Milieu

Het gebruik van nanotechnologie leidt onvermijdelijk tot uitstoot van nanodeeltjes naar lucht, water en bodem. Wat gebeurt er vervolgens met de nanodeeltjes in het milieu? Leidt dit tot risico’s voor mensen, dieren en planten? De snelle opmars van nanotechnologie vraagt om antwoorden op deze vragen.

Onderzoek naar milieurisico’s

Het onderzoek naar de mogelijke risico’s van nanodeeltjes op ecosystemen staat in de kinderschoenen, maar ontwikkelt zich snel. Het RIVM volgt deze ontwikkeling nauwlettend en draagt zelf bij aan het verkrijgen van inzicht door onderzoek naar:

  • de verspreiding en gedrag van nanodeeltjes in het milieu
  • de effecten van nanodeeltjes op ecosystemen

Met de verkregen kennis kan het RIVM de ministeries beter ondersteunen bij het maken van beleid rond nanotechnologie.

Verspreiding en gedrag in het milieu

Bij het gebruik van producten met zogenaamde ‘open toepassingen’ kunnen nanodeeltjes vrijkomen in het milieu. Voorbeelden zijn titaniumdioxide in zonnebrandcrème, autobanden met koolstofnanobuisjes of textiel met nanozilver. Het is niet duidelijk of de oorspronkelijke, vrije nanodeeltjes die in het milieu terechtkomen inmiddels zijn samengeklonterd tot grotere deeltjes. Samengeklonterde deeltjes gedragen zich anders en zakken bijvoorbeeld sneller naar de bodem van een rivier of vallen uit de lucht op de grond. In samenwerking met universiteiten en andere partijen verricht het RIVM onderzoek naar verspreiding en gedrag van nanodeeltjes in het milieu.

Effecten op ecosystemen

Organismen kunnen nanodeeltjes opnemen via water, lucht en bodem. Of hierdoor nadelige effecten optreden is vaak niet duidelijk. Onderzoek met regenwormen, planten, en waterorganismen, zoals vissen en algen, moeten antwoord geven op de vraag wat deze nanodeeltjes doen in deze organismen. De vervolgvraag is hoe effecten op individuele organismen zich vertalen naar complexe ecosystemen.

Wat zijn de risico’s

Een belangrijke vraag is of de huidige manier van milieurisicobeoordeling van stoffen volstaat voor nanodeeltjes. Het lijkt erop alsof dit inderdaad het geval is, hoewel er nanospecifieke aanpassingen nodig zijn. Voorbeelden van aanpassingen zijn het vaststellen van de stabiliteit van de deeltjes (klonteren ze samen met elkaar of met andere deeltjes, of worden ze juist afgebroken). Verder is vaak het aantal nanodeeltjes per kilogram bodem of per liter water een betere maat om de risico’s van nanodeeltjes uit te drukken dan de gebruikelijke mg/kg of mg/L. Voor nanodeeltjes die langzaam in het milieu worden afgebroken, zoals bijvoorbeeld nanozilver, nanokoper, en nanozink, groeit het inzicht dat effecten van deze deeltjes in het milieu vooral het gevolg zijn van het langzaam vrijkomen van toxische metaalionen uit deze deeltjes. Het RIVM onderzoekt hoe snel metaalionen gevormd worden en of de combinatie van nanodeeltjes en metaalionen leidt tot hogere milieurisico’s.

Een vraag over nanotechnologie en het milieu stuurt u naar: KIR-nano@rivm.nl

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu