| Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl) |
![]() |
|
![]() |
|
|
Bevorderen gezondheid kind belangrijkste motief bij keuze voor borstvoeding Het hoofdmotief om voor borstvoeding te kiezen blijkt het bevorderen van de gezondheid van het kind te zijn (71%). Bij 23% spelen emotionele en relationele overwegingen (beter contact met het kind, prettig) een belangrijke rol. De motieven om voor borstvoeding te kiezen geven een indicatie van wat vooral bepalend is voor een positieve attitude van de moeder ten opzichte van borstvoeding. Met name deze attitude is bepalend voor de beslissing om wel of geen borstvoeding te gaan geven (Burgmeijer & Reijneveld, 2001). Behalve de attitude beïnvloedt ook de norm die moeders ervaren binnen hun sociale omgeving (familie, vrienden en collega's) de keuze voor wel of geen borstvoeding geven (Kronborg & Vaeth, 2004;Kools, 2004). Zorgcircuit ondersteunt vooral bij het geven van borstvoeding De inrichting van de zorg kan het geven van borstvoeding vooral ondersteunen, zoals door snel na de geboorte het kind aan de borst aan te leggen en door het betrekken van een lactatiekundige bij problemen met bijvoorbeeld de drinktechniek. In kleinere mate wordt ook de keuze voor wel of geen borstvoeding geven beïnvloed door de norm en adviezen die moeders binnen het zorgcircuit ervaren. Dat deze adviezen een bescheiden rol spelen, komt door het feit dat de meeste ouders (70%) al voor de zwangerschap (en vaak nog buiten het zorgcircuit) hebben bepaald welke melkvoeding zij willen gaan geven (Brugman et al., 1999a). Ongemak en problemen door drinktechniek: motieven voor flesvoeding na geboorte Moeders die direct na de geboorte voor flesvoeding kiezen, noemden als belangrijkste motieven stress, schaamte en ongemak die zij ervaren bij het geven van borstvoeding (21%), slechte eerdere ervaringen (19%), het moeilijk combineren van borstvoeding met werk (6%) en onvoldoende hoeveelheid borstvoeding (5%). In de eerste levensweek noemen moeders ook vaak de problemen met de drinktechniek en prematuriteit van het kind. Slechts een enkeling noemt als belangrijkste motief de mogelijke aanwezigheid van schadelijke stoffen in moedermelk of het in algemene zin ongezond vinden van borstvoeding (te weinig voedingswaarde) (Burgmeijer & Reijneveld, 2001, Lanting & Wouwe, 2005). | Slechte combinatie borstvoeding en werk: motief voor flesvoeding na 3 maanden Motieven voor introductie van flesvoeding vóór de leeftijd van drie maanden zijn vooral dat de borstvoeding niet op gang komt of te weinig is en de (moeilijkheid van de) combinatie met werk. Dit laatste motief is bij zuigelingen van drie maanden en ouder zelfs de meest genoemde reden (door 34% van de moeders) (Burgmeijer & Reijneveld, 2001). Ook wanneer er sprake is van opvang buiten het gezin (kinderdagverblijf of gastouder) is borstvoeding moeilijker vol te houden. Ook geven lager opgeleide en rokende moeders minder langdurig uitsluitend borstvoeding (Burgmeijer & Reijneveld, 2001, Lanting & Wouwe, 2005). Sociale norm ook van invloed op borstvoedingsduur Een gunstige sociale norm bevordert niet alleen het starten met borstvoeding, maar ook het volhouden ervan. Zo ervaren borstvoedende moeders binnen hun netwerk van familie en vrienden een positievere sociale norm ten opzichte van langer borstvoeding geven dan moeders die geen borstvoeding geven (Steenbakkers, 1998; Caris, 1992; Rademakers, 1998). Ook de ervaren sociale norm over borstvoeding op het werk is van belang: als die positiever is, is de kans op het blijven geven van borstvoeding groter. Overigens ervaren de meeste vrouwen op het werk momenteel nog een negatieve norm over het geven van borstvoeding (Termote et al., 2002). Borstvoeding bevorderen via beïnvloeding van meerdere factoren tegelijk Preventieve interventies richten zich idealiter op bovenstaande brede range van oorzaken van het niet starten en niet volhouden van het borstvoeding geven: behalve het positief beïnvloeden van persoonsgebonden factoren zoals kennis en attitude ook het stimuleren van fysieke en sociale omgevingsfactoren die de gezonde keuze ondersteunen. Specifieke aandacht verdienen de risicogroepen met een relatief laag percentage borstvoedende moeders, zoals laag opgeleide moeders, rokende moeders, moeders die een eerste kind krijgen en moeders van Surinaamse afkomst. Tot slot vormen werkende moeders een risicogroep vanwege de relatief korte duur van het borstvoeding geven. Zie voor meer informatie over de mogelijkheden en de huidige invulling van preventie op het gebied van borstvoeding: bevordering van borstvoeding. | |