RIVM_Logo

Bronnen van lokale bodembelasting

Publiekssamenvatting

In deze studie is een aantal potentiele bronnen van lokale bodemverontreiniging geinventariseerd en vormt een aanvulling op eerder uitgevoerde inventarisaties. Van een groot aantal bodemrelevante prioritaire stoffen is de emissie naar de bodem geschat. Daarnaast zijn door middel van een modelmatige benadering de gevolgen voor de bodemkwaliteit beoordeeld en zijn metingen van bodemgehaltes geinventariseerd. Acht bronnen van lokale bodembelasting zijn geselecteerd op basis van de criteria: 1. de bron emitteert tot op heden naar de bodem ; 2. er is geen specifiek beleid geformuleerd of in voorbereiding ; 3. de bron is niet eerder bij inventarisatie meegenomen. Onder lokale bodembelasting wordt de belasting van de bodem verstaan met stoffen in de directe omgeving van een bron en waarbij sprake is van een gradient in de belasting. Dit project (over lokale bodembelasting) zal samen met een studie naar bronnen van diffuse bodembelasting (afronding eind 1994) worden gebruikt ter onderbouwing van beleidsmatige prioriteiten bij de aanpak van bodembelastende activiteiten. In het rapport zijn per onderzochte bronnen gegevens over de emissies naar de bodem samengevat: oorzaak, vrijkomende stoffen, geschatte bodembelasting in Nederland, geschat belast (bodem)oppervlak. Op basis van deze informatie, een aantal modelmatige berekeningen en beschikbare gegevens over de huidige bodemkwaliteit rond de bronnen, is de verwachte (toekomstige) bodemkwaliteit beoordeeld. De mogelijkheden voor emissiereductie zijn in beperkte mate in deze rapportage opgenomen. Bij openbare rioleringen bestaat, op basis van de geschatte lekkage naar bodem en de rioolwatersamenstelling, na 50 jaar kans op verontreiniging met chloorkoolwaterstoffen tot boven de streefwaarde voor bodem en grondwater bestaat. Bij incidentele lekkage van ondergrondse transportleidingen (gem. 1 tot 2 keer per jaar) wordt de interventiewaarde voor olie overschreden, maar hierop volgt meestal direct sanering. Daarnaast kan bij kleine onopgemerkte lekkages de streef/interventiewaarde worden overschreden. Bij snelwegen wordt binnen 50 jaar na begin van de belasting de interventiewaarde voor zink overschreden (met name onder vangrails). Verwacht wordt dat voor cadmium, lood, naftaleen en fenantreen (de meest geemitteerde PAK) langs snelwegen de streefwaarden binnen 50 jaar na begin van de belasting worden overschreden. Bodemanalyses langs snelwegen ondersteunen deze resultaten, kopergehaltes zijn ook verhoogd. De streefwaarden voor koper voor bodem langs spoorwegen en trambanen (vrije baan) worden binnen 50 jaar na begin van de belasting overschreden (voor trambanen mogelijk ook interventiewaarden). Rond oudere hoogspanningsmasten worden voor zink zowel streefwaarden als interventiewaarden (direct rond de mast) overschreden. Door nieuwe masten binnen een (tot enkele) jaar na plaatsing te verven zullen binnen 50 jaar na plaatsing streefwaarden alleen tot enkele meters van de mastvoet worden overschreden. Bij stralen en verven is gezien het eenmalige karakter van de activiteiten de kans op overschrijden van de streefwaarden zeer klein. Alleen het gebruik van dichloormethaan bij gevelreiniging leidt mogelijk tot een snelle overschrijding van de interventiewaarde. Uitloging van geimpregneerd hout kan mogelijk (binnen 50 jaar na toepassing) leiden tot een overschrijding van de streefwaarden voor chroom en koper. Voor koper kan de interventiewaarde worden overschreden. Voor PAK-totaal (geen berekening) wordt gezien de totale belasting ook overschrijding van streefwaarden van afzonderlijke PAK verwacht. Door bouwactiviteiten wordt geen overschrijding van streefwaarden verwacht ; alleen op- en overslag van olieprodukten hebben in dit verband aandacht nodig (via milieuzorg). De beschouwde bronnen dragen samen voor 1% tot 15% bij aan de totale belasting van de Nederlandse bodem met zware metalen. Voor PAK's en olie dragen deze bronnen voor resp. circa 41% en maximaal 15% bij aan de bodembelasting. Met name wegen, spoorwegen en uitloging van hout leveren een belangrijke bijdrage aan de emissies naar bodem.

Synopsis

The aim of this study was to support the policy on preventive soil protection with information concerning potential sources of local soil pollution. This study was an extension to earlier inventories on (potential) sources of soil pollution (e.g. industrial areas, landfills, oil-storage tanks). The emissions to soil were determined for eight potential sources and, following, potential soil concentrations in the top layer of the soil were estimated. Where possible these calculated concentrations were compared with measurements. The following sources were selected: public sewerage systems, pipelines (for oil products), roads and motorways, railways, tramways, galvanised power pylons, surface treatments and building activities. The study focused on heavy metals, pesticides, polycyclic aromatic hydrocarbons, chlorinated hydrocarbons, aromatic hydrocarbons and oil products.Conclusions have been made on (1) the contribution of the sources to the total emissions to the soil and (2) to the expected exceedance of the target values of pollutants in soil near sources mentioned. The contribution of the eight sources to the total emissions to soil is between 1 and 15% for heavy metals, about 41% for PAHs and maximally 15% for mineral oil. From the point of view of soil protection, the following sources and substances warrant further attention: emissions of chlorinated hydrocarbons from public sewerage systems ; emission and dispersion of lead, zinc, PAHs and oil along motorways ; emission of copper along railways and tramways ; potential leaching of PAH's and oil from railways ; emission of dichloromethane to the soil during the cleaning of buildings or removal of paint ; and copper, chromium and PAHs leaching from impregnated wood to the soil.

 

Gerelateerde onderwerpen

Home / Documenten en publicaties / Bronnen van lokale bodembelasting

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu