RIVM_Logo

Feiten en fabels over mazelen en vaccinatie

Er bestaan veel feiten, meningen en misvattingen over mazelen, de BMR-vaccinatie, het BMR-vaccin en de bijwerkingen van het vaccin. Op internet is veel informatie over deze onderwerpen te vinden. Voor sommige professionals en ouders biedt dat helderheid; voor anderen roept het vragen, twijfels of scepsis op. Hieronder geven we antwoord op een aantal veel voorkomende beweringen en misvattingen over bovenstaande onderwerpen. Ook zijn er links te vinden naar literatuur over deze onderwerpen.


Mazelen

1. Mazelen is een kinderziekte en dus niet erg

Dit is een mening. Mazelen is één van de zogenoemde kinderziekten. Dat klinkt onschuldig, maar mazelen kan ernstige complicaties geven, zoals longontsteking en hersenontsteking [1, 2]. Hoewel de meeste kinderen met mazelen vanzelf genezen, zijn er ook kinderen die aan de complicaties van mazelen overlijden.
Mazelen wordt tot de kinderziekten gerekend omdat het erg besmettelijk is én vóór de invoering van vaccinatie veel voorkwam. Kinderen kregen de ziekte toen dus al op jonge leeftijd. Omdat mazelen leidt tot levenslange immuniteit kwam mazelen vroeger vrijwel nooit voor bij volwassenen. Maar volwassenen die niet gevaccineerd zijn en in hun jeugd geen mazelen hebben doorgemaakt zijn wel vatbaar voor mazelen. Op volwassen leeftijd is de kans op complicaties van mazelen bovendien groter[2].

2. Vroeger kregen we allemaal mazelen toen er nog niet werd geënt

Dit klopt. Inderdaad kregen we vroeger allemaal mazelen. In die tijd overleden er ook kinderen aan complicaties van mazelen, vooral aan longontsteking. Van de gerapporteerde mazelengevallen krijgt 4-6% een longontsteking [2, 3]. Ook liepen kinderen ernstige hersenschade op door mazelenhersenontsteking (1:1000). Voor kinderen met onderliggende ziekten of ondervoeding en vitaminegebrek was de kans op een ernstig verloop nog groter.

3. Complicaties van mazelen komen alleen voor bij kinderen met onderliggend lijden

Kwetsbare kinderen zijn inderdaad gevoeliger voor infecties en complicaties dan ‘gezonde’ kinderen. Maar mazelen kan ook bij niet-kwetsbare kinderen ernstig verlopen. Ook gezonde kinderen krijgen mazelen en ook bij hen kunnen complicaties tot sterfte leiden [2, 3].

4. Vaccineren tegen mazelen beschermt minder goed dan het doormaken van mazelen

Strikt genomen klopt dit, maar het mazelenvaccin werkt goed bij 99% van de kinderen. Mazelenvaccinatie wordt sinds 1987 via een gecombineerd BMR-vaccin gegeven (bof, mazelen, rodehond). Na één keer vaccineren is 95% van de kinderen langdurig beschermd tegen mazelen. Omdat het vaccin niet bij alle kinderen aanslaat na de eerste toediening, worden kinderen na de eerste vaccinatie (op de leeftijd van 14 maanden) nogmaals op de leeftijd van 9 jaar gevaccineerd. Daarmee bereiken gevaccineerde kinderen een bescherming van ruim 99%.

5. Na vaccinatie kan je toch nog mazelen krijgen

Ja, dat kan. Bij ongeveer 5% van de kinderen slaat de eerste vaccinatie tegen mazelen niet aan. Daarom wordt een tweede vaccinatie gegeven. Daarna is 99% van de kinderen beschermd tegen mazelen. Ook als de vaccinatie wel is aangeslagen, kan iemand in zeldzame gevallen mazelen krijgen. De verschijnselen van deze mazeleninfectie bij een gevaccineerde zijn dan wel veel milder dan bij een ongevaccineerde [4].

6. Mazelen is goed voor de ontwikkeling, je wordt er sterker van

Dit is een mening. Het ligt er maar aan hoe je aankijkt tegen ontwikkeling. Sommige mensen vinden dat een kind sterker wordt van ziek zijn omdat het die ervaring heeft doorgemaakt en (meestal) ‘overwonnen’. Anderen vinden de ziekte goed voor het lichaam omdat het kind de rest van zijn leven geen mazelen meer zal krijgen. De kans op complicaties nemen deze mensen voor lief. Als het puur gaat om het voorkomen van ziekte, is vaccinatie een betere optie omdat daarmee de ziekte mazelen wordt voorkomen.

7. Mazelen is tegenwoordig goed te behandelen

Dit is een fabel. Mazelen is een virale infectie, waarvoor geen behandeling beschikbaar is [1, 2]. We kunnen alleen ondersteunende behandeling bieden en eventuele bacteriële infecties van de luchtwegen (die men bovenop de mazeleninfectie krijgt) met antibiotica behandelen.

8. Borstvoeding beschermt volledig tegen mazelen

Dit is een fabel. Borstvoeding is gezond en verhoogt de algemene weerstand tegen infectie, onder andere omdat er in borstvoeding antistoffen aanwezig zijn. De antistoffen in de borstvoeding zijn vooral gericht tegen maagdarminfecties; maar beschermen niet tegen mazelen. Ook volledig borstgevoede kinderen hebben een mazelenvaccinatie nodig. Bij borstgevoede kinderen werkt de mazelenvaccinatie net zo goed als kinderen die flesvoeding krijgen.

Naar boven


BMR-vaccinatie

9. Mazelenvaccinatie is onnatuurlijk

Mazelenvaccinatie wordt toegediend in de vorm van de BMR-prik (bof, mazelen, rodehond). In dit combinatievaccin zitten onder andere levend verzwakte mazelenvirussen. Deze virussen vermenigvuldigen zich na de injectie en zetten het afweersysteem aan het werk. Hierdoor ontstaat immuniteit tegen mazelen. Er treedt dus net als bij ziekte een infectie op (het vermeerderen en verspreiden van het virus). Het verschil met een natuurlijke infectie is dat bij vaccinatie een verzwakt virus wordt ingespoten, terwijl bij een natuurlijke infectie het virus via de luchtwegen het lichaam binnendringt. De verwerking door het afweersysteem verloopt hetzelfde. Daarnaast geven de verzwakte virussen niet de ziektesymptomen en de complicaties. Dat kun je als onnatuurlijk bestempelen maar dat wil niet zeggen dat vaccinatie niet veilig is.

10. Vaccineren tijdens de incubatietijd van de ziekte is gevaarlijk

Dit is een fabel. De BMR-vaccinatie beschermt tegen mazelen vanaf het moment van vaccinatie. Dit komt door de kortere incubatietijd en geldt uiteraard alleen voor personen waar de vaccinatie aanslaat.
Mazelenvaccinatie wordt ook gebruikt om mazeleninfectie te voorkomen of de ernst van de symptomen te verminderen. Dit kan alleen als de  vaccinatie binnen 72 uur na besmetting wordt toegediend http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Mazelen_morbilli
[3]. Als de vaccinatie later dan 72 uur na de besmetting wordt toegediend, is er geen beschermend effect te verwachten, maar geeft het ook geen verergering van de verschijnselen van de mazeleninfectie.

11. Gevaccineerde moeders geven minder langdurig bescherming aan hun pasgeboren baby dan moeders die zelf mazelen hebben gehad

Het klopt dat baby’s van moeders die mazelen hebben doorgemaakt 1 tot 2 maanden langer beschermd zijn dan baby’s van gevaccineerde moeders[5, 6]. Dat zit zo: Aan het einde van de zwangerschap worden antistoffen van moeder naar kind doorgegeven via de placenta. Hierdoor is het kind in de eerste tijd na de geboorte beschermd. Die bescherming wordt geleidelijk aan minder omdat de antistoffen worden afgebroken.
De hoeveelheid antistoffen in het bloed van gevaccineerde moeders is wat lager dan die van moeders die de ziekte hebben doorgemaakt. Bij de gevaccineerde moeders is 50% van de zuigelingen op de leeftijd van 3-4 maanden de moederlijke antistoffen kwijt, bij moeders die mazelen hebben doorgemaakt is dat op de leeftijd van 5-6 maanden.
Zuigelingen van ongevaccineerde moeders die zelf geen mazelen hebben doorgemaakt, zijn echter helemaal niet beschermd tegen mazelen.

12. Na vaccineren ontstaat er verminderde weerstand en verhoogde vatbaarheid

Dit is een fabel. Onderzoek heeft aangetoond dat er gedurende 3 maanden na de vaccinatie minder kans is op ziekenhuisopnames door bacteriële infecties, vergeleken bij niet-gevaccineerden [7]. Een onderzoek bij tweelingen, waarbij de ene helft van de tweeling een BMR-vaccinatie kreeg en de andere helft een injectie zonder werkzame stoffen, toonde aan dat verschijnselen van misselijkheid, braken en luchtwegklachten minder vaak bij de BMR-gevaccineerde helft van de tweeling voorkwam [8]. Het afweersysteem lijkt dus na vaccinatie juist meer paraat te zijn en de gevaccineerde kinderen dus minder vatbaar. Dit in tegenstelling tot de verminderde afweer, die wel aangetoond is na een mazeleninfectie [9, 10].

13. Prematuur geboren kinderen mogen niet gevaccineerd worden

Dit is een fabel. Kinderen die te vroeg geboren zijn, hebben de vaccinaties juist extra nodig. Ze zijn kwetsbaarder en hebben ook minder antistoffen van de moeder meegekregen. De antistoffenoverdracht van moeder naar kind vindt pas vanaf circa 30 weken zwangerschap plaats en neemt toe met een toenemende zwangerschapsduur. Ook wordt bij prematuur geboren kinderen vaker bloed afgenomen, waarbij antistoffen verloren gaan. De werking van vaccins bij te vroeg geboren kinderen is goed [11-14]. Om die redenen corrigeren we de leeftijd van te vroeg geborenen niet. Dat geldt ook voor de BMR-vaccinaties. Het is onwaarschijnlijk dat de bijwerkingen van een BMR-vaccinatie bij te vroeg geborenen kinderen anders zijn dan van op tijd geboren kinderen.

Naar boven


BMR-vaccin

14. Het BMR-vaccin bevat tal van onnatuurlijke en giftige stoffen

Het BMR-vaccin is een verzwakt levend vaccin. Het bevat bof-, mazelen- en rodehond-virussen, die wel een goede afweerreactie tegen de ziekte kunnen opwekken, maar zelf niet de ziekte kunnen veroorzaken. Deze verzwakt levende virussen gaan dood bij de aanwezigheid van giftige stoffen en dan werkt het vaccin niet meer. Bij de productie van het vaccin wordt hier zeer zorgvuldig naar gekeken. Een overzicht van de hulpstoffen van het BMR-vaccin, dat op dit moment binnen het RVP wordt gebruikt, vindt u hier: http://www.rivm.nl/Onderwerpen/V/Vaccins/Bijsluiters_vaccins/Bijsluiters_Rijksvaccinatieprogramma.
Het is ook duidelijk aangetoond dat de hoeveelheid hulpstoffen in vaccins zo klein is, dat dit geen gevaar vormt voor de gezondheid [15].

15. Hulpstoffen in vaccins zijn schadelijk en kunnen stapelen

Dit klopt niet. Hulpstoffen zijn toevoegingen die de kwaliteit van het vaccin verbeteren. Het kunnen stoffen zijn, die de werkzaamheid verbeteren (ook wel adjuvans genoemd), maar ook buffers, die de zuurgraad constant kunnen houden, conserveringsmiddelen, die de houdbaarheid vergroten of stabilisatoren, die zorgen voor een goede werkzaamheid op de langere termijn. Het gaat over hele kleine hoeveelheden die ver onder de grens van het toelaatbare liggen. De exacte samenstelling van een vaccin moet in de bijsluiter worden vermeld. Een enkele keer zijn er sporen van stoffen, die tijdens het productieproces gebruikt zijn, terug te vinden in het vaccin. De fabrikant vermeldt dit meestal ook in de bijsluiter [16]. Van al deze stoffen is aangetoond dat ze geen gevaar vormen voor de gezondheid, ook niet als een kind een volledig vaccinatieprogramma volgt [15].

16. BMR-vaccin wordt gekweekt op levend weefsel van dieren of mensen

Dat klopt. Virussen kunnen niet groeien zonder levende cellen. Ze gebruiken voor hun eigen vermeerdering de huishouding van levende cellen. In plaats van steeds opnieuw cellen uit organen (of dieren) te halen, kan dat tegenwoordig met celkweken of continue cellijnen. Deze cellen kunnen steeds weer worden doorgekweekt zonder gebruik van nieuwe donoren. Voor bof en mazelen betreft dat een continue cellijn van een kippenembryo en voor rodehond een cellijn van longfibroblasten uit een om medische reden uitgevoerde abortus met toestemming van de moeder.

