De handreiking Infectiepreventie in de ambulancezorg is opgesteld in 2025. Tussentijdse wijzigingen sinds de laatste herziening staan aangegeven in de Verantwoording.

Bij deze handreiking vindt u een aanbevelingenlijst, instructies voor handhygiëne, werkinstructies voor het schoonmaken van sanitair en voorbeelden van schoonmaakschema's. Deze vindt u onder Downloads.

Inleiding

Waar gaat deze handreiking over?

Deze handreiking richt zich op de infectiepreventiemaatregelen in de ambulancezorg, met als doel om zorggerelateerde infecties te voorkomen bij patiënten en ambulancezorgprofessionals (en hun thuisfront). De handreiking vervangt de LCHV Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid)-richtlijn Ambulancezorg (2017).

In deze handreiking komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • handhygiëne
  • persoonlijke hygiëne ambulancezorgprofessionals
  • persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
  • reiniging en desinfectie van materialen, hulpmiddelen en oppervlakken
  • accidenteel bloedcontact
  • mogelijke besmette patiënten en medewerkers
  • vervoer van (mogelijk) besmette patiënten
  • omgang wasgoed, afval, hulphonden

Voor wie is deze handreiking bedoeld?

Deze handreiking is primair bedoeld voor ambulancezorgprofessionals. Daarnaast is de handreiking bedoeld voor deskundigen infectiepreventie, kwaliteitsmedewerkers en facilitair managers. De handreiking is een basis voor ambulancezorgprofessionals en regionale ambulancezorgvoorzieningen voor de noodzakelijke vertaling naar sectorale protocollen en regionale werkafspraken.

Het opstellen van een infectiepreventiebeleid draagt bij aan het goed kunnen implementeren en waarborgen van de aanbevelingen die in deze handreiking genoemd worden.

Bij de implementatie is het belangrijk dat ambulancezorgprofessionals goed worden geïnformeerd over het belang van infectiepreventie, zodat zij professioneel handelen en schoon en veilig werken. Op die manier voorkomen ze dat ze een infectie oplopen en/of die doorgeven aan patiënten, collega's of hun thuisfront.

Voor patiënten

Zorgverleners die de infectiepreventiemaatregelen op de juiste wijze uitvoeren, zorgen er bovendien voor dat infectieziekten minder makkelijk kunnen worden overgedragen van de ene patiënt naar de andere patiënt.

Afbakening van de handreiking

Deze handreiking gaat over infectiepreventiemaatregelen in de ambulancezorg, inclusief de ambulancehelikopter. Er is bewust gekozen om aanbevelingen in sommige gevallen gedetailleerd uit te werken; dit sluit aan bij de wens van het werkveld.

Inhoudelijk is deze handreiking gebaseerd op onderstaande SRI-richtlijnen. Knelpunten specifiek voor de ambulancezorg zijn op basis van volgende generieke richtlijnen nader uitgewerkt:

Op dit moment zijn bovenstaande richtlijnen nog niet allemaal vastgesteld. Het is daardoor mogelijk dat de aanbevelingen in deze richtlijnen wijzigen voordat ze gepubliceerd worden. Deze wijzigingen zullen dan, in overleg met de werkgroep, worden overgenomen in de handreiking Ambulancezorg.

1 Handhygiëne

Deze module is onderverdeeld in drie submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • de momenten voor het toepassen van handhygiëne;
  • de juiste techniek van handhygiëne;
  • de middelen voor het goed kunnen toepassen van handhygiëne.

Handhygiëne is zowel het wassen van handen met (stromend) water en zeep als het gebruiken van handdesinfectiemiddel om de handen schoon te maken. Onder handhygiëne valt ook het drogen van de handen na het handen wassen en handverzorging met crèmes of lotions ter voorkoming van uitdrogen.

Deze module is gebaseerd op modules 1 en 2 van de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker.

1.1 Momenten

Aanbevelingen

  • Pas handhygiëne toe op de momenten, gebaseerd op de WHO World Health Organization (World Health Organization):
    • voor contact met de patiënt;
    • voor schoon (voor schone/steriele handelingen);
    • na contact met de patiënt;
    • na aanraken/contact met de directe omgeving van de patiënt;
    • na vies (na contact met lichaamsvloeistoffen).
  • Zijn handen niet zichtbaar verontreinigd? Pas dan handdesinfectie toe.
  • Zijn uw handen zichtbaar verontreinigd? Was uw handen met (stromend) water en zeep zodra water en zeep aanwezig zijn.
  • Zijn uw handen zichtbaar vuil en is er (nog) geen mogelijkheid om deze met water en vloeibare zeep te wassen terwijl de patiëntenzorg gecontinueerd moet worden? Pas dan handdesinfectie toe.
  • Voor goede handhygiëne is het voldoende als u alleen wast of desinfecteert. Doe het dus niet beide, direct na elkaar; uw huid droogt dan meer uit en beschadigt sneller.
  • Pas handhygiëne toe door de handen te wassen met water en vloeibare zeep én te drogen:
    • als ze zichtbaar vuil zijn;
    • na een toiletbezoek;
    • voor en na een etenspauze;
    • na schoonmaakwerkzaamheden;
    • na contact met dieren of mest;
    • na hoesten, niezen of het snuiten van de neus (gooi zakdoekjes weg).

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Module 2.1 van SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker beschrijft de vijf momenten van handhygiëne in de zorg. Deze momenten kunnen ook worden gevolgd in de ambulancezorg. Er zijn situaties waarbij bepaalde handhygiënemomenten niet van toepassing zijn of momenten van handhygiëne samengevoegd kunnen worden. Er zijn onderzoeken die de vijf momenten vertaald hebben naar de praktijk in zorgsituaties, zoals ook in de ambulancezorg.

Handhygiëne zal in ieder geval worden toegepast aan het begin en na beëindiging van zorghandelingen en bij de start van het patiëntenvervoer. Handhygiëne moet ook altijd worden toegepast na het uittrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen.

Naast de momenten zoals beschreven in de generieke richtlijn zijn er ook momenten voor handhygiëne die geen direct verband houden met zorghandelingen, zoals naar het toilet gaan. Ook hierbij moet de zorgverlener op de juiste momenten handhygiëne toepassen. Handhygiëne is ook van belang bij het in aanraking komen met huisdieren (van de patiënt of naasten).

Referenties

1.2 Techniek

Aanbevelingen

  • Desinfecteer de handen volgens de instructie Handdesinfectie van de WHO. Handdesinfectie is de eerste keus vergeleken met handen wassen. Randvoorwaarden/aandachtspunten hierbij zijn:
    • Gebruik handdesinfectiemiddel altijd op droge en zichtbaar schone handen.
    • Wrijf de handen met handdesinfectiemiddel tot alles helemaal is opgedroogd.
    • Het is van groot belang dat alle delen van de handen, inclusief de polsen, worden gedesinfecteerd. Volg het gebruikersvoorschrift van het middel voor de juiste concentratie, de juiste hoeveelheid en de juiste inwerktijd.
  • Gebruik alleen handdesinfectiemiddelen die wettelijk zijn toegelaten door het Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) of ECHA European Chemicals Agency (European Chemicals Agency), of die een handelsvergunning hebben als geneesmiddel van het CBG College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen). Zie ook module 1.3 Middelen.
  • Gebruik handdesinfectiemiddel dat een terugvettend bestandsdeel bevat.
  • Zodra er een wasgelegenheid aanwezig is, moeten handen die zichtbaar vuil zijn gewassen worden met water en zeep volgens de instructie Handen wassen van WHO.
  • Gebruik geen desinfecterende zeep.
  • Verzorg de handen met een huidverzorgingsmiddel op het moment dat dit de verdere zorg niet in de weg staat, bijvoorbeeld voor de (lunch)pauze, aan het einde van de dienst en thuis.
  • Gebruik huidverzorgingsmiddelen volgens aanwijzing van de fabrikant. Houd hierbij het volgende aan:
    • Breng niet te veel crème per keer aan. Houd een hoeveelheid aan ter grootte van een streepje crème over de lengte van het laatste vingerkootje van de wijsvinger.
    • Breng liever een aantal keer per dag een dunne laag crème aan, dan een of twee keer een heel dikke laag.
  • Gebruik handcrème die voldoet aan de volgende eisen:
    • uit een dispenser/persoonsgebonden tube;
    • goed in te wrijven.
  • Dek bij een niet-intacte huid (zoals sneetjes en kleine wondjes) de huid af met een waterdichte pleister.
  • Vervang de pleister als hij oprolt of gedeeltelijk loslaat.
  • Ga bij een open huid (niet af te dekken door een pleister) en/of eczeem naar de huisarts en/of stem af met de bedrijfsarts over inzet of (tijdelijke) aanpassing van de werkzaamheden.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

De onderbouwing voor onderstaande aanbevelingen komt uit bovengenoemde modules van de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker. Zie deze modules voor de literatuurverwijzingen.

De WHO World Health Organization (World Health Organization) heeft een techniek beschreven voor het uitvoeren van handhygiëne. De techniek voor het uitvoeren van handdesinfectie en handen wassen met (stromend) water en zeep is hetzelfde. Bij handen wassen hoort ook het drogen van de handen.

Handdesinfectie heeft de voorkeur boven handen wassen. Handen wassen kost meer tijd (handen nat maken, inwrijven met zeep en drogen). Handdesinfectie gaat sneller en is bovendien huidvriendelijker. Ook is er in de omgeving van een ambulance niet altijd een water- en droogvoorziening aanwezig. Bij handdesinfectie vormt dat geen probleem.

Het nadeel van handdesinfectie is dat vuil en/of lichaamsvloeistoffen op zichtbaar verontreinigde handen door handdesinfectiemiddel onvoldoende worden verwijderd. Zeep en water blijft dan de beste optie en is veelal wel aanwezig bij de patiënt thuis.

Het vaak toepassen van handhygiëne kan een uitdrogingseffect hebben op de huid. Bij een goede handhygiëne hoort dan ook een goede handverzorging. Smeer de handen in met handcrème op momenten dat het de zorg niet in de weg staat. Laat de handcrème goed intrekken. In handdesinfectiemiddelen zit vaak een terugvetter die uitdroging voorkomt. Om deze goed te laten werken, is het belangrijk om het handdesinfectiemiddel over de hele handen uit te wrijven totdat het droog is. Goed verzorgde handen zijn minder vatbaar voor irritaties en beschadigingen en voor de overdracht van micro-organismen. Bij een niet-intacte huid is de natuurlijke barrière beschadigd, waardoor het risico op infectie en overdracht van micro-organismen verhoogd is.

Een handdesinfectiemiddel en zeep en water kunnen in combinatie met elkaar de huid extra belasten. Hierdoor is de kans op uitdroging en beschadiging van de huid groter.

Overwegingen vanuit arboperspectief

In de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker wordt de discussie rond handdesinfectiemiddelen met ethanol uitgebreid behandeld. In deze handreiking worden alleen de conclusies weergegeven in module 1.2. Voor de volledige onderbouwing, zie module 3.1 in de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker.

Er kan niet worden geconcludeerd dat een ethanol bevattend handdesinfectiemiddel niet kan of mag worden gebruikt. Wel heeft de werkgever vanuit wet- en regelgeving duidelijk een rol om (mogelijk) schadelijke effecten bij hoogfrequent gebruik te inventariseren middels een risicoanalyse en door alternatieven te bieden aan zorgmedewerkers indien nodig. Alleen bij regelmatig hoogfrequent gebruik van handdesinfectiemiddelen met ethanol zal een werkgever moeten kijken naar een alternatief handdesinfectiemiddel waarbij de infectiepreventie gehandhaafd blijft. Een werkgever kiest voor het minst schadelijke middel en motiveert als er wordt afgeweken. Hierbij dient de werkgever te laten zien dat deze afweging is gemaakt op basis van een duidelijke risicoanalyse waarbij de veiligheid van zowel de cliënt als de zorgverlener in acht wordt genomen.

Waarden en voorkeuren van patiënten en/of zorgverleners

Voor de zorgverleners is het van belang dat het risico op transmissie en het ontstaan van infecties bij het verlenen van zorg zo laag mogelijk is. Een goede handhygiënetechniek draagt hieraan bij. Een goede handhygiëne beschermt zowel de patiënt als de zorgverlener tegen pathogene micro-organismen. Vanuit patiëntperspectief kan het raadzaam zijn om aan de patiënt/naasten uit te leggen waarom handdesinfectie voor de zorgverlener de voorkeur heeft boven handen wassen. 

Kosten en middelen

De werkgever is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de noodzakelijke handhygiëne- en desinfectiemiddelen. Alle handdesinfectiemiddelen moeten voldoen aan de wettelijke toelatingseisen en effectief zijn voor het beoogde toepassingsgebied. Maak afspraken over de beschikbaarheid van middelen als verzorgende crèmes of lotions met de werkgever of werkgeversorganisatie.

Referenties

1.3 Middelen

Aanbevelingen

  • Pas handhygiëne zo optimaal mogelijk toe.
  • Gebruik bij handreiniging stromend kraanwater en vloeibare zeep.
  • Gebruik een schoon stuk keukenrol of schone handdoek voor het drogen van de handen na het handen wassen indien u dit bijvoorbeeld in een woonomgeving doet.
  • Gebruik alleen handdesinfectiemiddelen die wettelijk zijn toegelaten door het Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides) of ECHA European Chemicals Agency (European Chemicals Agency), of die een handelsvergunning hebben als geneesmiddel van het CBG College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen).
  • Gebruik geen handdesinfectiemiddelen in de vorm van spray, verstuiver of een geïmpregneerd wegwerpdoekje.
  • Het bijvullen van zakflacons en andere dispensers met zeep of handdesinfectiemiddelen is niet toegestaan.
  • Gebruik geen zeep in vaste vorm.*
  • Gebruik geen desinfecterende zeep.

*Bij de patiënt thuis is niet altijd vloeibare zeep aanwezig. Bij zichtbare verontreiniging kan als uitzondering de aanwezige zeep in vaste vorm worden gebruikt waarna in/of bij de ambulance handdesinfectie kan plaatsvinden.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

De belangrijkste maatregel om verspreiding van infectieziekten te voorkomen, is goede handhygiëne. Faciliteiten die nodig zijn voor de juiste uitvoering van (hand)hygiëne zijn in de ambulancezorg echter niet vanzelfsprekend aanwezig. Als gebruik van handalcoholdispensers en/of aanwezigheid van stromend water en zeep niet mogelijk is, is het gebruik van zakflacons handalcohol door medewerkers een goed alternatief. Het gebruik van desinfecterende zeep is minder effectief dan handdesinfectiemiddelen. Bovendien heeft het bijwerkingen, zoals het uitdrogen van de huid. Het gebruik van dit middel wordt daarom niet aanbevolen.

Handdesinfectiemiddelen kunnen zowel in een zakflacon als in een vastgezette pomp of dispenser in het ambulancevoertuig (o.a. in de achtercabine) worden gebruikt. In de ambulancezorg kan het gebruik van zakflacons een aanvulling zijn, omdat deze makkelijk kunnen worden meegenomen door de individuele zorgverlener. Daardoor is er altijd een mogelijkheid tot handhygiëne.

Handdesinfectiemiddelen moeten wettelijk zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) of het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), of ze moeten een handelsvergunning hebben als geneesmiddel van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Het is aan de producent of hij voor zijn desinfectiemiddel een toelating als biocide aanvraagt of een registratie als geneesmiddel. Een toelating als biocide kan bij Ctgb, ECHA of CBG. Deze instanties toetsen het middel op werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid.

Het Ctgb registreert een toegelaten middel in haar toelatingendatabank. Voor een compleet overzicht van toegelaten handdesinfectiemiddelen in Nederland moeten zowel de Ctgb-databank als de databank van ECHA geraadpleegd worden. Toegelaten biociden krijgen een N-nummer, een NL-nummer of een EU Europese Unie (Europese Unie)-nummer.

Overwegingen vanuit arboperspectief

In de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker wordt de discussie rond handdesinfectiemiddelen met ethanol uitgebreid behandeld. In deze handreiking worden alleen de conclusies weergegeven in module 1.2. Zie voor de verdere onderbouwing module 3.1 van de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker.

Duurzaamheid en hergebruik

Navullen of hergebruik van dispensers of zakflacons zou duurzamer kunnen zijn dan steeds nieuwe middelen gebruiken. Het bijvullen of hergebruik van dispensers en flacons geeft echter een risico op besmetting van de vloeibare zeep of het handdesinfectiemiddel. Het uitvoeren van handhygiëne als essentieel onderdeel van de basisinfectiepreventiemaatregelen komt hiermee in het geding. Navullen of hergebruik is daarom niet toegestaan.

Referenties

2 Persoonlijke hygiëne ambulancezorgprofessionals

Ambulancezorgprofessionals en patiënten hebben veel contact met elkaar, vaak in een beperkte ruimte zoals in het ambulancevoertuig. Bij dit contact kunnen ziekteverwekkers zich gemakkelijk verspreiden via bijvoorbeeld de handen, lucht, kleding en gedeelde materialen. Een goede persoonlijke hygiëne verkleint het infectierisico. Deze module beschrijft de persoonlijke hygiëne van ambulancezorgprofessionals.

Deze module is onderverdeeld in drie submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • kleding en schoeisel
  • sieraden, onderarmen, haar en nagels
  • infectieziekten bij ambulancezorgprofessionals

2.1 Kleding en schoeisel

Aanbevelingen

Werkkleding

  • Trek dagelijks schoongewassen werkkleding aan. Trek ook schone werkkleding aan als de kleding zichtbaar vervuild is met lichaamsvloeistoffen.
  • Zorg dat er voldoende (reserve)kleding aanwezig is om deze dagelijks te kunnen verschonen.
  • Zorg voor een efficiënte wasprocedure om voldoende voorraad beschikbaar te hebben.
  • Neem werkkleding niet mee naar huis, trek deze op de post aan/uit.
  • Sluit de kleding tijdens het dragen goed.
  • Draag kleding van gladde stof.
  • Reinig kleding conform de volgende eisen:
    • machinaal te wassen op een temperatuur van minimaal 60 graden;
    • te wassen op een temperatuur van 40 tot 60 graden én te strijken en/of machinaal te drogen.
  • Verschoon de (over)jas/softshell/fleece jas/signaalvest/muts/das/col bij zichtbare vervuiling en maak afspraken over frequentie van verschoning met de eigen RAV.

Schoeisel

  • Draag schoon schoeisel van goed te reinigen materiaal.
  • Reinig schoeisel bij zichtbare verontreiniging volgens de instructies van de fabrikant.
  • Pas handhygiëne toe na het veteren.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen
Werkkleding

In de ambulancezorg wordt werkkleding gedragen tijdens de zorgverlening. Daarbij is er de optie voor werkkleding met lange mouwen, in verband met onder andere veiligheid (aanwezigheid van scherpe oppervlakken zoals bij auto-ongevallen/-wrakken) en werkomstandigheden bij koud weer. Het dragen van werkkleding met korte mouwen heeft echter de voorkeur. De kleding dient gewassen te worden op minimaal 40 graden Celsius. De werkkleding wordt door de ambulancedienst verstrekt aan de medewerkers.

Het materiaal van de kleding is bepalend voor een goede reiniging. De kleding mag niet pluizend zijn en moet goed machinaal te reinigen zijn. Zie ook module 2.2 Sieraden, onderarmen, haar en nagels.

Door ruimtegebrek kan het risico ontstaan dat medewerkers na het omkleden met hun vuile werkkleding door de ambulancepost lopen en deze in een andere ruimte in de zak voor vuil wasgoed doen. Plaats bij voorkeur de zak voor vuile was in of nabij de omkleedruimte. Zo hoeft men zo min mogelijk door andere (schone) ruimtes te lopen.

Kleding kan gecontamineerd raken met micro-organismen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Via deze weg kunnen ook pathogene micro-organismen (ziekteverwekkers) of multiresistente micro-organismen worden overdragen. Om die reden dient werkkleding gesloten te worden gedragen.

Schoeisel

Schoeisel komt in principe niet direct in contact met de patiënt, maar kan via de omgeving of door lichaamsvloeistoffen wel bevuild raken. Op die manier kan het een risico voor transmissie zijn, met name bij het veteren. Schoeisel moet om die reden schoon zijn en eenvoudig schoon te maken.

Referenties

2.2 Sieraden, onderarmen, haar en nagels

Aanbevelingen

  • Stel binnen het RAV beleid op, conform de aanbevelingen over het dragen van de uniformkleding, nagelverzorging, het dragen van sieraden, accessoires en/of (medische) hulpmiddelen aan handen en onderarmen.
  • Waarborg de naleving hiervan binnen de RAV-organisatie.
  • Draag geen hand- en polssieraden of accessoires zoals (gladde) ringen, armbanden, polshorloges, piercings, braces, spalken, kousen, gips of silversplint.
  • Knip nagels kort en draag geen nagellak, nagelversieringen (het versieren van de nagels met nagellak, glitters, steentjes of stickers), gelnagels en/of kunstnagels aan de vingernagels.
  • Dek open wondjes aan de handen af met een waterafstotende pleister.
  • Draag uw haar kort of opgestoken en houd een baard/snort kortgeknipt.
  • Zorg dat het haar niet in contact kan komen met de patiënt.
  • Voorkom dat piercings, oorbellen of kettingen in contact kunnen komen met patiënten.
  • Verwijder piercing of oorbel indien de huid erom ontstoken is. Dek een ontstoken insteekplaats van een oorbel/piercing af met een niet-vochtdoorlatende pleister.

Overwegingen

Zie voor de volledige onderbouwing en literatuurverwijzingen de SRI-richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker.

Infectiepreventiemaatregelen

Handsieraden, accessoires of (medische) hulpmiddelen aan handen en onderarmen kunnen de patiënt beschadigen en verhinderen de ambulancezorgprofessional in het goed uitvoeren van handhygiëne. Daarnaast kunnen ze handschoenen beschadigen, zoals lange, scherpe (kunst)nagels. Onder lange nagels kan vuil, waaronder micro-organismen, zich ophopen. Daarnaast kan nagellak de nagels ook beschadigen, waardoor de nagel niet meer volledig glad is. Micro-organismen kunnen juist in deze beschadigingen achterblijven, ook na het uitvoeren van handhygiëne.

Piercings kunnen worden gedragen als deze niet aan de handen of polsen zitten en/of in aanraking kunnen komen met de cliënt. Ditzelfde geldt voor oorbellen en accessoires die in het haar worden gedragen en voor kettingen.

Haar en hoofdbedekkking

Via haar of hoofdbedekking kunnen micro-organismen worden overgedragen. Om dit te voorkomen dient het haar of de hoofdbedekking zo te worden gedragen dat het niet in contact kan komen met (de omgeving van) de patiënt of de voorkant van de werkkleding.

Voor baarden en snorren geldt dat deze kortgeknipt en schoon moeten zijn. Een baard en/of snor moet ook kortgeknipt zijn om een mondneusmasker goed te kunnen laten aansluiten op het gezicht, zodat de functie van het masker niet wordt belemmerd. Hiermee worden patiënt en de medewerker beter beschermd.

Vermijd daarnaast als zorgverlener zoveel mogelijk het contact met de handen aan het eigen haar of gezicht (met name rond mond, ogen en neus), ook om het risico op kruisbesmetting van patiënt naar de medewerker zo klein mogelijk te houden.

Overwegingen vanuit arboperspectief

Goede handhygiëne en daarbij afwezigheid van hand- en polssieraden is van belang bij verzorgende en verpleegkundige handelingen, medische handelingen en tijdens de omgang met voedsel. Het dragen van sieraden, accessoires, lange mouwen of (medische) hulpmiddelen aan handen en onderarmen belemmert een goede uitvoering en het resultaat van de handhygiëne. Dit geldt ook voor polshorloges; het willen waarnemen van de tijd rechtvaardigt het gebruik ervan niet. Ook via piercings, oorbellen en kettingen kunnen ziekteverwekkers worden overgedragen. Bovendien kunnen piercings de huid van patiënten beschadigen. Bij medische hulpmiddelen (bijvoorbeeld brace of spalk) moet de werkgever samen met de medewerker op zoek gaan naar een individuele oplossing. Dit gebeurt in overleg met de deskundige infectiepreventie en de bedrijfsarts, die een risico-inventarisatie kan opstellen.

Referenties

2.3 Infectieziekten bij ambulancezorgprofessionals

Aanbevelingen

  • Zorg dat er in de RAV een schriftelijke procedure is voor het melden, door de medewerker, van infectie(ziekten) met een infectierisico voor patiënten. Vermeld hierin duidelijk:
    • welke infecties relevant zijn en gemeld moeten worden, zoals infecties aan de handen, steenpuisten, en acute en aanhoudende diarree;
    • bij wie de medewerker de melding moet doen, bijvoorbeeld de leidinggevende of bedrijfsarts;
    • wie beslist over het al dan niet (gedeeltelijk) staken van de (patiëntgebonden) werkzaamheden;
    • wie beslist over het (gedeeltelijk) hervatten van de (patiëntgebonden) werkzaamheden;
    • wat het risico is op beroepsgebonden infectieziekten; informeer medewerkers hierover.
  • Stel een vaccinatiebeleid op voor zorgverleners waarin ten minste een procedure is opgenomen voor het in kaart brengen van de immuun- en vaccinatiestatus van zorgverleners (vanaf indiensttreding). Aandachtspunten hierbij zijn:
    • het aanbieden van aanvullende maatregelen bij een ontoereikende immuun- en vaccinatiestatus;
    • een specifiek beleid voor zorgverleners met een verhoogd risico (bijvoorbeeld zwangeren);
    • het regelmatig toetsen aan actuele wet- en regelgeving op het gebied van vaccinatie;
    • de bedrijfsarts, in samenspraak met de arbeidshygiënist, adviseert de werkgever op basis van risico-inventarisatie op het werk;
    • het aanbieden van vaccinatie met de begeleidende individuele voorlichting, opgesteld door inhoudsdeskundig personeel. De werknemers moeten op de hoogte worden gebracht van de voor- en nadelen en worden bijgestaan in een individuele afweging;
    • de vaccinatie (voorlichting) maakt onderdeel uit van de arbeidsgeneeskundige begeleiding en is de verantwoordelijkheid van een bedrijfsarts;
    • de werknemer beslist over het al dan niet vaccineren;
    • de aangeboden vaccinatie mag geen kosten voor de werknemers met zich meebrengen, kosten van vaccinatie zijn voor de werkgever;
    • er kan een vaccinatiekaart worden opgesteld die aan de betrokken werknemers en op verzoek aan de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Het vastleggen van afspraken over het melden van een infectie(ziekte) en het benoemen van voorbeelden van relevante infecties in de procedure helpt de medewerker hierop alert te zijn. Het is belangrijk dat in de procedure ook de indicaties voor een melding worden vermeld. Dit zijn onder andere:

  • huidinfectie
  • nagelriemontsteking
  • (aanhoudende) diarree en/of braken
  • hepatitis A
  • (contact met) waterpokken of gordelroos
  • conjunctivitis
  • scabiës
  • (verdenking op) MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus)-dragerschap
  • respiratoire klachten

MRSA is bijvoorbeeld niet direct een ziekte, maar vormt wel een risico op transmissie. Ambulancezorgprofessionals met een MRSA-infectie mogen geen patiëntgebonden werkzaamheden uitvoeren totdat zij MRSA-negatief verklaard zijn. Omdat de besmetting veelal asymptomatisch verloopt, betekent dit arbeidsongeschiktheid voor patiëntgebonden werkzaamheden zonder dat er sprake is van fysieke beperkingen ten gevolge van 'ziekte'. Zie de SRI-richtlijn Infectiepreventie meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA).

Informeer ambulancezorgmedewerkers over het risico op beroepsgebonden (= op het werk opgelopen) infectieziekten (zie de website van Kennissysteem Infectieziekten en arbeid). Ook het belang van een optimale bescherming hiertegen is belangrijk om te benoemen. Door deze voorlichting bij indiensttreding te verlenen, zijn medewerkers goed op de hoogte van de eventuele risico's en de te nemen preventiemaatregelen. De preventieve maatregelen bij een prik-, spat-, snij- of bijtaccident staan beschreven in de SRI-richtlijn Accidenteel bloedcontact.

Vaccinaties

Afhankelijk van het ambulancezorgniveau en bijbehorende handelingen waarvoor de ambulancezorgprofessionals worden ingezet, kunnen de medewerkers een verhoogd risico lopen op besmetting met sommige infectieziekten. Of hiervan sprake is, kan worden vastgesteld middels een periodieke risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) (Arbeidsomstandighedenbesluit 4.85). Tegen sommige van deze ziekten kunnen medewerkers zich laten vaccineren, bijvoorbeeld tegen hepatitis en griep. Vrouwen in de vruchtbare leeftijd kunnen de BMR-vaccinatie bof, mazelen, rodehond (bof, mazelen, rodehond) krijgen als ze deze niet via het Rijksvaccinatieprogramma hebben gekregen. Ook kunnen ze worden gevaccineerd tegen waterpokken, indien zij dit niet hebben doorgemaakt. Welke vaccinaties moeten worden aangeboden, wordt bepaald aan de hand van type werkzaamheden en risico op blootstelling (en transmissie) zoals beschreven in de specifiek hierop gerichte RI&E Risico-Inventarisatie en Evaluatie (Risico-Inventarisatie en Evaluatie). Dit kan worden opgenomen in de Arbocatologus ambulancezorg, zodat dit niet per regionale ambulancevoorziening afzonderlijk hoeft te worden bepaald. De Gezondheidsraad geeft hiervoor afwegingscriteria. De subcommissie Vaccinatie werknemers heeft specifiek advies gegeven voor werknemers gericht op bepaalde vaccinaties.

Vaccinatie tegen pneumokokken is niet specifiek gericht op ambulancezorgprofessionals. Wel wordt hierbij gekeken naar de leeftijd (60 jaar en ouder) en gezondheidsstatus van medewerkers. Een VZV varicellazostervirus (varicellazostervirus)-vaccinatie (tegen het varicella zoster-virus) kan worden overwogen bij ambulancezorgmedewerkers. Dit geldt dan voor medewerkers die in het verleden geen waterpokken hebben gehad, of die op jonge leeftijd (< 6 maanden) wel waterpokken gehad maar vanwege beschermende antistoffen van de moeder zelf geen immuniteit hebben ontwikkeld.

Vaccinatie tegen gordelroos, dat ontstaat door reactivatie van een eerder doorgemaakte varicella zoster-virusinfectie, kan worden aangeboden. Het gaat hier dan primair om het potentiële risico van een niet-immune patiënt; die kan in direct contact komen met vocht uit de blaasjes van de medewerker. Met hygiënemaatregelen kan dat risico al voor een belangrijk deel kleiner worden.

Afhankelijk van de functie/het werk van de medewerkers kan de werkgever verplicht zijn om vaccinaties kosteloos aan te bieden, op basis van de Arbowet. Zie voor meer informatie onder andere het Arbeidsomstandighedenbesluit, art. 4.91 en de website van Kiza.

Overwegingen vanuit arboperspectief

Infectieziekten vallen binnen de Arbowet onder biologische agentia. Het Arbobesluit legt daarvoor aanvullende verplichtingen op aan de werkgever. Werknemers hebben het recht, zonder tussenkomst van werkgever, een afspraak met de bedrijfsarts te maken bij vragen over gezondheid en werk. Werkgever moet werknemers die tijdens hun werk blootgesteld worden aan biologische agentia een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aanbieden op de volgende momenten:

  • bij aanvang van het werken met biologische agentia;
  • bij (potentiële) blootstelling;
  • bij besmetting;
  • bij beëindiging van werk met potentiële blootstelling (Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.91).

De werkgever moet bij het beheersen van werkgebonden infectieziekten dusdanige maatregelen treffen dat de kans op blootstelling aan (en vervolgens mogelijke transmissie van) een agens in het werk zo laag mogelijk is. Vaccinatie maakt onderdeel uit van de arbeidsgeneeskundige begeleiding en vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van een bedrijfsarts. De bedrijfsarts/arbodienst kan een vaccinatiekaart opstellen die aan betrokken ambulancezorgmedewerker en op verzoek aan bevoegde autoriteiten wordt afgegeven. Het is niet verplicht om de vaccinatiestatus bij de bedrijfsarts neer te leggen, maar het mag in ieder geval niet worden belegd/geregistreerd bij de werkgever. De bedrijfsarts/arbodienst kan de werkgever bijstaan bij het vastleggen van de immuunstatus, in lijn met de AVG algemene verordening gegevensbescherming (algemene verordening gegevensbescherming). De bedrijfsarts kan aanvullende adviezen geven op individueel niveau ten aanzien van vaccinaties en type werkzaamheden bij ontbreken van immuniteit of besmettelijkheid voor derden.

Als uit de RI&E blijkt dat er een risico bestaat voor de gezondheid van werknemers terwijl er effectieve inentingen in Nederland beschikbaar zijn, dan moet de werkgever een vaccinatie aanbieden (Artikel 4.91 Arbeidsomstandighedenbesluit). Vaccinatie is bedoeld als aanvulling op andere (preventieve) maatregelen. Naast vaccinatie ter directe bescherming van werknemer, dient vaccinatie ter bescherming van derden in de afweging te worden meegenomen (Gezondheidsraad Subcommissie Vaccinatie werknemers).

Werkgevers en werknemers dragen samen de verantwoordelijkheid voor veilig en gezond werken. Een werkgever moet een beleid hebben met betrekking tot het laagdrempelig kunnen melden van (besmettelijke) infectieziekten bij leidinggevende en/of bedrijfsarts/arbodienst. In dat beleid zijn ook afspraken gemaakt over werk(plek)aanpassing, het al dan niet staken van werkzaamheden en afspraken over werkhervatting. De bedrijfsarts kan werkgever adviseren over het werk en te nemen maatregelen.

Een bedrijfsarts adviseert over de geschiktheid om bepaalde werkzaamheden wel of niet te verrichten.

Referenties

3 Persoonlijke beschermingsmiddelen

Deze module is onderverdeeld in vier submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • mondneusmaskers en oogbescherming
  • disposable handschoenen (niet-steriel)
  • beschermende kleding
  • combinatie van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)

3.1 Mondneusmaskers en oogbescherming

Aanbevelingen

Maskers

  • Draag een chirurgisch mondneusmasker type IIR bij risico op spatten van lichaamsvloeistoffen in het gezicht.
  • Draag minimaal een chirurgisch mondneusmasker type IIR bij contact met patiënten met een infectieziekte die voornamelijk wordt overgedragen via druppels.
  • Draag minimaal een chirurgisch mondneusmasker type II als uitscheiding van micro-organismen uit de mondkeelholte of neus van de medewerker naar patiënt voorkomen moet worden.
  • Draag een FFP2-ademhalingsbeschermingsmasker (zonder uitademingsventiel) bij contact met een patiënt met een infectieziekte die voornamelijk aerogeen wordt overgedragen, zoals tuberculose (tbc). Voor de indicatie kan contact worden opgenomen met de behandelaar of deskundige infectiepreventie van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) of raadpleeg de sectorale protocollen.
  • Draag een FFP2-masker bij aerosolvormende handelingen en intubatie bij patiënt met een (vermoedelijke) luchtweginfectie zoals COVID-19 of influenza.
  • Raak het mondneusmasker bij het afzetten alleen aan bij de elastieken of touwtjes. Raak niet de binnenkant van het masker aan.
  • Zorg voor een goede aansluiting van het masker op het gezicht/gelaat. Draag het masker met de metalen strip op de neus en druk na plaatsen de metalen strip op de neus vast. Gooi het masker na gebruik direct weg in de afvalbak. Het masker is voor eenmalig gebruik.
  • Bewaar het masker na dragen niet in de dienstkleding, maar gooi het na gebruik weg in een afvalbak.
  • Draag het masker niet om de hals.
  • Pas handhygiëne toe na contact met de voorzijde van het masker en na het afzetten van het masker.

Oogbescherming

  • Draag oogbescherming wanneer er kans is dat het oogslijmvlies in contact komt met lichaamsvloeistoffen.
  • Draag oogbescherming bij contact met patiënten met een specifieke infectieziekte waarbij het risico bestaat op besmetting door micro-organismen via de ogen. Voor de indicatie kan contact worden opgenomen met de behandelaar of deskundige infectiepreventie van de GGD of raadpleeg de sectorale protocollen.
  • Gooi disposable oogbescherming na gebruik weg in een afvalbak.
  • Reinig herbruikbare oogbescherming na gebruik volgens voorschrift van de fabrikant. Desinfecteer op indicatie: bij isolatietypes en bij vervuiling met lichaamsvloeistoffen zoals bloed en braaksel.
  • Vervang de oogbescherming als het zicht verminderd wordt door beschadiging en/of verwering.
  • Zie voor de eisen waar maskers en oogbescherming aan moeten voldoen de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, module 2.

Overwegingen

Mondneusmaskers en ademhalingsbschermingsmaskers

Een chirurgisch mondneusmasker type II filtert de lucht, zodat de omgeving is beschermd tegen druppels die ontstaan bij praten, hoesten en niezen door de maskerdrager. Het zorgt er ook voor dat de patiënt niet wordt blootgesteld aan eventuele pathogenen van de zorgverlener die het masker draagt. Het masker beschermt ook de maskerdrager tegen besmetting vanuit de werkomgeving bij zorghandelingen waarbij kans is op spatten van lichaamsvloeistoffen. Voorbeeld is het spoelen van de wond bij wondzorg. Het mondneusmasker beschermt de drager (in principe de zorgverlener) ook tegen zelfbesmetting, doordat het masker voorkomt dat de neus en de mond (onbewust) aangeraakt worden met de handen die vanuit de omgeving of via contact met een patiënt mogelijk in aanraking zijn gekomen met besmettelijke micro-organismen. Een chirurgisch mondneusmasker IIR is daarnaast ook vochtwerend en beschermt extra tegen druppels of spatten van lichaamsvloeistoffen van de patiënt.

Een ademhalingsbeschermingsmasker heeft een hogere filterefficiëntie en minder randlekkage dan chirurgische mondneusmaskers. Voornamelijk FFP2-maskers zijn van toepassing in de ambulancezorg. Ze worden op indicatie gedragen bij cliënten met een infectieziekte die vooral aerogeen wordt overgedragen (bijvoorbeeld tbc Tuberculose (Tuberculose)). De indicatie wordt gegeven door de behandelaar, GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) of deskundige infectiepreventie, dan wel vanuit de sectorale afspraken in de landelijke protocollen.

Maskers met een hoge filtratiegraad, zoals een FFP2-masker, leiden echter eerder tot ongemak bij de drager vanwege de hogere ademweerstand. Dit ongemak leidt tot meer manipulatie of aanraken van het masker door de drager en dat geeft juist weer een hoger besmettingsrisico. Daarnaast kan het dragen van een masker met hoge filtratiegraad gedurende langere tijd leiden tot hoofdpijnklachten en ademhalingsproblemen. Dit is van belang in de keuze voor het type masker dat wordt gebruikt.

Een van de belangrijkste voorwaarden van een mondneusmasker of ademhalingsbeschermingsmasker is dat het goed aansluit op het gezicht. Is dit niet het geval, dan stroomt ongefilterde lucht via de open randen het masker binnen, waarbij de maskerdrager ongewild toch wordt blootgesteld. Daarnaast is de kans groot dat bij een niet goed aansluitend mondneusmasker deze vaker wordt aangeraakt (om het goed te zetten), waardoor de handen gecontamineerd worden. Om dit te voorkomen, moet de metalen neusklem goed worden aangedrukt als het masker wordt opgezet. De zorgverlener kan zelf controleren of een masker goed aansluit door te blazen in het masker. Als er voelbaar lucht langs het gezicht gaat, sluit het masker niet goed aan. Zie voor een professionele pasvormtest module 4b van de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen.

Een chirurgisch mondneusmasker of ademhalingsbeschermingsmasker kan maximaal worden gedragen voor de duur zoals aangegeven door de fabrikant. Het masker kan eerder worden gewisseld als ademen zwaarder wordt of als het masker vochtig of vuil is. Training op het juiste gebruik van een masker is belangrijk. Op dit moment is hergebruik van maskers niet toegestaan. Een masker moet dus na gebruik worden weggegooid. Zie ook module 5.2 van de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen.

Verdere uitleg is te vinden in de SRI-richtlijn Isolatie.

Oogbescherming

Er zijn diverse types oogbescherming op basis van het beoogde gebruik. Binnen de ambulancezorg wordt de oogbescherming voornamelijk gebruikt als bescherming tegen spatten van lichaamsvloeistoffen, maar ook als onderdeel van PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) bij een specifieke infectieziekte. De keuze hierbij bestaat uit: een beschermende bril, een gelaatsscherm en een chirurgisch mondneusmasker met geïntegreerd spatscherm. Een gewone bril kan niet als beschermende bril worden gebruikt, omdat deze onvoldoende bescherming geeft en niet voldoet aan de eisen die gelden voor oogbescherming (zie module 2 van SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen). Om overdracht van pathogene micro-organismen via de handen te voorkomen, is het belangrijk dat de bril na gebruik of bij verwisselen bij de pootjes wordt gepakt. Raak daarbij de voorkant van de beschermende bril niet aan met de handen.

Kosten en middelen

Het is de wettelijke plicht dat de werkgever zorgt voor juiste, passende en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. De kosten hiervoor zijn voor de werkgever. De werkgever moet ook voorzien in instructies over gebruik en juiste werkwijze. De werknemer heeft als plicht de PBM op de juiste manier te gebruiken. Zie voor de eisen waar mondneusmaskers en oogbescherming aan moeten voldoen de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, module 2

Referenties

3.2 Niet-steriele handschoenen

Aanbevelingen

  • Draag niet-steriele handschoenen bij alle zorghandelingen waarbij kans is op:
    • contact met lichaamsvloeistoffen, zoals bloed, urine, ontlasting, wondvocht, sputum en braaksel, slijmvliezen en/of niet-intacte huid;
    • overdracht van (pathogene) micro-organismen via de handen van de medewerker op indicatie of verdenking bij specifieke infectieziekten zoals BRMO bijzonder resistente micro-organismen (bijzonder resistente micro-organismen)/MRSA.
  • Gebruik ook handschoenen bij het reinigen en desinfecteren van verpleegkundige materialen, medische hulpmiddelen en oppervlakken.
  • Gebruik handschoenen niet als vervanging voor handhygiëne. Was of desinfecteer handschoenen dus niet.
  • Pas handhygiëne toe voor het aantrekken en na het uittrekken van handschoenen.
  • Gebruik handschoenen alleen voor de handeling waarvoor u ze aandoet, doe ze daarna weer uit. Laat handschoenen tijdens het dragen zo min mogelijk in contact komen met omgevingsmaterialen, zoals contactpunten (telefoons, deurknoppen), apparatuur, toetsenborden, cliëntendossiers, etc.
  • Gebruik handschoenen altijd maar één keer.
  • Draag geen twee paar handschoenen over elkaar.
  • Vervang handschoenen tussendoor als u handelingen in volgorde van vuil naar schoon doet.
  • Zie voor de eisen waar handschoenen aan moeten voldoen SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, module 2.

Overwegingen

De onderbouwing voor de aanbevelingen rondom niet-steriele handschoenen is terug te vinden in module 3 van de richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen en module 3.5 van de richtlijn Handhygiëne & persoonlijke hygiëne medewerker.

Infectiepreventiemaatregelen

Niet-steriele handschoenen moeten worden gedragen als er contact kan zijn met lichaamsvloeistoffen zoals bloed, ontlasting, urine en sputum en bij contact met de slijmvliezen. Verder moeten handschoenen gedragen worden in acute situaties waarbij aanwezigheid van bloed een gegeven is, zoals bij verkeersongevallen of geweldsincidenten. Het dragen van handschoenen is ook een gegeven bij reanimaties.

De bewustwording van handhygiëne en hoe dit in de ambulancezorg op juiste wijze is uit te voeren, vraagt om regionaal beleid. Het bespreken en stimuleren van bewust handschoenengebruik tijdens zorghandelingen kan bijdragen aan het verminderen van onnodig gebruik van handschoenen. Door kritisch hiermee om te gaan wordt enerzijds de verspreiding van micro-organismen voorkomen en wordt anderzijds de zorg zowel veiliger als duurzamer.

Daarnaast kan het dragen van handschoenen ook vanuit andere redenen dan infectiepreventie geïndiceerd zijn, bijvoorbeeld bij blootstelling aan chemicaliën en medicatie. Dit wordt verder niet behandeld in deze module. Zie voor de eisen aan handschoenen de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, module 2.

Het materiaal van handschoenen is niet geschikt voor desinfectie met hand- of oppervlaktedesinfectans of voor wassen met water en zeep. De materialen van de handschoen kunnen hierdoor poreus worden, waardoor de handschoenen onvoldoende werken als persoonlijk beschermingsmiddel. Het exact aantal minuten is afhankelijk van het materiaal, maar ook bij het lang dragen en/of niet wisselen van handschoenen is er een verhoogd risico op het ontstaan en/of toename van pinholes. Deze pinholes, microscopisch kleine gaatjes, vergroten het risico op de doorlaatbaarheid van micro-organismen zoals virussen en bacteriën.

Zie de SRI-richtlijn Isolatie voor indicatie van het dragen van handschoenen bij specifieke infectieziekten.

Kosten en middelen

Het is de wettelijke plicht dat de werkgever zorgt voor juiste, passende en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. De kosten hiervoor zijn voor de werkgever. De werkgever moet ook voorzien in instructies over gebruik en juiste werkwijze. De werknemer heeft als plicht de PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) op de juiste manier te gebruiken.

Duurzaamheid en hergebruik

Vanuit het duurzaamheidsoogpunt is het van belang om handschoenen zo doelmatig mogelijk te gebruiken, door onder andere handschoenen alleen te gebruiken wanneer nodig en werkzaamheden dusdanig te plannen (schoon - vuil) dat wisselen van handschoenen zo weinig mogelijk hoeft te gebeuren. Hergebruik van disposable handschoenen is niet toegestaan, omdat deze tijdens zorghandelingen besmet kunnen zijn geraakt. Daarnaast mogen er geen twee paar handschoenen over elkaar worden gedragen. Dit zorgt voor een grotere kans dat de handschoenen kapotgaan en dat de onderste handschoenen worden besmet.

Referenties

3.3 Beschermende kleding (schorten/overall)

Aanbevelingen
  • Draag bij voorkeur ten minste een (jas)schort/overall wanneer er reële kans is op contact met lichaamsvloeistoffen ter bescherming (of nat worden) van werkkleding (voornamelijk de voorkant).
  • Draag een schort/overall met lange mouwen om de medewerker zelf te beschermen als onderdeel van isolatiemaatregelen. Volg hierbij de SRI-richtlijn Isolatie.

Schorten

  • Gooi disposable schorten direct na gebruik weg in een afvalbak.
  • Verwissel een herbruikbaar stoffen schort na gebruik en bied deze aan voor reiniging.
  • Trek een schort op de juiste manier uit:
    • Maak de strik op de rug los en trek het binnenstebuiten uit of trek een halterschort uit over het hoofd en laat deze dubbel vallen op het onderste deel.
    • Rol van bovenaf het schort op door alleen contact te maken met de binnenzijde van het schort en rol losse koorden mee.
    • Gooi het schort weg in een (vooraf opgehangen) afvalzak.
    • Pas handhygiëne toe.
  • Let op: vaak zal een schort onderdeel zijn van een combinatie van PBM. Zie module 3.4 Combinatie van PBM voor een voorbeeldvolgorde van aan- en uittrekken.
  • Zie voor de eisen waar schorten aan moeten voldoen module 2 van de SRI-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Een disposable (jas)schort of overall wordt idealiter over de werkkleding gedragen bij iedere handeling waarbij een reële kans bestaat op contact met lichaamsvloeistoffen. Hiermee kan het risico op besmetting van de kleding van de zorgverlener worden verkleind. Binnen de (spoedeisende) ambulancezorg is dit veelal niet uitvoerbaar, met name gezien de urgentie van de zorgvraag.

Bij bepaalde besmettingsrisico's is het dragen van een (jas)schort/overall verplicht. Als het (jas)schort of overall gedragen wordt om de medewerker zelf te beschermen, dan is een schort met lange mouwen noodzakelijk, bijvoorbeeld bij een patiënt met A-ziekten, scabiës of het norovirus.

Tijdens zorghandelingen kan ook de werkkleding vervuild raken. Als het niet mogelijk is om de werkkleding gelijk te vervangen (zie module 2.1), kan een disposable (jas)schort/overall worden gebruikt over de werkkleding heen. Zo kan de zorgverlener toch doorwerken tot de werkkleding gewisseld kan worden. Disposable schorten worden direct bij vervuiling vervangen.

Kosten en middelen

Er is een wettelijke plicht vanuit de Arbeidsomstandighedenwet dat de werkgever zorgt voor juiste, passende en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. De kosten zijn voor de werkgever, die ook zorg moet dragen voor instructies over het gebruik en de juiste werkwijze. De werknemer heeft als plicht de PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) op de juiste manier te gebruiken.

Duurzaamheid en hergebruik

Disposable schorten zijn niet geschikt voor hergebruik, omdat zij bij gebruik mogelijk besmet zijn geraakt. Hergebruik geeft een groter risico op de verspreiding van pathogenen. Disposable schorten kunnen na gebruik in een goed afgesloten, plastic afvalzak worden afgevoerd als huishoudelijk afval.

Vanuit het duurzaamheidsoogpunt kan ook gebruik worden gemaakt van herbruikbare wasbare schorten. Deze wasbare schorten kunnen dan door een professionele wasserij worden gewassen. Zie ook module 2.1 voor aanbevelingen rondom het wassen van werkkleding.

3.4 Combinatie van PBM

Aanbevelingen
  • Creëer een schone ruimte voor de medewerker buiten het werkveld waar de zorgverlening plaatsvindt.
  • Een voorbeeld van de volgorde van het aantrekken van PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) in de schone ruimte:
    • Pas handhygiëne toe.
    • Trek het schort aan en sluit de buikkoorden achterop de rug.
    • Zorg dat de rugzijde goed is afgesloten.
    • Zet het mondneusmasker op en eventueel oogbescherming.
    • Doe de handschoenen aan.
  • Zorg dat het aan- en uittrekken van PBM onderdeel uitmaakt van de periodieke scholing.
  • Een voorbeeld van de volgorde van het uitrekken van de PBM:
    • Trek handschoenen uit en gooi deze weg.
    • Pas handhygiëne toe.
    • Maak het schort los en trek het binnenstebuiten uit of trek een halterschort uit over het hoofd en laat deze dubbel vallen op het onderste deel.
    • Rol van bovenaf het schort op door alleen contact met de binnenzijde van het schort te maken en rol losse koorden mee.
    • Gooi het schort weg in een (vooraf opgehangen) afvalzak.
    • Pas direct handhygiëne toe.
    • Zet de oogbescherming af.
    • Doe het mondneusmasker af: raak het masker niet aan bij het uitdoen, verwijder deze door middel van het elastiek of 'touwtjes'.
    • Gooi de PBM weg in een afvalzak, deze mag mee bij het huishoudelijk afval.
    • Reinig en desinfecteer de oogbescherming.
    • Pas handhygiëne toe.

Overwegingen

De aanbevelingen hierboven geven een voorbeeld van een juiste volgorde van het aan- en uittrekken van een combinatie van PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen). Deze volgordes kunnen worden gevolgd om te voorkomen dat een medewerker besmet raakt door het uittrekken van PBM. Er is echter geen standaardvolgorde van het aan- en uittrekken van een combinatie van PBM, omdat dit afhankelijk is van lokaal gebruikte persoonlijke beschermingsmiddelen en voorkeuren. Ook kan de volgorde afhangen van de situatie en de plaats waar de zorgverlening wordt uitgevoerd.

Voor het dragen van een combinatie van PBM moet de ambulancezorgmedewerker alle noodzakelijke materialen bij zich hebben. Bij een verdachte of bewezen infectieziekte in een thuissituatie dient de PBM in de schone ruimte van de woning aangetrokken te worden, indien mogelijk. In het overgrote deel van de gevallen zullen handschoenen, schort en masker voldoen als een combinatie van PBM bedoeld wordt. Een gelaatsbescherming wordt toegevoegd als er reële kans bestaat op spatten.

