege de onbetrouwbaarheid van doodsoorzaken op hoge leeftijd, zijn in een gevoeligheidsanalyse de sterfteresultaten berekend tot leeftijd 80. De effecten op kwaliteit van leven zijn per saldo negatief: er heeft een toename plaatsgevonden van het aantal jaren met beperkingen. Bij de meeste kankers is dit effect bescheiden, doordat tegenover verbeterde overleving die (doorgaans tijdelijk) met klachten gepaard gaat, zwaardere ziektestadia staan met metastasen of terminale kanker. Alleen bij prostaatkanker slaat de balans duidelijk uit in het nadeel van de huidige situatie.

Tabel 2.20: Schatting van de gezondheidswinst door verbeterde behandeling en screening bij kankers tussen 1955-1969 en 2003 a (Bron: Meerding et al., 2006).

Baseline

Leeftijd 0-80

Lifetime ziektejaarequivalenten

Levensverwachting (jaren)

Levensverwachting (jaren)

Longkanker

Mannen

+0,008

+0,06

+0,06

Vrouwen

+0,003

+0,04

+0,04

Colorectaalkanker

Mannen

≈0

+0,10

+0,09

Vrouwen

≈0

+0,10

+0,09

Borstkanker

Vrouwen

≈0

+0,63

+0,58

Prostaatkanker

Mannen

+0,028

+0,06-0,07

+0,02-0,05

Non-hodgkin

Mannen

+0,001

+0,05

+0,05

Vrouwen

+0,001

+0,04

+0,04

Subtotaal (alleen meegenomen kankers)

Mannen

0,037

+0,27 b

+0,22 b

Vrouwen

0,004

+0,81 b

+0,75 b

Ziektejaarequivalenten is het aantal levensjaren met ziekte gewogen voor de ernst van de toestand.

a Schattingen gelden voor een standaardpopulatie met sterftekansen van 2003.

b Optelsom van afzonderlijke winsten in levensverwachting. Hierbij is geen rekening gehouden met interactie tussen winst in levensverwachting bij individuele kankers. Hierdoor is het subtotaal waarschijnlijk enigszins overschat.


23 juni 2006
Wat betekent gezondheidszorg voor onze gezondheid?
Prestatie-indicatoren voor de gezondheidszorg

Van prestatiemeting naar prestatie-indicatoren

Bevordering van de volksgezondheid is het belangrijkste doel van de gezondheidszorg, maar zeker niet het enige. Ook andere doelen spelen een rol, vooral in de zogeheten 'care-sectoren' die in Nederland onder de AWBZ vallen. Verder kan op tal van andere manieren naar de prestaties van de gezondheidszorg worden gekeken dan alleen via de toe- of afname van de levensverwachting, zowel op het niveau van individuele behandelingen, als voor zorgketens en beroepsgroepen als voor het zorgstelsel op macroniveau. Kwaliteit van zorg vervult daarbij een sleutelrol, naast toegankelijkheid en betaalbaarheid.

De laatste tien jaar is de belangstelling voor prestatiemeting in de gezondheidszorg sterk toegenomen. Aandacht voor kwaliteit en druk vanuit de politiek en de samenleving hebben daarbij een grote rol gespeeld. Professionals, zorginstellingen, beroepsverenigingen, verzekeraars en overheden investeren veel geld en energie in de ontwikkeling van indicatoren en systemen voor dataverzameling, analyse en rapportage van prestatiegegevens (zie tekstblok 2.23).

Sinds de invoering van de Kwaliteitswet Zorginstellingen in 1996 worden Nederlandse gezondheidszorginstellingen geacht een kwaliteitsmanagementsysteem te hebben om de kwaliteit van zorg te bewaken, te beheersen en te verbeteren. Een belangrijk onderdeel hiervan is het systematisch verzamelen van gegevens over de kwaliteit of prestaties van de geleverde zorg aan de patiënt. Deze informatie is nodig om na te kunnen gaan in welke mate de zorg op een verantwoorde wijze wordt geleverd. Inzicht in structuren (randvoorwaardelijke en ondersteunende organisatieonderdelen of -diensten), processen (de wijze waarop zorgprocessen worden aangeboden aan de patiënt) en uitkomsten (uitkomsten in termen van effectiviteit, veiligheid, doelmatigheid) zijn hierbij belangrijk en indicatoren spelen hierin een belangrijke rol.

Ook vanuit de overheid is er in toenemende mate behoefte aan prestatie-indicatoren die een betrouwbaar en overzichtelijk beeld geven van de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg. Dit hangt nauw samen met een verschuiving van verantwoordelijkheden waarbij de overheid terugtreedt van 'resultaatsverantwoordelijkheid' naar 'systeemverantwoordelijkheid'. Prestatie-informatie kan door de overheid worden gebruikt voor de onderbouwing van strategische keuzes op systeemniveau, het meten van effecten van het gezondheidszorgbeleid, bijvoorbeeld van de modernisering van de curatieve zorg, de care en de stelselwijziging, als basisinformatie bij verantwoording aan het parlement en voor aansluiting bij internationale ontwikkelingen op dit terrein binnen de OECD en de WHO.

De verwachtingen van prestatie-indicatoren zijn hooggespannen. Maar het is goed om daarbij oog te hebben voor knelpunten die inmiddels in verschillende studies zijn aangetoond. Deze knelpunten doen zich zowel voor bij de ontwikkeling als bij de toepassing van prestatie-indicatoren. Daarbij kan gewezen worden op de beschikbaarheid en de kwaliteit van de benodigde gegevens in samenhang met hoge kosten en registratielast. Daarnaast lopen de perspectieven van belanghebbende partijen op prestaties en prestatie-informatie vaak sterk uiteen en ontbreekt het soms aan expertise op het terrein van indicatorontwikkeling in de gezondheidszorg. Niet iedere partij in de zorg zou voor zijn eigen doelen op zijn eigen manier een eigen indicatorset moeten gaan ontwikkelen. Indicatorontwikkeling vergt een coherente aanpak volgens algemeen toepasbare wetenschappelijke standaarden. Er moet daarom nog veel werk worden verzet voor de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in al zijn facetten door middel van indicatoren eenduidig en transparant kunnen worden gevolgd. Maar een ding is duidelijk: de tijd van het niet-meten van prestaties is definitief voorbij.

Tekstblok 2.23: Kwaliteit, prestaties en indicatoren in de gezondheidszorg.

De begrippen kwaliteit, prestaties en (prestatie)indicatoren in de gezondheidszorg worden vaak verschillend geïnterpreteerd. Eenduidige definiëring is wenselijk om discussies over de inhoud van de begrippen zoveel mogelijk te voorkomen.

Kwaliteit van zorg wordt vaak gedefinieerd in navolging van Donabedian als ‘de mate van overeenkomst tussen criteria van goede zorg (wenselijke zorg) en de praktijk van die zorg (feitelijk zorg)’. Het gezaghebbende Amerikaanse Institute of Medicine (IOM) omschrijft kwaliteit als volgt: ‘Quality health care means doing the right thing, at the right time, in the right way, for the right person – and having the best possible results.’ (IOM, 2001) Het IOM haalt in deze definitie vier aspecten van kwaliteit naar voren: effectiviteit, veiligheid, tijdigheid en vraaggerichtheid. Deze aspecten worden in de internationale literatuur veelal als de kernaspecten van kwaliteit genoemd (Veillard et al., 2005).

Prestatie kan als ‘performance’ worden gedefinieerd: ‘performance refers to how and to what extent persons, institutions, or systems carry out their defined functions, meet core objectives, and achieve set-out targets in a balanced way and within a stated time-frame’. Deze omschrijving laat zien dat het bij prestaties niet alleen gaat om toereikend of acceptabel functioneren, maar om een reeks van functie- en uitkomstmogelijkheden. Overigens worden de begrippen ‘prestatie’ en ‘kwaliteit’ vaak als synoniem gebruikt (Groenewoud & Huijsman, 2003)

Prestatie-indicatoren in de gezondheidszorg

Met betrekking tot het begrip ‘indicator’ hanteert de Raad voor Gezondheids Onderzoek (RGO) een definitie die al enkele jaren toonaangevend is: ‘een indicator is een meetbaar element van de zorgverlening dat functioneert als een mogelijke aanwijzing voor de kwaliteit van zorg’. Het is veelal een kwantitatieve maat die een aanwijzing geeft over een achterliggend fenomeen. Wanneer dit fenomeen de kwaliteit van zorg betreft, gaat het in de Nederlandse gezondheidszorg om getallen die een indicatie geven over domeinen, zoals veiligheid, doelmatigheid, toegankelijkheid of patiëntgerichtheid van de zorg.

Indicatoren kunnen verschillende gebruiksdoelen hebben. Een veel voorkomend onderscheid wordt gemaakt tussen indicatoren voor interne kwaliteitsverbetering en voor externe verantwoording. Indicatoren voor interne kwaliteitsverbetering zijn met name gericht op sturing en verbetering van het eigen zorgproces en worden vooral gebruikt door de beroepsbeoefenaren zelf. Echter, in toenemende mate worden zorginstellingen en beroepsbeoefenaars gevraagd informatie over de eigen prestaties aan te leveren aan bijvoorbeeld verzekeraars, patiënten- en cliëntenorganisaties, beleidsmakers en overheden, de Inspectie van de Gezondheidszorg (IGZ) en raden van toezicht van zorginstellingen. Hierbij gaat het om informatie over zorgprestaties voor externe verantwoording en transparantie die wordt gevraagd en gebruikt door anderen dan de zorgverleners zelf. Deze informatiebehoefte verschilt per actor. Zo vragen bijvoorbeeld verzekeraars om verantwoordingsinformatie over kwaliteit, kosteneffectiviteit en onnodig gebruik van zorgvoorzieningen, patiënten- en cliëntenorganisaties om informatie over beschikbaarheid van zorg, de technische kwaliteit van het zorgaanbod en de bejegening van de zorgprofessional en beleidsmakers om informatie over de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg en de bijdrage van de verschillende zorgvoorzieningen aan de volksgezondheid op geaggregeerd niveau. Prestatie-indicatoren spelen een steeds belangrijke rol bij beleidsvoorbereiding en -evaluatie, toezicht op uitvoering, controle en communicatie aan derden, waaronder de politiek en andere stakeholders (RVZ, 2004).

Het toenemend gebruik van prestatie-indicatoren voor externe verantwoording en transparantie brengt met zich mee dat de kwaliteitseisen die aan indicatoren worden gesteld strenger worden. Zij moeten immers een betrouwbaar beeld geven van de kwaliteit van de zorgverlening en op een verantwoorde en eerlijke wijze zorgaanbieders onderling vergelijken. Een systematische en gestructureerde aanpak is hierbij onontbeerlijk, waarbij het eindproduct, de indicator zelf, voldoet aan de kwaliteitseisen die voor ‘goede’ indicatoren gelden (De Koning et al., 2006).

Clinical logics: prestatie-indicatoren voor ketens van ziekte en zorg

Wanneer prestatie-indicatoren voor specifieke ziekten worden opgesteld, kan gebruik worden gemaakt van zogeheten 'clinical logics'. Anders dan de term doet vermoeden, gaat het daarbij niet zozeer om klinische uitkomstmaten maar om prestatiegegevens over de kwaliteit van de geleverde zorg over de hele zorgketen rondom een bepaald ziektebeeld. Clinical logics beogen de samenhang tussen ziektegeschiedenissen en zorgprocessen in kaart te brengen en waar mogelijk te kwantificeren. Op basis van kennis over mogelijke correlaties tussen gezondheid enerzijds en de prestaties van de gezondheidszorg anderzijds is het mogelijk om aan de hand van een aantal gezondheidsuitkomsten het functioneren van het gezondheidszorgsysteem te meten. Een clinical logic geeft bijvoorbeeld inzicht in de verdeling van een aanvankelijke gezonde populatie over verschillende ziektestadia en de invloed van preventie en zorg op de ziekte-uitkomsten (zie figuur 2.15).

De clinical logic benadering heeft als voordeel dat uitkomst- en procesindicatoren beide in een dynamisch model zijn opgenomen. Betrouwbare en valide informatie over uitkomsten van de zorg is immers schaars en variaties in uitkomsten hangen nogal eens samen met factoren buiten de zorg. Daardoor geven uitkomstindicatoren vaak niet meer dan een 'mogelijk' signaal. Een groot voordeel van procesindicatoren is dat zij minder gevoelig zijn voor verstorende variabelen en meer geschikt om eventuele veranderingen in de zorg snel zichtbaar te maken. Een clinical logic maakt gebruik van beide maten en brengt beide typen informatie met elkaar in verband. Ten behoeve van de VTV is de clinical logic benadering toegepast op diabetes en borstkanker (Van den Berg Jeths & Baan, 2006; Hoekstra & De Koning, 2006). Het rapport over de clinical logic voor borstkanker zal naar verwachting eind 2006 zijn afgerond.

Figuur 2.15: Clinical logic voor het acuut myocardinfarct (Bron: McGlynn, 2003).

vtv2006_figuur2_15

Diabetes

De casestudie over diabetes was een eerste verkenning van de uitvoerbaarheid van de clinical logics en de toepasbaarheid binnen de Nederlandse gezondheidszorg. In deze studie is het instrument van de clinical logic vooral gebruikt om een kernset van indicatoren over de prestaties van preventie en zorg te selecteren. Aan de indicatoren werd een aantal eisen gesteld. Ze moesten de impact op de gezondheid meten, gevoelig zijn voor beïnvloeding door het zorgsysteem en uiteraard gold ook de eis van meetbaarheid. Daarnaast was een belangrijk criterium dat de prestatie-indicatoren een goed beeld zouden geven van de hele keten, van preventie tot en met sterfte.

Ten minste vijf miljoen Nederlanders lopen het risico om diabetes te krijgen. In 2003 waren 548.000 mensen in de leeftijd van 25 jaar en ouder met diabetes type 2 gediagnosticeerd.

De beschikbare gegevens laten zien dat 44 tot 60% van de diabetespatiënten geen complicaties heeft, maar waarschijnlijk is dit een overschatting. De overige patiënten hebben een of meerdere macro- of microvasculaire complicaties, zoals hartinfarct, hartfalen, beroerte dan wel aandoeningen aan de ogen, nieren, zenuwen of de voeten. Van de bevolking van 60 jaar en ouder bevindt ongeveer 30% (894.000 personen) zich in een voorstadium van diabetes, namelijk Impaired Glucose Tolerance (IGT). Daarnaast hebben naar schatting 180.000 personen diabetes zonder zich hiervan bewust te zijn. Jaarlijks overlijden naar schatting 14.000 tot 26.000 diabetespatiënten. Figuur 2.16 vat deze gegevens samen in een stroomschema.

Figuur 2.16: Clinical logic voor diabetes (Bron: Van den Berg Jeths & Baan, 2006).

vtv2006_figuur2_16

Gedurende de studie werd al snel duidelijk dat het opstellen van een clinical logic voor diabetes ingewikkeld is vanwege het grote aantal risicofactoren voor het ontstaan ervan en het optreden van complicaties. Vooral de kwantificeerbaarheid en de koppeling van prestatie-informatie aan populatiegegevens bleek een stap te ver. Wanneer bij de overgangskans van 'diabetes met complicaties' naar 'diabetes zonder complicaties' naar alle zorginterventies gekeken zou worden, zou immers een breed scala aan ziekten in beschouwing moeten worden genomen. Helaas ontbraken de gegevens om deze aanpak volgens de clinical logic volledig uit te werken, vooral gegevens over de populatie van diabetespatiënten. Verder bleek het niet mogelijk om het effect van preventie en zorg op ziekte-uitkomsten eenduidig vast te stellen. Wel is het de onderzoekers gelukt om een kernset van negen prestatie-indicatoren te definiëren (zie tabel 2.21).

Tabel 2.21: Kernset negen prestatie-indicatoren diabetes (Bron: Van den Berg Jeths & Baan, 2006).

Beleidsdoelstelling

Prestatie-indicator

Risicofactoren voor het ontstaan van diabetes

Niet meer stijgen van het aantal mensen met overgewicht en obesitas

1. Percentage personen met matig en ernstig overgewicht in de algemene bevolking

Reduceren van het aantal kinderen met overgewicht en obesitas

Epidemiologie van (voorstadia van) diabetes

Vroegtijdig opsporen van mensen met een hoog risico op diabetes

2. Prevalentie van IGT/incidentie van nog niet door de huisarts gediagnosticeerde diabetes

Omlaag brengen van het aantal mensen jonger dan 55 jaar met 'ouderdomssuiker'

3. Jaarincidentie en -prevalentie van diabetes type 2

Risicofactoren voor het ontstaan van macrovasculaire complicaties

Langer gezond leven van mensen met diabetes door het voorkomen van complicaties en het tegengaan van verergering van de ziekte

4. Percentage patiënten met matig en ernstig overgewicht

Stimuleren van de patiënt tot gezond gedrag en therapietrouw

5. Percentage patiënten dat rookt

Vergroten van de betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid van de patiënt voor zijn ziekte

6. Percentage patiënten met te hoge bloeddruk

7. Percentage patiënten met verstoord lipidenprofiel

Epidemiologie van macrovasculaire complicaties bij diabetespatiënten

Langer gezond leven van mensen met diabetes door het voorkomen van complicaties en het tegengaan van verergering van de ziekte

8. Percentage patiënten met macrovasculaire complicaties

9. Aandeel sterfte aan macrovasculaire aandoeningen in totale sterfte onder diabetespatiënten

De Zorgbalans: prestatie-indicatoren voor het Nederlandse zorgstelsel

De Zorgbalans biedt een geheel andere toepassing van prestatie-indicatoren in de gezondheidszorg. Centraal staan indicatoren die met elkaar een totaalbeeld geven van de prestaties van het zorgsysteem. Daartoe zijn de indicatoren geordend naar de drie publieke doelen die voor de gezondheidszorg gelden: kwaliteit, toegankelijkheid en kosten. In de eerste editie van de Zorgbalans zijn ongeveer 125 indicatoren geselecteerd en ingevuld voor de situatie in 2004 (Westert & Verkleij, 2006). Daarmee biedt de Zorgbalans niet alleen inzicht in het functioneren van de gezondheidszorg in dat jaar, maar kunnen de cijfers ook gezien worden als een nulmeting waartegen in de komende jaren de effecten van de stelselwijziging kunnen worden afgezet. Hieronder volgt een samenvatting van twee hoofdonderwerpen uit de Zorgbalans, namelijk kwaliteit en toegankelijkheid. De kosten van de gezondheidszorg en overwegingen bij deze betaalbaarheid komen aan de orde in paragraaf 2.5 en 3.6

Kwaliteit van zorg

Kwaliteit is een breed begrip (zie tekstblok 2.23) en gaat onder meer over de effectiviteit, de veiligheid en de vraaggerichtheid van de zorg. De kwaliteit van de curatieve zorg in Nederland wordt in de Zorgbalans gemeten met behulp van twintig indicatoren. In het algemeen blijkt de huisarts kwalitatief goede zorg te bieden, in veel gevallen volgens de richtlijnen van de beroepsgroep, maar desondanks zijn er toch ook aanzienlijke verschillen tussen huisartsen en praktijken. Huisartsen functioneren als poortwachters van nagenoeg het gehele zorgsysteem en verwijzen maar mondjesmaat. De uitkomsten van de ziekenhuiszorg is gemeten met vijftien indicatoren. Op basis van een indicator als sterfte na een myocardinfarct binnen dertig dagen blijkt de zorg gemiddeld genomen effectief. Op sommige onderdelen is de effectiviteit echter wel lager in vergelijking met andere landen, bijvoorbeeld bij de vijfjaarsoverleving bij patiënten met borst- en darmkanker. Een andere indicator meet de tevredenheid van Nederlanders en deze blijkt groot te zijn als het gaat over de zorg van huisartsen en medisch specialisten.

De kwaliteit van de langdurige zorg zit de laatste jaren in de lift. Dit neemt niet weg dat de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) in 2004 aanzienlijke gebreken in de verpleeghuiszorg waarnam. Ook zijn er op onderdelen grote verschillen tussen instellingen voor verzorging en verpleging. Zo is er een grote variatie in het percentage verpleeghuisbewoners dat in het ziekenhuis wordt opgenomen.

De geestelijke gezondheidszorg (ggz) biedt effectieve preventieve programma's aan voor depressie en angststoornissen, maar het bereik en feitelijk gebruik is beperkt. Een derde van de mensen met psychische problemen zoekt hulp binnen de ggz. De ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren staat nog geheel in de kinderschoenen.

Ook de patiëntveiligheid is de laatste jaren verbeterd. Helaas ontbreekt een totaalbeeld van vermijdbare schade door de gezondheidszorg. Nederlandse patiënten beoordelen de zorg over het algemeen als positief en ruim 40% van de Nederlanders is tevreden met het zorgsysteem. Dat percentage is vergelijkbaar met andere Europese landen. De toekomst wordt echter door veel mensen met minder vertrouwen tegemoet gezien.

Toegankelijkheid

Nederland zoekt nieuwe wegen om toegankelijkheid van zorg en keuzevrijheid met elkaar in een moderne balans te verenigen. Een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en de meeste andere Europese gezondheidszorgsystemen is dat er een rechtvaardige verdeling van beschikbare voorzieningen voor de gehele bevolking moet zijn (gelijke toegankelijkheid). Toegankelijke zorg betekent dat personen die zorg nodig hebben, op tijd en zonder grote drempels toegang hebben tot de zorgverlening. De toegankelijkheid van zorg kan door tal van factoren beperkt worden, bijvoorbeeld door wachtlijsten, het ontbreken van voorzieningen, personeelstekorten, een grote geografische afstand als ook door financiële, sociale en culturele belemmeringen. Zorg kan hoge kosten met zich meebrengen (zie Hoeveel zorg wordt er gebruikt, waarvoor en door wie?) en daarom is wettelijke en feitelijke toegankelijkheid van ziektekostenverzekeringen een voorwaarde voor een goede toegankelijkheid van de zorg zelf.

In de Zorgbalans is de toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg gemeten met behulp van een 25-tal indicatoren. Er is vooral aandacht besteed aan wachttijden voor acute en reguliere zorg, de financiële en geografische toegankelijkheid, en de gerealiseerde toegankelijkheid voor mensen uit achterstandsgroepen en allochtonen.

Internationaal gezien doet Nederland het goed wat betreft de algehele toegankelijkheid van de zorg. De wachtlijsten en wachttijden zijn de afgelopen jaren duidelijk afgenomen. Het merendeel van de wachtenden is niet problematisch. Bij de planbare ziekenhuiszorg betreft dit circa 80% van de wachtlijst. Het zorggebruik van de Nederlanders geeft een indruk van de gerealiseerde toegankelijkheid en blijkt onderling maar weinig te verschillen. Bijna alle Nederlanders zijn verzekerd. Daarbij zijn de eigen bijdragen, als percentage van totale uitgaven aan zorg, ten opzichte van andere OECD-landen laag. De meeste gezondheidszorgvoorzieningen zijn geografisch goed gespreid over Nederland.

Dit alles neemt niet weg dat er ook op het terrein van de toegankelijkheid punten van aandacht zijn. Ongeveer 8% van de ambulances blijkt in spoedeisende gevallen niet binnen de norm van vijftien minuten ter plaatse te zijn. Ook woonden in 2004 ongeveer 340.000 mensen op een lokatie die niet binnen een half uur per auto bereikbaar was vanaf een huisartsenpost. Verder werd 11% van de spoedbellers naar huisartsenposten in 2004 niet binnen een minuut deskundig geholpen. Het aantal wachtenden in de geestelijke gezondheidszorg nam in 2004 met 6% toe. Tevens is er in een aantal gevallen sprake van te weinig zorggebruik. Lager opgeleiden bezoeken minder vaak de tandarts en psychosociale hulpverleners en nemen in geringere mate deel aan het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Allochtonen maken over het algemeen minder gebruik van fysiotherapie, thuiszorg en medicijnen.

De financiële toegankelijkheid voor chronisch zieken heeft in Nederland de continue aandacht van het beleid. Chronisch zieken hadden in de periode 1997-2003 jaarlijks gemiddeld 500 euro extra uitgaven in verband met ziekte. Vooral de groep met meerdere lichamelijke en functionele beperkingen is kwetsbaar vanwege extra ziektekosten veelal in combinatie met een lager inkomen. Aan de andere kant maakte slechts 56% van de chronisch zieken die daarvoor in aanmerking kwamen gebruik van de buitengewone uitgavenregeling voor belastingaftrek. Dat de toegankelijkheid van zorg voor chronisch zieken, in achterstandwijken en voor marginale groepen om waakzaamheid vraagt, is overigens niet nieuw. Het onderstreept de noodzaak van continue aandacht en monitoring, zeker ook met alle wijzigingen in het Nederlandse zorgstelsel.

De eerste editie van de Zorgbalans kan gezien worden als een nulmeting. Door in toekomstige edities dezelfde indicatoren te meten kan een gedegen inzicht ontstaan in hoe de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg zich ontwikkelen, mede onder invloed van de nieuwe zorgverzekering en andere organisatorische veranderingen in het stelsel.


Bronnen

Literatuur

Andrews G, Issakidis C, Sanderson K, Corry J, Lapsley H. Utilising survey data to inform public policy: comparison of the cost-effectiveness of treatment of ten mental disorders.  Br J Psychiatry, 2004; 184: 526-33.
Andrews G, Sanderson K, Corry J, Issakidis C, Lapsley H. Cost-effectiveness of current and optimal treatment for schizophrenia.  Br J Psychiatry, 2003; 183: 427-435.
Beekman ATF. Is met evidence-based behandeling winst te behalen in de GGZ?  Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 2006; (61): 59-61.
Berg Jeths A van den, Baan CA. Prestatie-indicatoren voor preventie en zorg bij diabetes. RIVM-rapport nr. 270551008.  Bilthoven: RIVM, 2006.
Berry DA, Cronin KA, Plevritis SK, Fryback DG, Clarke L, Zelen M, et al. Cancer Intervention and Surveillance Modeling Network (CISNET) Collaborators. Effect of screening and adjuvant therapy on mortality from breast cancer.  N Engl J Med, 2005; 353: 1784-92.
Bots ML, Grobbee DE. Decline of coronary heart disease mortality in The Netherlands from 1978 to 1985: contribution of medical care and changes over time in presence of major cardiovascular risk factors.  J Cardiovascular Risk 1996; 2: 271-8.
Bunker JP, Frazier HS, Mosteller F. Improving health: measuring effects of medical care.  Milbank Quarterly, 1994; 2: 225-58.
Charlton JRH, Hartley RM, Silver R, Holland WW. Geographical variation in mortality from conditions amenable to medical intervention in England and Wales.  Lancet 1983; 1(8326 pt1): 691-6.
Coebergh JWW, Janssen-Heijnen MLG, Louwman WJ, Voogd A. Cancer incidence, care and survival in the South of the Netherlands 1955-1999.  Eindhoven: IKZ, 2001.
Comber H, Gavin A. Recent trends in cervical cancer mortality in Britain and Ireland: the case for population-based cervical cancer screening.  Br J Cancer, 2004; 91: 1902-4.
Groenewoud AS, Huijsman R. Prestatie-indicatoren voor de kiezende zorggebruiker: rapport van een studie naar een conceptueel raamwerk, de huidige stand van zaken en de toekomst van prestatie-indicatoren in de Nederlandse gezondheidszorg.  Rotterdam: EUR-iBMG, 2003.
Hoekstra J, Koning JS de. Prestatie-indicatoren voor preventie en zorg bij borstkanker.  Bilthoven: RIVM, 2006 (in voorbereiding).
Humphrey LL, Helfand M, Chan BK, Woolf SH. Breast cancer screening: a summary of the evidence for the U.S. Preventive Services Task Force.  Ann Intern Med, 2002; 137: 347-60.
IOM, Institute of Medicine. Crossing the Quality Chasm: A New Health System for the 21st Century.  Washington DC: National Academies Press, 2001.
Janssen-Heijnen ML, Louwman WJ, Poll-Franse LV van de, Voogd AC, Houterman S, Coebergh JW. Trends in incidentie en prevalentie van kanker en in overleving van patienten in Zuidoost-Nederland, 1970-1999.  Ned Tijdschr Geneeskd, 2003; 147: 1118-26.
Koning JS de, Smulders AW, Klazinga NS. Appraisal of Indicators through Research and Evaluation (AIRE) Instrument.  Amsterdam: AMC, 2006.
Kruijshaar ME, Barendregt JJ, Poll-Franse LV van de. Estimating the prevalence of breast cancer using a disease model: data problems and trends.  Popul Health Metr, 2003b; 1: 5.
Laara E, Day NE, Hakama M. Trends in mortality from cervical cancer in the Nordic countries: association with organised screening programmes.  Lancet, 1987; 1: 1247-9.
Mackenbach JP, Looman C. Secular trends of infectious disease mortality in the Netherlands, 1911-1978: quantitative estimates of changes coinciding with the introduction of antibiotics.  Int J Epidemiol, 1988; 17: 618-24.
Mackenbach JP, Looman CWN, Kunst AE, Habbema JDF, Maas PJ van der. Post-1950 mortality trends and medical care: gains in life expectancy due to declines in mortality from conditions amenable to medical intervention in the Netherlands.  Soc Sci Med 1988; 27: 889-94.
Mackenbach JP. De veren van Icarus.  Rotterdam: EUR, 1992.
Mackenbach JP. De epidemiologische transitie in Nederland.  Ned Tijdschr Geneeskd, 1993a; 137: 132-8.
Mackenbach JP. The contribution of medical care to mortality decline: McKeown revisited.  J Clin Epidemiol 1996; 49: 1207-13.
McGlynn EA. Selecting common measures of quality and system performance.  Medical Care, 2003; 41: I39-I47.
McKeown T. The role of Medicine. Dream, Mirage or Nemesis?  London: The Nuffield Provincial Hospitals Trust, 1976.
Meerding WJ, Polder JJ, Hollander AEM de, Mackenbach JP. De generieke doelmatigheid van gezondheidszorg: toepassingen bij infectieziekten, kanker en hart-vaatziekten. RIVM-rapport nr. 270091002.  Bilthoven: RIVM, 2006(in press).
Melse JM, Kramers PGN. Een eerste berekening van de ziektelast in Nederland. Achtergronddocument bij VTV-1997; deel III, hoofdstuk 7. RIVM-rapport nr. 431501028  Bilthoven: RIVM, 1998.
Murray CJ, Evans DB. Health Systems Performance Assessment. Debates, methods and empiricism.  Geneve: WHO, 2003.
Nixon J, Ulmann P. The relationship between health care expenditure and health outcomes. Evidence and caveats for a causal link.  Eur J Health Econ, 2006; 7: 7-18.
Nolte E, McKee M. Measuring the health of nations: analysis of mortality amenable to health care.  BMJ, 2003; 327(7424): 1129.
Nolte E, McKee M. Population health in Europe: how much is attributable to health care?  World Hosp Health Serv, 2004; 40(3): 12-4, 40, 42.
Olsen O, Gotzsche PC. Cochrane review on screening for breast cancer with mammography.  Lancet, 2001; 358: 1340-2.
Preston SH. The changing relation between mortality and level of economic development.  Population Studies, 1975; 29: 231-48.
Quinn M, Allen E. Changes in incidence of and mortality from breast cancer in England and Wales since introduction of screening.  BMJ, 1995; 311: 1391-5.
Rutqvist LE. On the utility of the lognormal model for analysis of breast cancer survival in Sweden 1961-1973.  Br J Cancer, 1985; 52: 875-83.
RVZ, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. De Staat van het Stelsel.  Zoetermeer: RVZ, 2004.
Stouthard MEA, Essink-Bot ML, Bonsel GJ, Barendregt J, Kramers PGN, Water HPA van de, et al. Wegingsfactoren voor ziekten in Nederland.  Amsterdam: Instituut voor Sociale Geneeskunde AMC, 1997a.
TRM, Tumorregister München. Jahresbericht 1999.  Munchen: TRM, 1999.
Veillard J, Champagne F, Klazinga N, Kazandjian V, Arah OA, Guisset AL. A performance assessment framework for hospitals: the WHO regional office for Europe PATH project.  Int J Qual Health Care, 2005; 17(6): 487-96.
Westert GP, Verkleij H (red.). Zorgbalans. De prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004.  Bilthoven/Houten: RIVM/Bohn Stafleu van Loghum, 2006.

Gegevensbronnen

IKZ. Kankerregistratie IKZ-regio (Noord-Brabant en Noord-Limburg).
NKR. Nederlandse Kanker Registratie (VIKC).