17. Het BMR-vaccin bevat thiomersal, methylkwik en andere giftige kwikverbindingen

Dit is een fabel. Thiomersal is een ethylkwikverbinding die soms in dode of geïnactiveerde vaccins wordt gebruikt vanwege de desinfecterende werking. In het BMR-vaccin zit geen thiomersal of andere kwikverbindingen. Dit zou namelijk de verzwakte virussen in het vaccin doden, waardoor de werkzaamheid verdwijnt. Meer informatie over thiomersal in andere vaccins kunt u vinden onder: http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Algemeen_Actueel/Uitgaven/Infectieziekten/Rijksvaccinatieprogramma/Thiomersal_in_vaccins

18. Het BMR-vaccin bevat aluminiumzouten en deze zijn schadelijk voor de ontwikkeling

Dit is een fabel. Aluminiumzouten worden in vaccins gebruikt als adjuvans, waardoor de werkzaamheid wordt versterkt. Het BMR-vaccin bevat geen aluminiumzouten. Vaccins met verzwakt levend virus, zoals het BMR-vaccin, hebben deze stof ook niet nodig om goed te werken en immuniteit te bewerkstelligen.
Aan sommige andere vaccins worden wel aluminiumzouten toegevoegd om de antistofvorming te bevorderen. De hoeveelheden hiervan in vaccins zijn zeer klein, zijn niet schadelijk voor de gezondheid [15] en worden ook weer door het lichaam uitgescheiden. De hoeveelheden die via voedsel (ook borstvoeding) binnenkomen zijn veel groter dan die uit de vaccins.

19. BMR-vaccinatie is volgens de bijsluiter niet geregistreerd voor kinderen onder de 9 maanden

Dit klopt. De bijsluiter bevat gegevens over samenstelling en toepassing van de vaccins. Daarin worden dosering en leeftijden genoemd en ook mogelijke bijwerkingen en contra-indicaties. Bij nieuwe vaccins komen die gegevens uit het pre-registratieonderzoek van de fabrikant, later aangevuld met nieuwe onderzoeken nadat het vaccin op de markt is gekomen en op grote schaal wordt gebruikt. In bijzondere omstandigheden kan (beargumenteerd) van bijsluiterbepalingen worden afgeweken, zowel op individueel als op collectief niveau. Dat doet zich bijvoorbeeld voor bij bijzondere patiënten met mazelen, maar ook als er een epidemie heerst. Dit gebeurt nu in Nederland op advies van het Outbreak Management Team. Ook in Engeland wordt dit beleid nu toegepast om uitbraken te bestrijden. http://www.patient.co.uk/doctor/measles-mumps-and-rubella-mmr-vaccination

20. Levend verzwakte vaccins kunnen niet onder het jaar gegeven worden

Dit is een fabel. Levend verzwakte vaccins kunnen worden geïnactiveerd door specifieke antistoffen, gericht tegen het vaccinvirus. Zuigelingen krijgen bij de geboorte een hele set van dergelijke antistoffen mee van de moeder. Geleidelijk aan worden deze antistoffen afgebroken en zal vatbaarheid voor bijvoorbeeld mazelen toenemen. Onderzoek uit 1980 toonde aan dat 50% van de zuigelingen bij 5-6 maanden hun mazelenantistoffen al kwijt was en recente gegevens wijzen erop dat dit bij zuigelingen van gevaccineerde moeders al bij 3-4 maanden het geval is[5, 6]. Het Nederlandse beleid is dan ook om kinderen die reizen naar mazelengebieden vanaf 6 maanden een extra BMR aan te bieden. Dit beleid is neergelegd in de Uitvoeringsregels Rijksvaccinatieprogramma (RVP), bij de Landelijke Coördinatie Reizigersadvisering (LCR) en LCI-richtlijnen (RIVM). Ook internationaal is dit beleid bij Centre for Disease Control & Prevention (CDC), Public Health England (HPA), World Health Organisation (WHO) geformuleerd. De ervaringen zijn goed, zowel qua werkzaamheid als qua veiligheid.

