Inleiding tot het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMMLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid) volgt de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven, gerelateerd aan de bedrijfsvoering op deze bedrijven. Dit om de effecten van de veranderingen in de bedrijfsvoering op de waterkwaliteit in beeld te krijgen. Samen met de WURWageningen University & Research brengt het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor de overheid in beeld wat de effecten zijn van het mestbeleid op de bedrijfsvoering (Wageningen Economic Research) en waterkwaliteit (RIVM) op landbouwbedrijven. Via deze site willen wij deelnemers en geïnteresseerden uit beleid, praktijk en onderzoek op een toegankelijke manier informeren over de opzet, de ontwikkelingen en resultaten van dit in 1992 opgerichte meetnet.

Sinds midden jaren 80 van de vorige eeuw voert de overheid een beleid om de nadelige effecten van de landbouw op de omgevingskwaliteit te beperken. Het LMM is in het leven geroepen om de effectiviteit van dit overheidbeleid te kunnen evalueren. Ook vervult het LMM een belangrijke rol bij het voldoen aan de monitoringsverplichtingen van de Europese Unie. Het gaat hierbij vooral om het monitoren van de effecten van de maatregelenprogramma's in het kader van de Nitraatrichtlijn en de aan Nederland verleende derogatie.

De resultaten van het Basismeetnet worden onder andere gebruikt voor de vijfjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet en de actualisatie van de Nitraat Actieprogramma's. De resultaten van het Derogatiemeetnet worden jaarlijks gerapporteerd aan de Europese Commissie. Zie ook de pagina 'Gebruik resultaten'.

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

In deze animatie wordt uitgelegd wat de gevolgen zijn van mest op de natuur en waterkwaliteit. Ook wordt uitgelegd wat de rol van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is.

Uitgeschreven tekst:
Landbouw is de basis van onze voedselproductie.

Boeren gebruiken mest omdat gewassen... voedingsstoffen zoals Stikstof...en Fosfor... nodig hebben.

Maar voedingsstoffen die niet opgenomen worden, worden vastgehouden door de bodem.

Of ze komen in het grondwater of oppervlaktewater terecht. “Uitspoeling” heet dat.

Vanaf de jaren ’50 is de landbouw in Nederland sterk geïntensiveerd. Meer dieren, hogere productie, meer mest... meer uitspoeling.

De gevolgen? Zeldzame planten en dieren verdwijnen, blauwalgen bedreigen het zwemwater, en teveel nitraat, een goed oplosbare vorm van stikstof, maakt grondwater minder bruikbaar als bron voor drinkwater.

In de jaren ‘80 besefte men dat het milieu beschermd moest worden.
Daarom ging in 1991 de Europese Nitraatrichtlijn van kracht. De Europese nitraatnorm is gebaseerd op de drinkwaternorm van 50mg/l.
En Nederland kwam met eigen kwaliteitsnormen voor stikstof en fosfor concentraties in oppervlaktewater.
Om de normen te halen, werd het gebruik van dierlijke mest en kunstmest beperkt.

Vanaf 1992 meet het onafhankelijke Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid de effecten van deze maatregelen.
We nemen watermonsters en verzamelen gegevens over bijvoorbeeld mestgebruik en -productie op ongeveer 450 bedrijven in heel Nederland.

De meetresultaten?

In de jaren ’90 zijn het mestgebruik én de uitspoeling sterk afgenomen.

Nitraatuitspoeling is het laagst in de Veenregio en kleiregio.

Maar in de Zandregio en de Lössregio komt de nitraatconcentratie soms nog boven de nitraatnorm van 50 mg/l.

Voedingsstoffen spoelen minder uit in grasland dan in akkerbouwland. Daarom hebben melkveebedrijven gemiddeld een lagere nitraatconcentratie in het grondwater dan akkerbouwbedrijven.

Fosfor bindt zich sterk aan de bodem. We zien daardoor weinig uitspoeling naar het grondwater. Zo langzamerhand raakt de bodem echter steeds meer verzadigd. Dat zorgt misschien in de toekomst voor problemen.

Langzaam komt de intensieve landbouw meer in balans met natuur en waterkwaliteit. In de komende jaren probeert Nederland met het mestbeleid die balans verder te verbeteren.

De resultaten van het LMM zijn daarbij onmisbaar.