| Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl) |
![]() |
|
![]() |
|
|
Met ruim 7.000 diagnosen in 2006 is chlamydia meest voorkomende bacteriële soa In 2006 kregen in Nederland 7.085 mensen de diagnose chlamydia; dit is 11,0% van de mensen uit specifieke risicogroepen die zich hebben laten testen bij een regionaal soa-centrum (Van Veen et al., 2007). Hiermee is chlamydia de meest voorkomende bacteriële soa in de registraties van de soa-centra. Er zijn ongeveer evenveel nieuwe gevallen van chlamydia geregistreerd bij mannen (3.567) als bij vrouwen (3.518). Chlamydia komt relatief vaak voor op jonge leeftijd: 69% van de vrouwen met chlamydia is jonger dan 25 jaar en 59% van de mannen met chlamydia is jonger dan 30 jaar. Aantal gediagnosticeerde gevallen van chlamydia is indicatief Het is niet exact aan te geven hoeveel nieuwe gevallen van chlamydia er jaarlijks binnen de gehele bevolking optreden. De soa-surveillance biedt alleen zicht op de gediagnosticeerde gevallen bij mensen uit specifieke risicogroepen die zich hebben laten testen bij een regionaal soa-centrum voor laagdrempelige soa-zorg. De eerder genoemde aantallen zijn dus exclusief de patiënten met chlamydia die zich niet of elders lieten testen (zoals bij een huisarts of dermatoloog). Zo zijn de huisartsen betrokken bij naar schatting tweederde van de soa-consulten (Van Bergen et al., 2006; Van Bergen et al., 2007). Mensen die zich niet laten testen kunnen behalve geïnfecteerden met klachten ook geïnfecteerden zonder klachten zijn, omdat soa zonder klachten kunnen verlopen. Voor informatie over de kanttekeningen bij gegevens uit de soa-surveillance, zie: Beschrijving van de gebruikte gegevensbronnen).Chlamydia relatief vaak bij enkele allochtone groepen Van de mensen die in 2006 een chlamydia diagnose kregen, betrof het relatief vaak mensen Surinaamse en Antilliaanse/Arubaanse afkomst. Dit was het geval bij 16% van de gediagnosticeerde mannen en 9% van de gediagnosticeerde vrouwen (Van Veen et al., 2007), terwijl ze respectievelijk 2% en 0,8% van de totale bevolking uitmaken (CBS, 2008). Een vergelijkbaar beeld kwam naar voren bij een bevolkingsonderzoek dat werd uitgevoerd in de periode 2002/2003 (Van Bergen et al., 2005; Götz et al., 2005).Ook mensen uit de grote steden behoren tot de risicogroepen: volgens huisartsgegevens had naar schatting 3,2% van de 15-29 jarigen uit de meest stedelijke gebieden chlamydia, tegen 0,6% van hun leeftijdsgenoten in niet stedelijke gebieden (Van Bergen et al., 2005b). In 2% van de gediagnosticeerde chlamydia gevallen was sprake van mensen die reeds bekend hiv-positief zijn. Bij 21% van de mensen waarbij chlamydia werd vastgesteld, was al eerder de diagnose gonorroe, syfilis of chlamydia gesteld (Van Veen et al., 2007). | Twee procent had ooit of heeft chlamydia Uit bevolkingsonderzoek (periode 2002/2003) bleek dat 2,0% van de deelnemers chlamydia had: 2,5% van de vrouwen en 1,5% van de mannen (Van Bergen et al., 2005; Götz et al., 2005).Voor chlamydia is het van groot belang te weten hoeveel mensen (ooit) geïnfecteerd zijn. Chlamydia verloopt namelijk vaak zonder klachten en de geïnfecteerden zonder klachten kunnen de infectie dan ook onopgemerkt verspreiden. 43 gevallen van LGV in 2006 In 2006 zijn 43 LGV gevallen gemeld in het kader van de LGV-surveillance. Dit betrof vooral anale infecties met Chlamydia trachomatis serovar L2 dat ernstige ulceratieve proctitis ofwel een bloederige ontsteking van de endeldarm veroorzaakt. Deze ontsteking gaat gepaard met zweren (Van Veen et al., 2007). De sterfte aan chlamydia is vrijwel nihil De sterfte aan chlamydia is vrijwel nihil. In de periode 1996-2006 is niemand overleden aan chlamydia en PID, maar vóór die periode zijn er nog wel in 1994 drie vrouwen overleden aan PID (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek). Voor informatie over de gepresenteerde gegevens, zie: Beschrijving van de gebruikte gegevensbronnen. Voor de meest recente cijfers, zie: RIVM-site over hiv en soa. | |