Bij het aantrekken van een jasschort met lange mouw wordt de voorkeur gegeven om eerst het jasschort aan te trekken en dan de handschoenen. De handschoenen worden dan over de manchetten/elastieken van de lange mouwen getrokken. Op deze manier wordt de huid ter hoogte van de polsen beschermd en kunnen de handschoenen op de juiste wijze worden uitgetrokken/verwisseld.

Start bij het verwijderen altijd met het uittrekken van de handschoenen, gevolgd door handhygiëne en pas, na het verwijderen van alle persoonlijke beschermingsmiddelen, direct aansluitend weer handhygiëne toe. De volgorde en werkwijze van uittrekken is belangrijk om besmetting van handen, kleding en de patiëntomgeving te voorkomen.

Een halterschort wordt bij uittrekken over het hoofd gehaald of gebroken en valt dubbel op het onderste deel. Hierdoor wordt contact met de besmette voorzijde voorkomen.

Zie voor indicaties voor het dragen van PBM de SRI-richtlijn Isolatie.

Referenties

4 Reiniging, desinfectie en opslag van materialen en middelen

Deze module is onderverdeeld in drie submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • reiniging en desinfectie
  • opslag van (steriele) materialen
  • omgang met communicatiemiddelen en overige middelen

4.1 Reinigen en desinfecteren van materialen, hulpmiddelen en oppervlakken

Aanbevelingen

Reinigen, regels en techniek

  • Maak eerst 'droog' schoon (afstoffen, stofzuigen) en daarna 'nat' (vochtig doekje, stomen, dweilen).
  • Maak schoon van 'schoon' naar 'vuil' en van 'hoog' naar 'laag'.
  • Gebruik de middelen volgens de instructies op de verpakking.
  • Meng schoonmaakmiddelen nooit met andere middelen. Mengen geeft risico op giftige gassen, verlaagde kwaliteit en slechter resultaat.
  • Draag handschoenen bij het schoonmaken van voorwerpen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen op (kunnen) zitten.
  • Draag bij het schoonmaken een schort als er mogelijk contact is met lichaamsvloeistoffen.
  • Gooi de handschoenen en het schort na het schoonmaken in een afvalbak.

Reinigen, materialen en middelen

  • Gebruik dagelijks schone materialen.
  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen.
  • Bij de keuze van een reinigingsdoek, weeg het volgende af:
    • financiële haalbaarheid
    • gebruiksvriendelijkheid
    • gebruik van milieubelastende materialen
  • Vervang schoonmaakmaterialen als deze zichtbaar vuil zijn.
  • Gebruik bij elke schoonmaakbeurt nieuw sopwater. Vervang het sop bij zichtbaar vuil. Gooi het sopwater direct weg na het schoonmaken.
  • Gebruik bij het dweilen van verschillende ruimten emmers met verschillende kleuren en gebruik doeken in dezelfde kleur als de emmers. Maak de dweil of mop nat in de emmer met schoon sop en spoel hem uit in de andere.
  • Spuit een oplossing van allesreiniger en water (in een fles of plantenspuit) op wegwerpdoekjes voor het schoonmaken van bijvoorbeeld materialen. Leeg deze flessen dagelijks, spoel om en laat drogen.
  • Was schoonmaakmaterialen zoals moppen en doeken na gebruik op 60 graden. Laat ze daarna bij voorkeur drogen in een wasdroger of aan de lucht in een dedicated gesloten ruimte. Of gebruik wegwerpmaterialen en gooi die direct na gebruik weg in een afvalbak.
  • Maak schoonmaakmaterialen die niet in de wasmachine kunnen en niet weggegooid worden, zoals emmers en trekkers, na gebruik schoon en spoel ze af met water. Maak de materialen daarna handmatig droog, laat ze drogen op een schone ondergrond of hang ze op om te drogen (trekkers).
  • Laat natte schoonmaakmaterialen na gebruik nooit in emmers achter om te voorkomen dat ziekteverwekkers uitgroeien.
  • Zijn er schoonmaakmaterialen die handmatig worden gereinigd gebruikt bij het opruimen van bloed of andere lichaamsvloeistoffen met zichtbare bloedsporen? Dan moeten ze nadat ze zijn schoongemaakt ook worden gedesinfecteerd.
  • Vervang het filter van de stofzuiger zo vaak als de fabrikant voorschrijft.
  • Berg schoonmaakmaterialen en -middelen op in een opslagruimte, vrij van de vloer.
  • Werk volgens een schoonmaakschema. Beschrijf hierin hoe vaak elk onderdeel schoongemaakt moet worden en op welke manier.

Desinfecteren

  • Desinfecteer, na reiniging, een oppervlak of voorwerp als er bloed of een andere lichaamsvloeistof met zichtbare bloedsporen op zit. Dit geldt ook als het bloed er al lang op zit; ook in oud bloed kunnen ziekteverwekkers overleven.
  • Na aanwezigheid/vervoer van een patiënt met een isolatie-indicatie waarbij desinfectie is geïndiceerd, moet medisch en verpleegkundig materiaal na gebruik worden gereinigd en gedesinfecteerd voordat het hergebruikt wordt bij een andere patiënt.
  • Let op: desinfecteer alleen er éérst is schoongemaakt. Desinfecterende middelen werken niet als iets nog vuil en stoffig is.
  • Draag bij het desinfecteren altijd wegwerphandschoenen en pas handhygiëne toe. Draag ook een beschermend schort als uw werkkleding vervuild kan raken met het bloed.
  • Desinfecteer alleen met middelen die zijn toegelaten door het Ctgb Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Board for the Authorisation of Plant Protection Products and Biocides). Meng een desinfecterend middel nooit met andere (schoonmaak)middelen. Bij het mengen kunnen giftige gassen ontstaan.

Overwegingen

Schoonmaken (reinigen)

Er komt veel kijken bij een goede schoonmaak. Als er verkeerd wordt schoongemaakt, kunnen er ziekteverwekkers achterblijven of zelfs verspreid worden. Het is van belang dat ambulancezorgprofessionals een goede instructie ontvangen over de manier van schoonmaken en de middelen die ze hiervoor moeten gebruiken.

Schoonmaakregels en -technieken

De techniek van schoonmaken is van belang om optimaal resultaat te krijgen. Een droge reiniging (afstoffen, stofzuigen of vegen) verwijdert (grof)vuil en stof dat niet is aangehecht aan het oppervlak. Oppervlakken zijn na droogreinigen direct begaanbaar omdat deze droog achterblijven.

Een natte reiniging, bijvoorbeeld door stomen, dweilen of een vochtige doek te gebruiken, verwijdert klein vuil en aangekoekt vuil. Deze reinigingsmethode wordt toegepast bij aanhechting van zichtbaar (vastzittend) vuil en/of natte verontreiniging zoals bij sterke vervuiling of aanwezigheid van modder of lichaamsvloeistoffen. Een droge reinigingsmethode volstaat dan niet.

Door standaard te werken van schoon naar vuil en van hoog naar laag, wordt zoveel mogelijk voorkomen dat schoongemaakte oppervlakken opnieuw vervuild raken, bijvoorbeeld door neerdwarrelend stof of vervuild schoonmaakmateriaal. Ook zijn er plaatsen en plekken die veel worden aangeraakt, zoals handgrepen van de ambulance, monitors en de brancard. Deze dienen tijdens het schoonmaken altijd en grondig schoongemaakt te worden.

Bij het schoonmaken van materialen, middelen of oppervlakken waar lichaamsvloeistoffen, zoals bloed, speeksel of urine op (kunnen) zitten, is het belangrijk dat de (zorg)medewerker handschoenen draagt. Als er een risico is dat kleding in contact komt met lichaamsvloeistoffen, dan wordt geadviseerd ook een schort te dragen tijdens het schoonmaken.

Omgaan met schoonmaakmaterialen en -middelen

Voor een optimaal en betrouwbaar resultaat is het belangrijk dat schoonmaakmiddelen worden gebruikt waarvoor ze gemaakt zijn en dat de instructie op de verpakking wordt gevolgd.

In de keuze voor een reinigingsdoek kan worden meegenomen dat mogelijk de tijd voor reinigen korter is wanneer gebruikgemaakt wordt van kant-en-klare reinigingsdoeken. Doordat ze direct te gebruiken zijn, zorgen kant-en-klare reinigingsdoeken voor een hogere compliance. Er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs om op basis van effectiviteit een specifieke reinigingsdoek aan te bevelen.

De schoonmaakmaterialen dienen voor gebruik schoon te zijn. Er kan gewerkt worden met wasbare materialen indien de fabrikant een wasinstructie heeft. Wegwerpmaterialen worden dagelijks vervangen en tussendoor als zij zichtbaar vervuild zijn. Sopwater wordt ook vervangen bij zichtbare verontreiniging en wordt ruimtegebonden gebruikt. Na de schoonmaak van een ambulancevoertuig dient het sopwater dus vervangen te worden.

Voor het dweilen wordt een systeem van gekleurde emmers en doeken geadviseerd om overzicht en structuur te geven, zodat er telkens met dezelfde materialen in dezelfde ambulance gewerkt wordt. Door schoonmaakmaterialen zoals emmers en trekker na gebruik direct te spoelen en goed droog te maken, wordt voorkomen dat micro-organismen in achtergebleven water kunnen uitgroeien in de materialen. Schoonmaakmaterialen worden in een aparte afsluitbare kast of ruimte opgeslagen.

Schoonmaakschema's

Door te werken met een schoonmaakschema wordt voorkomen dat onderdelen of ruimtes worden overgeslagen. Een volledig schoonmaakschema beschrijft iedere ruimte en/of voorwerp en hoe vaak en wanneer deze moet worden schoongemaakt en op welke manier. Ook is het belangrijk om in een logboek de schoonmaakschema's af te vinken, vooral als er verschillende personen de schoonmaak uitvoeren. In de download Voorbeelden van schoonmaakschema's staan basis schoonmaakschema's beschreven. Afwijken van deze schema's is mogelijk, bijvoorbeeld wanneer een ruimte of voorwerp meer of minder dan gebruikelijk wordt gebruikt.

Desinfecteren

In sommige gevallen is het schoonmaken van voorwerpen en oppervlakken onvoldoende en moet er na het schoonmaken ook worden gedesinfecteerd.

Indicaties

Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed, in contact is geweest met slijmvliezen en bij sommige infectieziekten, zie de pagina LCI-richtlijnen.

Desinfectie is nodig wanneer een oppervlak of voorwerp vervuild is met bloed of andere lichaamsvloeistoffen, als het in contact is geweest met slijmvliezen en bij sommige infectieziekten. Het kan ook worden geadviseerd door de regionale GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst), arts of deskundige infectiepreventie omdat er bij een ongewoon aantal personen een (vermoeden van) een infectieziekte is of een uitbraak en er tijdelijk extra maatregelen gelden voor reiniging en desinfectie.

Technieken en toegestane middelen

Volg de gebruikersinstructie op de verpakking.

Alleen desinfectiemiddelen die zijn toegelaten kunnen worden gebruikt. Werk alleen met desinfectiemiddelen die zijn toegelaten door Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgb beoordeelt of een desinfecterend middel goed werkt en veilig is. Ook stelt het Ctgb vast waarvoor het gebruikt mag worden. Een van de volgende twee opties is van toepassing:

  • voor materialen en hulpmiddelen: het desinfectans heeft een CE Conformité Européenne (Conformité Européenne)-markering. De CE-markering geeft aan dat het product volgens de fabrikant aan de essentiële vereisten voldoet zoals vereist in één van de Europese richtlijnen en de daaruit voortvloeiende Nederlandse Wet op de medische hulpmiddelen.
  • voor oppervlakken: verkoop en gebruik van het desinfectans in Nederland is door een Europese toelatingsautoriteit Ctgb/ECHA toegestaan. Deze middelen kunnen worden teruggevonden in de Ctgb-databank of bij de ECHA-databank.

Volg instructies van het product dat u gebruikt voor inwerktijd en werkingsspectrum. Het werkingsspectrum geeft aan tegen welke micro-organismen het product werkt. Het product moet geschikt zijn voor de gezondheidszorg en moet een virusclaim hebben. Betrek hierbij altijd de GGD of een deskundige infectiepreventie.

Middelen die door het Ctgb zijn toegestaan, zijn te herkennen aan een code op de verpakking. Dit kunnen de volgende codes zijn:

  • een N-code (4 tot 5 cijfers gevolgd door '-N', bijvoorbeeld: 12345 N);
  • een NL-code (NL- gevolgd door 7 of 11 cijfers);
  • een EU Europese Unie (Europese Unie)- of SA-code (EU-/SA- gevolgd door 7 cijfers).

Daarnaast moet de fabrikant op de verpakking melden waarvoor het middel gebruikt mag worden.

Middelen die zijn toegelaten, staan ook op de website van het Ctgb. Op de website van het Ctgb is voor elk toegelaten middel het 'Actueel gebruiksvoorschrift' opgenomen. In dit gebruiksvoorschrift staat waarvoor het middel gebruikt mag worden en tegen welke micro-organismen het effectief is. Ook staat er hoe u het middel moet gebruiken.

Overwegingen vanuit arboperspectief

Desinfectiemiddelen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid van de medewerker. Gebruik de juiste beschermingsmiddelen en desinfecteer alleen als er een indicatie voor is. Desinfectie vereist deskundigheid waarvoor medewerkers scholing en training moeten ontvangen. Als de genoemde onderdelen ontbreken, kan dat leiden tot (gezondheids)risico's voor de medewerker en resistentieontwikkeling van micro-organismen.

Duurzaamheid en hergebruik

Desinfectiemiddelen kunnen schadelijk zijn voor materialen en de omgeving en kunnen daarnaast antibioticaresistentie veroorzaken. De Gezondheidsraad heeft een advies (2016) uitgebracht waarbij terughoudendheid van het gebruik van desinfectantia werd geadviseerd. Probeer het gebruik van desinfectiemiddelen in de ambulance daarom te beperken en alleen te desinfecteren als het echt nodig is.

Het gebruik van reinigingsmiddelen is vaak milieubelastend. Het is dus belangrijk een afweging te maken tussen de noodzaak voor het gebruik van disposable en herbruikbare materialen en het gebruik van milieubelastende middelen.

Referenties

4.2 Opslag van (steriele) materialen

Aanbevelingen
  • Gebruik zoveel mogelijk wegwerpmaterialen zodat het steriliseren van instrumenten en materialen niet nodig is.
  • Is steriliseren van materialen nodig? Besteed het dan uit aan een externe organisatie, zoals een ziekenhuis. Gebruik deze gesteriliseerde instrumenten niet langer dan de aangegeven uiterste gebruiksdatum.
  • Controleer elke maand de houdbaarheidsdatum van steriele materialen.
  • Sla de voorraad steriele materialen apart van niet-steriele materialen op in een stofvrije ruimte.
  • Berg steriel verpakte instrumenten voorzichtig op:
    • Prop verpakte materialen niet in kastjes en lades.
    • Bewaar ze niet op de vloer.
    • Bewaar ze niet op plaatsen waar ze nat kunnen worden.
    • Hanteer het fifo-principe (first in, first out).
    • Maak geen bundels van de steriele verpakkingen en gebruik geen nietjes, paperclips of elastiekjes.
    • Schrijf of stempel niet op de verpakking.
    • Transporteer de verpakkingen in een goed afsluitbare, schone kunststof box.
  • Gebruik de instrumenten niet als de verpakking:
    • beschadigd of gescheurd is;
    • (deels) geopend is;
    • vochtig is of vochtkringen vertoont of vuil is geworden.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Steriele materialen, zoals spuiten, naalden, gaasjes en pincetten, moeten op de juiste manier worden opgeslagen om besmetting met micro-organismen te voorkomen. Steriel verpakte instrumenten blijven alleen steriel als de verpakking droog en onbeschadigd is. Door ze op te slaan in afsluitbare kasten met voldoende ruimte wordt aan deze eisen voldaan. Opslag in een ruimte waar het nat of vochtig is of opslag op de vloer wordt afgeraden. Ook bundelen met elastieken of schrijven/stempelen op de verpakking geeft een risico op het beschadigen of scheuren van de verpakking. De overwegingen met bijbehorende aanbevelingen gelden zowel voor de standplaats van de ambulance als voor de ambulancevoertuigen.

Periodieke maandelijkse controle van de houdbaarheidsdata van de (steriele) materialen voorkomt het werken met materialen die mogelijk niet meer steriel zijn. Kapotte, beschadigde of vochtige verpakkingen kunnen niet meer gebruikt worden.

Medicatie

Medicijnen kunnen hun werking verliezen als ze te lang of bij een verkeerde temperatuur worden bewaard. Ook kunnen medicijnen sneller over de datum raken als ze op een andere temperatuur worden bewaard dan in de ideale situatie mogelijk is. Het onderwerp medicatie valt buiten deze richtlijn, zie hiervoor SRI-richtlijn Voor toediening gereedmaken buiten de apotheek en toediening medicatie.

Referenties

4.3 Reiniging en desinfectie van (communicatie)middelen

Aanbevelingen

  • Gebruik zoveel mogelijk een touchscreen in plaats van een keyboard (telefoon, tablet, laptop).
  • Gebruik communicatiemiddelen alleen met schone handen en niet (of zo min mogelijk) tijdens patiëntgebonden werkzaamheden. Indien het noodzakelijk is om tijdens patiëntgebonden werkzaamheden een mobiel communicatiemiddel te gebruiken, pas dan voor en na het gebruik van het communicatiemiddel handhygiëne toe.
  • Reinig communicatiemiddelen:
    • aan het begin en einde van de dienst;
    • voor terugplaatsing of opslaan van het communicatiemiddel;
    • na contact met lichaamsvloeistoffen;
    • na contact met handschoenen tijdens zorgmomenten;
    • als het communicatiemiddel in aanraking is geweest met de patiënt of diens omgeving.
  • Desinfecteer communicatiemiddelen als ze in aanraking zijn geweest met een lichaamsvloeistof, of op indicatie van de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) of deskundige infectiepreventie.
  • Gebruik alleen reinigings- of desinfectiemiddelen die geschikt zijn voor het reinigen en desinfecteren van communicatiemiddelen. Zorg dat deze werkafspraken bekend zijn bij de gebruikers van de communicatiemiddelen.
  • Berg tijdens zorg op de locatie de communicatiemiddelen in het ambulancevoertuig en in de administratieruimte zoveel mogelijk op een schone, eventueel afsluitbare plek op.
  • Zorg ervoor dat geschikte reinigings- en desinfectiematerialen aanwezig zijn. Deze worden door de werkgever beschikbaar gesteld.

Overwegingen

Uit het literatuuronderzoek bleek dat telefoons die artsen bij zich hadden besmet waren met pathogenen. De handelingen die in de ambulancezorg worden verricht, zijn zo dynamisch dat het lastig is om elk voorwerp continu vrij te houden van pathogenen. Om die reden wordt dan ook geadviseerd om alleen middelen en materialen mee te nemen die goed en makkelijk te reinigen zijn. Denk aan een tablet met minder richeltjes en oppervlakken (flatscreen) waar bacteriën zich kunnen vestigen. Dit heeft dan ook de voorkeur ten opzichte van een keypad. Ook is een glad oppervlak gemakkelijker te reinigen en indien nodig, te desinfecteren (Pal et al 2013).

Gebruik een beschermende hoes als het apparaat niet tegen reiniging kan. Deze hoes moet wel goed te reinigen zijn.

Referenties

  • Brady, R.W., Chitnis, S., Graham, C., Yalamarthi, S. & Morris, K. (2012). NHS Connecting for Health: Healthcare Professionals, Mobile Technology, and Infection Control. Published Online: 7 May 2012 https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/22428552/.
  • Pal, P., Roy, A., Moore, G., Muzslay, M., Lee, E., Alder, S., Wilson, P., … & Kelly, J. (2013). Keypad mobile phones are associated with a significant increased risk of microbial contamination compared to touch screen phones. Journal of Infection Prevention 14-2 https://doi.org/10.1177/1757177413475903.

5 Preventie van accidenteel bloedcontact

Aanbevelingen

Bijt-, krab- en prikaccidenten

  • Ontwikkel een regionaal protocol voor bijt-, krab- en prikaccidenten door implementatie van de landelijke LCI-richtlijn Prikaccidenten. Stel uw medewerkers hiervan op de hoogte. Het is van belang werknemers goed voor te lichten over de risico's en vooral hoe deze zoveel mogelijk te voorkomen.
  • Beschrijf hierin in ieder geval de volgende stappen:
    • Laat het wondje goed doorbloeden.
    • Spoel het wondje (of de slijmvliezen) met water of fysiologisch zout.
    • Ontsmet het wondje (slijmvliezen niet) met een wonddesinfecterend middel, voorzien van een RVG Register Verpakte Geneesmiddelen (Register Verpakte Geneesmiddelen)-nummer.
    • Dek een wondje af.
    • Meld het accident direct.
    • Neem in het protocol de contactgegevens op van de personen/instantie(s) aan wie het accident gemeld moet worden en waar 24/7 specifieke expertise en deskundige hulp beschikbaar is om het accident te laten beoordelen en zo nodig behandeling in gang te zetten. Maak zo nodig onderscheid tussen meldingen binnen en buiten kantooruren. Ook moet aandacht zijn voor nazorg.
  • Bij melding wordt een risico-inschatting gemaakt en worden eventuele vervolgstappen bepaald. Noteer hiervoor de volgende gegevens:
    • de personen die bij het accident zijn betrokken;
    • het type verwonding (bijv. prik- of bijtwond, is er sprake van een bloeding);
    • het materiaal waarmee/de wijze waarop iemand verwond is (het type naald in het geval van een prikaccident, diepte van een bijtwond).
  • Registreer en analyseer periodiek de incidenten/risicovolle situaties.

Veilig werken met medische hulpmiddelen

  • Voorkom prikaccidenten door het beschikbaar stellen van veilige naalden, veiligenaaldsystemen, bloedafnamesystemen en door een goede instructie te geven over juist gebruik (en toezicht daarop).
  • Het werken met veilige naalden is een wettelijke verplichting. Gebruik veiligenaaldsystemen met een ingebouwde beveiliging.
  • Zet hoesjes nooit terug over de naald. Dit is wettelijk verboden.
  • Buig, breek of manipuleer naalden nooit tijdens gebruik, tenzij de instructie van de fabrikant dit toestaat.

Omgang met en afvoer van scherpe voorwerpen

  • Zorg dat de naaldcontainer tijdens het prikken binnen handbereik staat.
  • Gooi naalden en andere scherpe wegwerpinstrumenten die de huid of slijmvliezen doorboren direct na gebruik in een naaldcontainer met het UN United Nations (United Nations)-keurmerk en een biohazard-teken. Gooi het scherpe afval nooit in een gewone afvalemmer.
  • Vervang naaldcontainers wanneer ze tot de maximale vullijn (2/3) vol zitten. Sluit het deksel, bewaar de containers altijd in een gesloten ruimte en lever de volle naaldcontainer in volgens het protocol van uw instelling. Zet direct een nieuwe naaldcontainer neer.

Vaccinatie hepatitis B

  • Maak een beleid voor het aanbieden van een hepatitis B-vaccinatie aan medewerkers die risico lopen op hepatitis B.

Overwegingen

Prik-, spat-, snij- en bijtaccidenten

Door een protocol voor prik-, spat-, snij- en bijtaccidenten, dat bekend is bij de medewerkers, is goede informatie over hoe te handelen beschikbaar en verkleint u de kans dat medewerkers (of patiënten) bij zo'n accident een infectieziekte oplopen.

Risicovolle handelingen

Handelingen waarbij er gewerkt wordt met scherpe voorwerpen, zoals naalden, messen of botuitsteeksels, geven een risico op accidenteel bloedcontact tussen een ambulancezorgprofessional en een patiënt. Ook in zorgsituaties waarbij er sprake is van krabben of bijten kan er overdracht plaatsvinden van bloed tussen een patiënt en een ambulancezorgprofessional. Als er een accident plaatsvindt, moet er een protocol gevolgd worden gebaseerd op de landelijke LCI-richtlijn Prikaccidenten. Het is belangrijk dat medewerkers weten dat er een protocol is en waar ze het kunnen vinden. Zo weten ze wat ze moeten doen en hoe ze een melding kunnen maken in geval van een accident.

Veilig werken met medische hulpmiddelen

Bij risicovolle handelingen kunnen medewerkers zichzelf beschermen door het dragen van PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen). Zie ook module 3 van deze handreiking.

Naalden

In de wet (Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 4, artikel 4.97) staat dat het verplicht is om te werken met naalden met een veiligheidsmechanisme. Ook staat er dat er een verbod is op het terugsteken van hoezen op gebruikte naalden (recappen). Naalden en andere scherpe medische disposable hulpmiddelen die de huid of slijmvliezen doorboren, dienen na gebruik direct in een naaldcontainer gegooid te worden. Buig, breek of manipuleer naalden nooit tijdens gebruik. Een uitzondering mag alleen worden gemaakt als de fabrikant aangeeft dat deze handelingen bij dit product veilig kunnen worden toegepast.

Toedieningspennen en bloedsystemen

Toedieningspennen worden gebruikt om medicatie toe te dienen, bijvoorbeeld insuline. Deze kunnen door de patiënt zelf bediend worden, maar ook door een zorgmedewerker. Toedieningspennen dienen altijd patiëntgebonden gebruikt te worden, en indien de zorgmedewerker deze bedient, voorzien te zijn van een veiligheidssysteem voor de naald.

Omgang met en afvoer van scherpe voorwerpen

Het risico op prikaccidenten wordt ook verlaagd door gebruikte naalden en andere scherpe voorwerpen die de huid of slijmvlies doorboren op de juiste wijze af te voeren in een naaldcontainer en nooit in een gewone afvalemmer. Een naaldcontainer moet voorzien zijn van een UN United Nations (United Nations)-keurmerk. Naaldcontainers zijn vol als ze tot de maximale vullijn (2/3) gevuld zijn. Dan dienen ze gesloten te worden en volgens een vast protocol afgevoerd te worden.

