Regionale aanpak

Door verschillen in het gedrag van het bodemmateriaal en de afvoer van het neerslagoverschot bepaalt de grondsoort(regio) de bemonsteringsstrategie.

Op elk van de vier hoofdgrondsoorten (zie kaartje), wordt het regenwater op een andere manier afgevoerd. Daarom hanteert het RIVM voor elke grondsoortregio een andere bemonsteringsstrategie om het water dat uit de wortelzone wegspoelt te bemonsteren.

hoofdgrondsoort

Zandregio

Zo is zandgrond, met zijn grove structuur, goed doorlaatbaar. Hierdoor zakt het grootste deel van het regenwater recht omlaag naar het grondwater. In de Zandregio bemonsteren we daarom hoofdzakelijk het grondwater, en wel via de openboorgatmethode.

Kleiregio

Kleigrond heeft daarentegen een dichtere structuur. Daardoor zakt slechts een deel van het regenwater naar het grondwater. De rest vloeit weg naar de sloot om daar te worden afgevoerd via het oppervlaktewater. In de Kleiregio bemonsteren we daarom behalve het bovenste grondwater ook water uit de drains en sloten. Voor het grondwater gebruiken we doorgaans de openboorgatmethode en incidenteel de geslotenboorgatmethode.

Veenregio

Ook in de waterrijke veengebieden vloeit het water deels via het grondwater en deels via sloten weg. Daarom wordt in de Veenregio zowel het grondwater als het greppelwater bemonsterd. Voor het grondwater gebruiken we vaak de reservoirbuismethode.

Lössregio

Op lössgrond zit het grondwater vaak dieper dan vijf meter onder het maaiveld. Daarom nemen we in de Lössregio grondmonsters in plaats van watermonsters. Vervolgens centrifugeren we de grondmonsters om hieruit het aangehechte grondwater te verzamelen.

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu