| Nationaal Kompas Volksgezondheid (www.nationaalkompas.nl) |
![]() |
|
![]() |
|
|
Depressie in de bevolking | ![]() |
Ongeveer 850.000 mensen met depressie in Nederland In 2003 leed naar schatting 6,3% van de inwoners van Nederland van 13 jaar en ouder aan depressie (jaar-prevalentie). In totaal waren dat 856.000 mensen, waarvan ongeveer 737.000 een depressieve stoornis hadden, en 317.000 dysthymie. Ongeveer 198.000 mensen voldeden in het afgelopen jaar aan beide diagnoses.Deze cijfers staan in tabel 1. Ze zijn gebaseerd op drie vrij oude bevolkingsonderzoeken uit de jaren negentig: Verhulst et al., 1997a (uitgevoerd in 1993), NEMESIS (in 1996, 1997 en 1999) en LASA (in 1992/1993). Voor de schatting van het aantal mensen met depressie in 2003 zijn de veranderingen in de bevolkingsopbouw en omvang tussen het jaar van het onderzoek en 2003 meegenomen. Hoewel op grond van Amerikaans onderzoek (Kessler et al., 2005) wordt aangenomen dat er van een werkelijke toename van depressie geen sprake is geweest, moeten deze cijfers met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Vooral vrouwen lijden aan depressie Depressie komt tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen. Van alle inwoners van Nederland van 13 jaar en ouder leed in 2003 4,3% van de mannen, en 8,2 % van de vrouwen aan depressie. In totaal zijn dat 290.000 mannen en 567.000 vrouwen, ouder dan 13 jaar. Onder volwassenen en ouderen komt depressie ongeveer tweemaal zo veel voor bij vrouwen als bij mannen; bij jongeren tussen 13 en 17 jaar is dat driemaal. Het beloop en de kans op herhaling is ongeveer gelijk (Schoemaker & De Ruiter, 2005). Vooral volwassenen lijden aan depressie Ongeveer één op de 16 volwassenen tussen 18 en 65 jaar (6,6 %) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn naar schatting 685.000 mensen. Onder jongeren komt depressie in verhouding iets minder voor: ongeveer één op de 22 jongeren van 13 tot 17 jaar (4,5%) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn ongeveer 44.000 jongeren; ongeveer één leerling in iedere schoolklas. Bij ouderen komt depressie ook iets minder vaak voor dan bij volwassenen jonger dan 65 jaar. Ongeveer één op de achttien ouderen (5,7%) leed het afgelopen jaar aan depressie. Dat zijn in totaal 128.000 mensen. Meer depressie onder Marokkanen in Nederland Depressie lijkt bij volwassenen van Marokkaanse afkomst vaker voor te komen dan bij volwassenen van Nederlandse afkomst (De Graaf et al., 2005c). Bij oudere Marokkanen en Turken komen depressieve gevoelens ook vaker voor (Van der Wurff et al., 2004). Dit is gedeeltelijk te verklaren door verschillen in sociaal-economische status. Mogelijk speelt ook immigratie een rol. Zie ook Zijn er verschillen naar etniciteit? | Jaarlijks krijgen ruim 285.000 volwassenen een eerste depressie De incidentie van een depressieve stoornis wordt op basis van het NEMESIS-onderzoek onder 18-64-jarigen vastgesteld op 17,3 per 1.000 mannen per jaar en 38,8 per 1.000 vrouwen per jaar (absoluut 89.900 mannen en 195.900 vrouwen). De incidentie van een dysthyme stoornis werd berekend op 4,1 per 1.000 mannen per jaar en 3,9 per 1.000 vrouwen per jaar (absoluut 21.300 mannen en 19.600 vrouwen). De leeftijdspecifieke cijfers zijn hierbij gestandaardiseerd naar de bevolking van 2003. Het betreft hier 'first incidence' cijfers; dat wil zeggen dat het gaat om gevallen van depressie bij personen die eerder in hun leven geen depressie hebben doorgemaakt. Het kan wel zo zijn dat personen met bijvoorbeeld een eerste depressieve stoornis, eerder al een dysthyme stoornis (of andere psychische stoornis) doormaakten. Zie ook Wat is depressie? Depressie doet zich veel voor op de leeftijd van 25 tot 45 jaar, en komt minder voor bij ouderen en kinderen (Schoemaker & De Ruiter, 2005). Van alle mensen die ooit een depressie hebben gehad, kreeg bijna de helft (40%) de stoornis voor het eerst tussen het 15de en 35ste jaar. Uit onderzoek naar dysthymie bij ouderen blijkt dat zij vaak pas op latere leeftijd (tussen hun 50e en 60e jaar) dysthymie hebben gekregen, vaak vlak na een stresvolle levensgebeurtenis (Devanand et al., 2002; Beekman et al., 2004). Depressie verdubbelt kans op vroegtijdig overlijden In 2003 zijn volgens het CBS slechts 17 mensen (4 mannen en 13 vrouwen) overleden aan depressie. Depressie heeft echter een grotere invloed op de sterftekans dan deze sterftecijfers suggereren (Schoevers et al., 2004).Zo is in deze cijfers het aantal gevallen van zelfdoding als gevolg van depressie niet meegenomen. Jaarlijks overlijden ongeveer 1.500 mensen door zelf toegebracht letsel. Bij ongeveer 30% van deze gevallen was sprake van depressie (Bertolote et al., 2004). Daarnaast wordt het overlijden van mensen met een depressie én een ernstige lichamelijke aandoening door het CBS niet meegenomen in de sterftecijfers voor depressie. Onbedoeld ontstaat zo het beeld dat depressie vrijwel geen invloed heeft op de sterftekans. Dat beeld is onjuist. Mensen met een lichamelijke aandoening én een depressie lopen namelijk twee maal zoveel kans om binnen een bepaalde periode te overlijden dan anderen met alleen een lichamelijke aandoening (Cuijpers & Smit, 2002). Er zijn diverse verklaringen voor deze verhoogde sterftekans als gevolg van depressie, maar goed onderzoek ontbreekt nog (Schoevers et al., 2004). | |
![]() |
Tabel 1: Jaarprevalentie (per 1.000) van depressie in drie epidemiologische bevolkingsonderzoeken; cijfers gestandaardiseerd naar de bevolking in 2003 (Verhulst et al., 1997a; Bijl et al., 1997a; Beekman et al., 1997).
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||
Depressie in de huisartspraktijk | ![]() |
Huisartsen registreren ruim 360.000 patiënten met depressie Op basis van huisartsenregistraties wordt geschat dat 363.600 personen in 2003 een depressie (depressieve stoornis plus dysthyme stoornis) hadden (zie tabel 2). In 2003 werden 112.000 nieuwe gevallen van depressie gediagnosticeerd. Als ook de mensen worden meegeteld met depressieve klachten, wordt het aantal patiënten voor 2003 geschat op 484.900 en het aantal nieuwe gevallen op 182.400. Niet iedereen met depressie bij de huisarts bekend De cijfers van huisartsenregistraties voor depressie vallen lager uit dan die van de epidemiologische bevolkingsonderzoeken (856.000 versus 363.600 of 484.900). Dit komt doordat niet alle patiënten met een depressie professionele hulp zoeken of direct naar een regionaal psychiatrisch centrum (voorheen RIAGG) gaan. Verder herkennen huisartsen de (veelal lichamelijke) klachten niet altijd als uiting van depressie. In het algemeen geldt dat er in de huisartsenpraktijk vaak onvoldoende psychiatrisch diagnostische kennis en tijd is om de diagnose depressie te stellen. Bovendien registreert een huisarts eerder een symptoomdiagnose (bijvoorbeeld depressief gevoel, suïcidegedachten, slaapstoornis, problemen met het werk, en dergelijke) dan een ziektediagnose. (Ormel, 1989; Havenaar, 1990; Bensing & Verhaak, 1994; Lamberts & Hofmans-Okkes, 1994; Peeters, 1997). Omvangschatting depressie niet gebaseerd op huisartsenregistraties Voor de meeste ziekten in het Kompas worden schattingen van de omvang van ziekten in Nederland en de trends gebaseerd op de huisartsenregistraties. In het geval van depressie wijken we daarvan af en kiezen we voor resultaten van bevolkingsonderzoeken, met de volgende argumenten:
| Tabel 2: Jaarprevalentie (per 1.000 en absoluut) en incidentie (per 1.000 per jaar en absoluut) van depressie en depressie of depressief gevoel in de huisartsenpraktijk; gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2003.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||