Vaccinatie hepatitis B

Bij bijt-, krab- en prikaccidenten is er een risico op bloedoverdraagbare aandoeningen. Voor besmetting met het hepatitis B-virus kan een medewerker zich beschermen door vaccinatie. Vanuit de wet is een werkgever verplicht om een HBV hepatitis B virus (hepatitis B virus)-vaccinatie aan te bieden aan alle zorgmedewerkers die een risico lopen op een HBV-besmetting.

Referenties

6 Zorg aan (mogelijk) besmette patiënten

Deze module is onderverdeeld in drie submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus)
  • BRMO bijzonder resistente micro-organismen (bijzonder resistente micro-organismen)
  • overige isolatievormen

Alleen MRSA en BRMO worden uitgewerkt in deze handreiking, omdat deze groep van resistente bacteriën regelmatig voorkomen in de ambulancezorg. Voor andere infectieziekten, zoals scabiës, wordt verwezen naar de betreffende specifieke SRI-richtlijn, de SRI-richtlijn Isolatie en LCI-richtlijnen. Dit geldt ook voor de handreiking Samenwerking bij slachtofferzorg bij incidenten met gevaarlijke stoffen van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid.

6.1 Isolatiezorg bij MRSA

Aanbevelingen

  • Neem zo min mogelijk materiaal mee naar de besmette omgeving en/of waar zorg wordt verleend.
  • Laat medewerkers met psoriasis of eczeem geen patiënten met MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus) verzorgen. Mensen met deze huidafwijkingen raken sneller gekoloniseerd door de bacterie en zijn moeilijker te behandelen.
  • Indien een patiënt wordt overgeplaatst naar een zorginstelling of wordt gepresenteerd bij een andere zorgverlener, informeer deze dan over de MRSA-status van de patiënt.
  • Zorg dat er een MRSA-protocol aanwezig en geïmplementeerd is.
  • Draag handschoenen, een overall met lange mouwen en een chirurgisch mondneusmasker tijdens de verzorging/behandeling van de MRSA-patiënt. Hieronder valt ook het tillen en rechtop zetten van de patiënt en het opschudden van kussens.
  • Trek bovengenoemde persoonlijke beschermingsmiddelen aan voordat u start met behandeling en/of het vervoer van de MRSA-patiënt.
  • Reinig en desinfecteer de ambulance indien er tijdens het ambulancetransport bij de MRSA-patiënt invasieve handelingen zijn uitgevoerd.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Als er bij een patiënt MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus) is geconstateerd, moeten er passende maatregelen genomen worden, zoals het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen.

De passende maatregelen hangen mede af van de complexiteit van handelingen en bijbehorende risico's op besmettingen. Alleen ambulancetransport van een MRSA-positieve patiënt zonder dat daarbij invasieve medische en/of verpleegtechnische handelingen zijn verricht, kan vergeleken worden met een bezoek aan de polikliniek zonder invasieve behandeling. In dat geval zijn buiten de algemene voorzorgsmaatregelen geen extra maatregelen nodig. Als er rondom of tijdens het ambulancetransport bij de patiënt invasieve handelingen zijn uitgevoerd, moet de ambulance worden gereinigd en gedesinfecteerd. Het is van belang om een inhoudsdeskundige te raadplegen, zoals een deskundige infectiepreventie of de regionale GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst), indien achteraf blijkt dat er sprake was van MRSA-dragerschap of infectie. Deels kan dit worden voorkomen door regionale afspraken hierover te maken en protocollair vast te leggen.

Ambulancezorgprofessionals met huidaandoeningen, zoals eczeem en psoriasis, lopen een verhoogd risico op MRSA en zijn ook moeilijker te behandelen hiervoor. Het advies is om deze medewerkers geen MRSA-patiënten te vervoeren en te laten behandelen.

Indien een patiënt wordt overgeplaatst naar een zorginstelling of andere medische instelling, is het belangrijk dat de instelling of behandelaar wordt geïnformeerd over de MRSA-status van de patiënt.

Kosten en middelen

De werkgever heeft vanuit de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijke plicht om de medewerker te voorzien in juiste, passende en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. Kosten zijn voor de werkgever. De werkgever moet ook toezien op instructies over gebruik en juiste toepassingswijze. De werknemer heeft als plicht de PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) op de juiste manier te gebruiken.

Overwegingen vanuit arboperspectief

Een medewerker met huidafwijkingen (zoals eczeem en psoriasis) werkt niet met deze patiëntengroep, omdat de kans op overdracht van MRSA bij huidafwijkingen groot is.

Referenties

6.2 Isolatiezorg bij BRMO

Aanbevelingen

  • Neem zo min mogelijk materiaal mee naar de besmette omgeving en/of waar zorg wordt verleend.
  • Middelen die niet gebruikt hoeven te worden bij de zorgverlening blijven in de ambulance.
  • Gebruik geen communicatiemiddelen in het besmette gebied.
  • Draag de juiste PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) bij het betreden van het besmette gebied. Zie de tabel Persoonlijke beschermingsmiddelen per BRMO bijzonder resistente micro-organismen (bijzonder resistente micro-organismen).
  • Indien een BRMO-patiënt wordt overgeplaatst naar een zorginstelling of zorgverlener, informeer deze dan over de BRMO-status van de patiënt.
  • In geval van betreding van een woning of patiëntenkamer:
    • Trek de PBM aan in het schone gbied van de woning (of de huisartsenpraktijk).
    • Doe in de zorginstelling de gedragen PBM uit, direct na het verlaten van de ruimte (bij de deur) waar de patiënt zich bevindt.
    • Deponeer de PBM direct in een afvalzak en pas handhygiëne toe.
    • Afval kan als huishoudelijk afval worden afgevoerd.

Persoonlijke beschermingsmiddelen per BRMO bijzonder resistente micro-organismen (bijzonder resistente micro-organismen)

De onderstaande tabel beschrijft de benodigde PBM persoonlijke beschermingsmiddelen (persoonlijke beschermingsmiddelen) per micro-organisme.

micro-organismepersoonlijke beschermingsmiddelen
schortmondneusmaskerhandschoenen
MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus) (S. aureus complex)lange mouw/overalljaja
Vancomycine-resistente Enterokoklange mouw/overallneeja
Pseudomonas aeruginosahalterschortneeja
A. calcoaceticus-baumannii complexlange mouw/overallneeja
Enterobacteraleshalterschortneeja
Enterobacterales (Carbapenem resistent)lange mouw/overallneeja
Candida aurislange mouw/overallneeja

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

De algemene voorzorgsmaatregelen zijn de maatregelen die gelden bij ieder patiëntencontact, ongeacht de infectie- en/of BRMO-status. Dit omvat onder andere de vijf momenten van handhygiëne, persoonlijke hygiëne van medewerkers en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) bij handelingen waarbij (mogelijk) contact optreedt met lichaamsvloeistoffen, slijmvliezen en/of niet-intacte huid. Het toepassen van deze maatregelen verkleint het risico op overdracht van micro-organismen naar de medewerker of via de medewerker naar de patiënt. Naast de algemene standaardmaatregelen dient extra aandacht te zijn voor de juiste reiniging en desinfectie van materialen/hulpmiddelen.

Indien een patiënt wordt overgeplaatst naar een zorginstelling is het belangrijk dat de instelling of behandelaar wordt geïnformeerd over de BRMO-status van de patiënt.

Kosten en middelen

De werkgever heeft vanuit de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijke plicht om de medewerker te voorzien in juiste, passende en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen. Kosten zijn voor de werkgever. De werkgever moet ook toezien op instructies over gebruik en juiste toepassingswijze. De werknemer heeft als plicht de PBM op de juiste manier te gebruiken.

Referenties

6.3 Overige isolatievormen

Of een patiënt een ziekteverwekker bij zich draagt, is meestal niet bekend. Om het risico op besmetting zo klein mogelijk te maken, gelden daarom bij het vervoer van alle patiënten de algemene hygiënemaatregelen. Wanneer het wél bekend is dat een patiënt een besmettelijke infectieziekte heeft of hiervan verdacht wordt, of als er een sterk vermoeden bestaat dat een patiënt besmet is met een multiresistent micro-organisme, moet de patiënt in isolatie vervoerd worden. Indien nodig, raadpleeg de GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst), deskundige infectiepreventie of medisch stafbureau van de betreffende regio. De ambulancezorg gebruikt hierbij het LPA (Landelijk Protocol Ambulancezorg).

In deze handreiking worden contactisolatie, druppelisolatie en aerogene isolatie alleen beschreven in de aanbevelingen. De term strikte isolatie komt te vervallen. Meer uitgebreide beschrijvingen van de maatregelen vindt u in de SRI-richtlijn Isolatie. In deze SRI-richtlijn zit een bijlage waarin de infectieziekten staan waarbij isolatie moet worden toegepast.

Bij het vervoer van ebola- of marburgpatiënten worden specifieke kennis en vaardigheden geëist van de ambulancemedewerker. Zie hiervoor de bijlage Vervoer van (verdachte) ebola-/marburgpatiënten bij de LCI-richtlijn Virale hemorragische koorts – filovirussen.

Als er sprake is van (verdenking van) een A-ziekte (zie de RIVM-pagina Meldingsplicht infectieziekten) dient direct contact opgenomen te worden met de eigen GGD en dienen specifieke protocollen gevolgd te worden die gelden voor de betreffende A-ziekte.

Aanbevelingen

Bij alle isolatievormen

  • Draag handschoenen bij contact met lichaamsvloeistoffen, zowel op de patiënt als in de patiëntomgeving.
  • Neem contact op met de ontvangende instelling over opvang en route.

Contactisolatie

  • Pas algemene hygiënemaatregelen toe.

Aerogene isolatie

  • Pas algemene hygiënemaatregelen toe.
  • Draag een FFP2-masker, zet hem op voor het betreden van de patiëntenruimte.
  • Draag bij het uitvoeren van aerosolvormende handelingen een beschermende bril.

Druppelisolatie

  • Pas algemene hygiënemaatregelen toe.
  • Draag een chirurgisch mondneusmasker type IIR.
  • Draag bij het uitvoeren van aerosolvormende handelingen een beschermende bril.

Aerogene isolatie in combinatie met contactisolatie

  • Pas algemene hygiënemaatregelen toe.
  • Draag een overall of schort met lange mouwen en draag een FFP2-masker. Zet die op voor het betreden van de patiëntenruimte.
  • Draag bij het uitvoeren van aerosolvormende handelingen een beschermende bril.
  • Trek persoonlijke beschermingsmiddelen uit na het verlaten van de patiëntenruimte.

Referenties

7 Omgang wasgoed, afval en hulphonden

Deze module is onderverdeeld in drie submodules waarin de volgende onderwerpen worden behandeld:

  • wasgoed
  • afval
  • hulphonden

7.1 Wasgoed

Aanbevelingen

  • Besteed het vuil wasgoed uit aan een professionele wasserij die voldoet aan de Nederlandse en/of Europese normeringen.
  • Houd schone was in een aparte ruimte of in een afgesloten kast gescheiden van vuile was en bescherm schone was tegen vocht, vuil en plaagdieren.
  • Gebruik de opslagruimte van schoon wasgoed niet als omkleedruimte.
  • Plaats schoeisel niet op dezelfde plank naast schone werkkleding.
  • Draag handschoenen bij het sorteren van de vuile was en verzamel en verplaats vuile was in een wasmand of zak. Gebruik alleen schone, vochtwerende en afsluitbare waszakken die gemaakt zijn van een stevig (wegwerp)materiaal. Zet ze niet op de grond.

Overwegingen

Normeringen voor een externe wasserij

Het is van belang dat er duidelijke, vastgelegde afspraken zijn voor het afleveren en aanleveren van wasgoed. Ook zal een extern bedrijf moeten voldoen aan kwaliteitseisen die gaan over het analyseren en beheersen van risico van het wasproces, opslag en vervoer van linnen-/wasgoed. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Nederlandse en/of Europese normeringen NEN Nederlandse norm (Nederlandse norm)-EN 14065 en NEN-EN-ISO 9001 en 9001/C1.

Infectiepreventiemaatregelen

Het is van belang dat schone en vuile was van elkaar gescheiden is. Schoon wasgoed moet worden opgeslagen in een afgesloten ruimte, zodat er geen vocht, vuil of plaagdieren bij kunnen komen.

Bij het afvoeren, sorteren, verzamelen en afvoeren van vuil wasgoed bestaat er een risico op contact met besmettelijke lichaamsvloeistoffen. Het dragen van handschoenen voorkomt overdracht van besmettelijke bacteriën en virussen via de handen.

Ook is het van belang dat er geen vocht uit waszakken en transportsystemen kan lekken. Dit kan voorkomen worden door waszakken te gebruiken die gemaakt zijn van stevig lekvrij materiaal en door geen waszakken met vuil wasgoed op de grond op te slaan.

7.2 Afval

Aanbevelingen

  • Leeg afvalemmers minstens één keer per dag.
  • Gebruik een afvalzak in de afvalemmer.
  • Sluit de zakken goed en bewaar ze in afgesloten afvalcontainers.
  • Stal deze containers niet in een ruimte waar ook schone materialen staan opgeslagen.
  • Gebruik in openbare ruimtes afvalemmers met voetbediening en plastic vuilniszakken.
  • Houd de opslagplaats schoon, zodat er geen ratten of andere plaagdieren op afkomen. Plaats geen afval naast afvalcontainers. Zorg dat het afval wordt opgehaald voordat een container vol is.

