Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Nationaal Kompas Volksgezondheid
Lichaamsgewicht
De determinant, gezondheidsgevolgen en oorzaken
Wat is overgewicht en wat is ondergewicht?

Verhouding gewicht en lengte Verdeling lichaamsvet

Verhouding gewicht en lengte

Verhouding tussen gewicht en lengte bepaalt onder- en overgewicht

Iemand heeft over- of ondergewicht wanneer hij te zwaar of te licht is voor zijn lengte. Door het gewicht van iemand (in kilogram) te delen door het kwadraat van zijn lengte (in meters) kunnen we de 'Body Mass Index' (BMI) berekenen (ook wel Quetelet Index genoemd). De BMI wordt uitgedrukt in kg/m2 en is een internationaal erkende maat voor de verhouding tussen gewicht en lengte. De BMI-waarde geeft aan of iemand een gezond gewicht heeft dan wel een onder- of overgewicht. Voor overgewicht is er consensus over de grenswaarden, maar voor ondergewicht ontbreekt een eenduidige grenswaarde. In het Kompas is uitgegaan van de BMI-waarde van 18,5: deze grenswaarde geniet internationaal gezien de meeste navolging als definitie van ondergewicht, maar kan wel leiden tot relatief hoge percentages mensen met ondergewicht.
Voor volwassenen gelden de volgende categorieën van BMI-waarden:
  • minder dan 18,5: ondergewicht
    • minder dan 17,5: ernstig ondergewicht
    • 17,5 tot 18,5: matig ondergewicht
  • 18,5 tot 25: gezond gewicht
  • 25 of meer: overgewicht
    • 25 tot 30: matig overgewicht
    • 30 of meer: ernstig overgewicht ofwel obesitas

Voor jongeren gelden aangepaste grenswaarden van de BMI

Voor het vaststellen van (ernstig) overgewicht en (ernstig) ondergewicht bij jongeren gelden leeftijdsspecifieke grenswaarden van de BMI. Deze grenswaarden zijn lager dan bij volwassenen en zijn per leeftijdsjaar en apart voor jongens en meisjes vastgesteld. De grenswaarden voor overgewicht zijn vastgesteld door de International Obesity Task Force (Cole et al., 2000, Van den Hurk et al., 2006).
De grenswaarden voor ondergewicht zijn door TNO-PG afgeleid volgens dezelfde methode als die van Cole en collega's; deze waarden zijn alleen van toepassing op autochtone Nederlandse kinderen (Van Buuren, 2004).

Voor informatie over de bronnen waarin gegevens over de BMI zijn vastgelegd, zie: Achtergrondinformatie bij de gegevensbronnen.

Bij ouderen is buikomvang bruikbare mate voor vaststellen overgewicht

Vooral bij ouderen van zeventig jaar en ouder is de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren, vanwege verandering van lichaamslengte en lichaamssamenstelling. De buikomvang is dan een meer bruikbare methode om overgewicht vast te stellen (zie hieronder: 'Verdeling lichaamsvet').


Verdeling lichaamsvet

Vetophoping op buik is ongezonder dan op heup en dijen

Vetophoping bij de buik ('appelvorm') brengt over het algemeen meer gezondheidsrisico's met zich mee dan wanneer het vet met name op de heup en dijen zit ('peervorm'). Voor het vaststellen van de gezondheidsrisico's van overgewicht gebruikt men dan ook wel eens de buikomvang in plaats van de BMI. Dit is vooral zinvol bij ouderen van zeventig jaar en ouder. Bij hen is, vanwege verandering van lengte en lichaamssamenstelling, de BMI niet zo eenvoudig te interpreteren. Bij deze leeftijdsgroep verandert namelijk de vetverdeling over het lichaam: de hoeveelheid onderhuids vet op de ledematen neemt af en de hoeveelheid vet bij de buik neemt toe.

Hoe wordt de buikomvang gemeten en wat zijn de grenswaarden?

De buikomvang (of 'middelomtrek') wordt gemeten midden tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Bij een buikomvang van 88 cm of meer (voor vrouwen) of 102 cm of meer (voor mannen) is sprake van abdominale obesitas, gekenmerkt door vetophoping in de buik.

Voor informatie over de bronnen waarin gegevens over de buikomvang zijn vastgelegd, zie: Achtergrondinformatie bij de gegevensbronnen.