Overwegingen

Infectiepreventiemaatregelen

Afval kan een bron van ziektekiemen zijn. Bovendien trekt een afvalbewaarplek mogelijk plaagdieren aan. Daarom moet de opslag en afvoer van afval aan bepaalde eisen voldoen. Ook is er afval dat specifiek afgevoerd moet worden, zoals medicatieafval en scherp afval, waaronder gebruikte naalden. Dat staat beschreven in module 5 Preventie van accidenteel bloedcontact.

Afvoer

Om blootstelling aan ziekmakende bacteriën of virussen te voorkomen, is het belangrijk dat afval vaak en veilig wordt afgevoerd. Prullenbakken en afvalemmers moeten dus dagelijks geleegd worden. Werk ook met afvalzakken in prullenbakken die dichtgeknoopt kunnen worden. Zorg ervoor dat volle afvalzakken worden afgevoerd in containers die afgesloten kunnen worden met een klep of deksel. Plaats afvalcontainers in een aparte ruimte. Op deze manier worden patiënten en medewerkers niet/minder blootgesteld aan afvalrisico's.

Afval met lichaamsvloeistoffen

Bij het afvoeren van materialen die verontreinigd zijn met (veel) lichaamsvloeistoffen is het belangrijk dat ambulancezorgmedewerkers handschoenen en een schort dragen. Zo komen ze niet in direct contact met de lichaamsvloeistoffen.

Wetgeving

Iedere organisatie/instelling dient een afvalbeheersplan te hebben waarin beschreven wordt hoe de adviezen en eisen uit het Landelijke Afval beheersplan (LAP3) opgevolgd worden. Zorginstellingen vallen vanuit het LAP3 onder het sectorplan 19 Afval van gezondheidszorg bij mens of dier. In sectorplan 19 staan groepen afvalstoffen beschreven en staan er eisen genoemd aan hoe die afvalstoffen afgevoerd dienen te worden. Een deel van het afval van een zorginstelling valt in de categorie specifiek ziekenhuisafval (SZA), omdat het mogelijk besmettelijk kan zijn. De afvoer van deze groep moet voldoen aan specifieke eisen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de afvoer van naaldcontainers en materialen die zijn besmet met bloed. De afvoer vindt dan plaats in speciale afsluitbare containers. In de praktijk is vaak onduidelijk wat wel en wat niet tot SZA behoort. De bijlage van het sectorplan19 is een hulpmiddel voor het bepalen welke afvalproducten wel en niet tot SZA horen.

7.3 Hulphonden

Aanbevelingen

  • Sta assistentie-/hulphonden toe tijdens vervoer met ambulance zonder dat hierdoor de behandeling en verzorging van de patiënt wordt belemmerd.
  • Streef ernaar dat de ambulancezorgverlener de assistentie-/hulphond niet hoeft te verzorgen of aan te raken. Indien dit wel noodzakelijk is, pas altijd daarna handhygiëne toe alvorens verder te handelen bij de patiënt.

Overwegingen

In de internationale CDC-richtlijn over dieren wordt aangegeven dat er geen bewijs is dat dieren een groter risico vormen op het overdragen van infecties dan mensen. Dus, als zorgpersoneel en patiënten zorggebieden mogen betreden zonder extra voorzorgsmaatregelen te nemen om de overdracht van infectieuze agentia te voorkomen, moet een schoon, gezond en goed opgevoed assistentiedier ook toegang krijgen met zijn begeleider. Nederlands onderzoek bij assistentiehonden en de persoon die ze begeleiden laat zien dat de poten van honden schoner zijn dan de voetzolen van mensen (Vos 2021). Een uitsluiting van assistentiehonden op basis van infectiepreventie zou niet gerechtvaardigd zijn, zo staat in de CDC-richtlijn vermeld. Assistentiehonden zijn opgeleid om in verschillende situaties te werken. Van assistentiehonden wordt verder verwacht dat ze bij de persoon die ze helpen blijven. Ze zijn aangelijnd en de kans dat ze een aseptische werkwijze verhinderen, is daarmee uiterst klein.

Referenties

Begrippenlijst

AmbulancezorgprofessionalsVerzorgenden, (ambulance)verpleegkundigen, (ambulance)chauffeurs, stagiaires bij de rijdienst, medisch hulpverleners acute zorg, verpleegkundig specialisten en physician assistants.
CBGHet College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Beoordeelt en bewaakt de werkzaamheid, risico's en kwaliteit van geneesmiddelen voor de mens. Middelen zijn te herkennen aan een RVG Register Verpakte Geneesmiddelen (Register Verpakte Geneesmiddelen)-nummer.
CE-markeringCE Conformité Européenne (Conformité Européenne) staat voor conformiteit met de Europese richtlijnen. Handschoenen, maar ook desinfectiemiddelen voor (een specifieke groep) medische hulpmiddelen zijn voorzien van een CE-markering.
CtgbHet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Beoordeelt op basis van Europese wet- en regelgeving of desinfecterende middelen toegelaten worden op de Nederlandse markt.
DesinfecterenHet zoveel mogelijk doden van ziekteverwekkers met een speciaal daarvoor bestemd desinfecterend middel. Het is gericht op het minimaliseren van het risico van overdracht van micro-organismen.
FFP2-maskersPersoonsgebonden ademhalingsbeschermingsmasker dat de gebruiker beschermt tegen het inademen van ziekteverwekkers die in kleine vaste deeltjes of druppels (aerosolen) in de lucht zitten. Deze maskers mogen maximaal acht uur achtereen gebruikt worden.
FifoFirst in, first out. Dit betekent dat materialen die het eerst geleverd zijn, het eerst gebruikt worden. Hiervoor moet de nieuwe voorraad achteraan geplaatst worden en de oude voorraad naar voren geschoven.
Handdesinfecterend middelEen vloeistof waarmee ziekteverwekkers op de handen kunnen worden gedood. Als de handen niet zichtbaar vuil of plakkerig zijn, kan een handdesinfecterend middel worden gebruikt in plaats van water en zeep.
LichaamsvloeistoffenVloeistoffen afkomstig uit het menselijk of dierlijk lichaam zoals bloed, speeksel, sperma, braaksel, urine en ontlasting. In lichaamsvloeistoffen kunnen ziekteverwekkers zitten.
MHAZMedisch hulpverlener acute zorg.
Micro-organismenBacteriën, virussen, schimmels, gisten en protozoën zijn micro-organismen. Micro-organismen zijn onzichtbaar voor het blote oog en komen overal voor: op de huid, op meubels en gebruiksvoorwerpen, in de lucht, in water, op en in voedsel. De meeste zijn onschuldig of zelfs nuttig voor de mens, maar sommige micro-organismen kunnen ziekten veroorzaken.
MicrovezeldoekjesDoekjes die bestaan uit een weefsel van microscopisch kleine vezels. Samen vormen de vezels een veel groter oppervlak dan de vezels in bijvoorbeeld een katoenen doek. Hierdoor kunnen microvezeldoekjes meer vuil absorberen. De vezels bestaan uit materiaal dat vetten goed vasthoudt.
NaaldcontainerEen container speciaal ontworpen voor scherp of besmettelijk afval zoals naalden en scheermesjes. Bij goed gebruik bieden naaldcontainers bescherming tegen prikken en snijden aan scherp afval.
PAPhysician assistant.
Schoonmaken/reinigenHet verwijderen van zichtbaar vuil en onzichtbaar organisch materiaal om te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen en verspreiden.
VSVerpleegkundig specialist.
WerkkledingKleding die wordt gedragen tijdens diensttijd. De kleding kan bestaan uit werkkleding gefaciliteerd door de werkgever (zoals hes, jas, broek, polo).
Wonddesinfecterend middelMiddel waarmee micro-organismen in een wond kunnen worden gedood, wordt gebruikt om een wond te desinfecteren.

Verantwoording

Werkwijze

Het gaat hier om een update van de LCHV Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid (Landelijk Centrum Hygiëne en Veiligheid)-hygiënerichtlijn voor de ambulancezorg (laatst volledig herzien in 2017) met als doel de richtlijn te actualiseren en aan te laten sluiten bij de huidige landelijke richtlijnen (SRI-richtlijnen). Hiervoor is onderstaand proces doorlopen.

Voorfase

  • Verouderde links en terminologie zijn vervangen door actuele verwijzingen naar SRI Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie)-richtlijnen/andere documenten, terminologie is aangepast vanuit SRI-richtlijnen.
  • Er is een deskresearch gedaan naar knelpunten op basis van vragen en/of casuïstiek bekend bij LCHV/LCI van het RIVM van de afgelopen vijf jaar.
  • Vanuit de deskresearch is besloten of nieuwe knelpunten/nieuwe onderwerpen meegenomen moeten worden naar de ontwikkelfase en of hiervoor een literatuuronderzoek noodzakelijk is.

Ontwikkelfase

  • De procesbegeleider actualiseert de richtlijn op basis van de uitkomsten in de voorfase.
  • De voorfase is mede tot stand gekomen vanuit de resultaten uit een enquête, ingevuld door alle RAV's en gezamenlijk besproken met experts vanuit de RAV's en de procesbegeleider.
  • De werkgroep is geraadpleegd in een deskundigheidsronde voor input en commentaar.

Commentaarfase

  • Na raadpleging van de werkgroep is de richtlijn in een commentaarronde uitgezet naar professionals werkzaam in de ambulancezorg, deskundigen infectiepreventie werkzaam in de publieke gezondheidszorg, RIVM-LCHV en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
  • De procesbegeleider heeft de commentaren verwerkt, waarna de werkgroep is geraadpleegd voor inhoudelijke discussiepunten na de commentaarronde.

Vaststellen publicatie

  • LCHV stelt de handreiking vast.
  • De handreiking wordt gepubliceerd.

Van richtlijn naar handreiking

Dit document was een richtlijn, maar is tijdens de update gewijzigd in een handreiking. In de voorbereidende fase is onderzocht welke term het meest geschikt is voor het document. Daarbij is gekeken naar de definitie van 'richtlijn' uit de AQUA-leidraad en naar de gangbare definitie van 'leidraad' die door andere richtlijn ontwikkelende partijen wordt gebruikt. Geconcludeerd is dat de definitie voor de term 'handreiking' het best passend is voor dit document. De gehanteerde en gangbare definitie voor handreiking is als volgt:

Een handreiking is vergelijkbaar met een richtlijn, maar beschrijft met name onderwerpen die niet zorginhoudelijk zijn en/of waar weinig tot geen wetenschappelijk bewijs voor is. Een handreiking is bovendien meestal beperkter in omvang omdat het een specifiek (gedeelte van het) probleem beschrijft. Ook kunnen handreikingen niet-zorginhoudelijke onderwerpen behandelen.

Het verschil met de term 'richtlijn' gedefinieerd volgens de AQUA-leidraad (2021) is dat een richtlijn berust op systematische samenvattingen van wetenschappelijk onderzoek en afwegingen van de voor- en nadelen van verschillende zorgopties, aangevuld met de expertise en ervaringen van zorgprofessionals en zorggebruikers.

Literatuuronderzoek

Er is geen literatuuranalyse verricht. In de voorfase bleek dat er weinig relevante literatuur specifiek voor infectiepreventie in de ambulancezorg bestaat. Deze handreiking is inhoudelijk onderbouwd vanuit een aantal SRI-richtlijnen. In deze richtlijnen zijn de aanbevelingen onderbouwd met wetenschappelijk bewijs (aangevuld met expert opinion). De kwaliteit van het bewijs (quality of evidence) werd in de SRI-richtlijnen beoordeeld met GRADE (Guyatt et al. 2008) waar mogelijk. In elke module wordt verwezen naar de SRI-richtlijnen waarop de module is gebaseerd. Daarnaast geeft onderstaande tabel een algemeen overzicht van de SRI-richtlijnen van waaruit de modules van de richtlijn Ambulancezorg onderbouwd zijn. De aanbevelingen zijn aangevuld met expert opinions vanuit de werkgroep.

Werkgroep

Voor het ontwikkelen van de handreiking is in 2025 een multidisciplinaire werkgroep gevormd, bestaande uit deskundigen en vertegenwoordigers van specialismen die betrokken zijn bij de ambulancezorg. Aan het opstellen van de handreiking hebben de volgende werkgroepleden bijgedragen:

  • Marjon Gaikhorst, operationeel manager ambulancepost Zutphen, Witte Kruis Noord- en Oost-Gelderland;
  • Christine Bank, deskundige infectiepreventie Tensen & Nolte Infectiepreventie;
  • Trudie van Duin, programmamanager Ambulancezorg Nederland;
  • Matthijs de Visser, physician assistent Hecht RAV Hollands Midden;
  • José Kramer, adviseur infectiepreventie GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Hollands Noorden;
  • Marco van Dams, deskundige infectiepreventie Isala.

Met ondersteuning van:

  • Peter Molenaar, procesbegeleider, beleidsadviseur/deskundige infectiepreventie RIVM