21. Vaccins zijn onvoldoende getest en worden experimenteel op mensen toegepast

Vaccins zijn geneesmiddelen en worden voor toelating op de markt uitgebreid onderzocht. Eerst vooral natuurkundig en scheikundig door middel van biotechnologische technieken. Daarna met diermodellen en dan pas bij mensen[16]. Pas als de resultaten goed en veilig zijn volgt registratie. Daarna wordt het vaccin in grote ongeselecteerde groepen mensen toegediend.
Het spreekt vanzelf dat vlak na registratie de kennis over het vaccin minder is dan na jaren gebruik. Inmiddels is het mazelenvaccin al bijna 50 jaar in gebruik en het BMR-vaccin sinds de jaren ‘70. De vaccins zijn sindsdien bij één miljard mensen toegediend. Het is veilig en effectief gebleken.

Naar boven


Bijwerkingen

22. Hoe jonger de kinderen gevaccineerd worden, hoe ernstiger de bijwerkingen zijn

De eventuele bijwerkingen van een vaccin hangen af van het soort vaccin, de dosering en of het een eerste dosis of een latere betreft. Ook de leeftijd van het kind kan inderdaad een rol spelen. Zo zie je wegrakingen en bleekheid meer bij hele jonge zuigelingen en hoge koorts en koortsstuipen juist meer bij kinderen van rond een jaar [17]. Voor de BMR-vaccinatie geldt dat bij de jongste kinderen de verwachting is dat eventuele koorts minder hoog oploopt dan bij kinderen van ongeveer een jaar oud. Daarmee is de kans op een koortsstuip dan ook waarschijnlijk minder[18]. Waarschijnlijk is ook de kans op idiopathische trombocytopenische purpura (ITP) minder dan bij kinderen van 1-2 jaar oud. ITP is een aandoening waarbij patiënten tijdelijk een te lage hoeveelheid bloedplaatjes in hun bloed hebben. ITP komt voor na mazeleninfectie, maar ook, in veel gering aantal, na BMR-vaccinatie [2, 19].

23. Bijwerkingen van het BMR-vaccinatie zijn net zo erg als de ziekte

De meest voorkomende bijwerkingen van de BMR-vaccinatie zijn koorts, hangerigheid en/of uitslag [20]. Dat gebeurt bij 5-15% van de peuters na de eerste vaccinatie. Heel soms kan een kind een koortsstuip krijgen door de koorts na de vaccinatie (1 op 5.000-10.000)[18]. Deze verschijnselen kunnen zich voordoen tussen 5-12 dagen na de vaccinatie. Kinderen zijn door de BMR-vaccinatie niet besmettelijk voor hun omgeving. Lokale verschijnselen zoals roodheid en pijn beperken zich tot een branderig gevoel bij de vaccinatie en soms een kortdurende kwaddel (soort muggenbultachtige zwelling). Deze bijwerkingen staan naar onze mening niet in verhouding tot de ernstige ziekteverschijnselen die bij een mazeleninfectie kunnen optreden [1, 2].

24. BMR-vaccinatie geeft soms een tijdelijk tekort aan bloedplaatjes (ITP)

Dit klopt [2, 19]. Een enkele keer kan door de BMR-vaccinatie een tijdelijk tekort aan bloedplaatjes (ITP) optreden (bij ongeveer 1 op 20.000 van de 1-2 jarige kinderen). Dit herstelt zich binnen enkele weken en verloopt meestal zonder verdere problemen. ITP treedt ook op als complicatie bij de ziekte mazelen en rodehond; dat gebeurt vaker dan na de BMR-vaccinatie. Kinderen die ITP hebben gehad bij de eerste vaccinatie, kunnen de tweede prik gewoon in de normale setting krijgen[21](ongepubliceerde eigen data).

25. BMR-vaccinatie veroorzaakt gewrichtsklachten

Dit klopt, maar het gebeurt zelden en gaat weer voorbij[2]. Een enkele keer kunnen na de BMR-vaccinatie voorbijgaande gewrichtsklachten optreden. Dit gebeurt vooral bij oudere meisjes en vrouwen op basis van de rubella- (rodehond)component. Bij de ziekte rodehond komt dit echter veel vaker voor. Chronische gewrichtsklachten of ziektebeelden als reuma bij kinderen of volwassenen zijn niet het gevolg van de vaccinaties. Ook verergeren de vaccinaties de verschijnselen niet bij mensen die lijden aan chronische reumatische ziekten[22].

26. Kinderen met kippenei-eiwitallergie mogen geen BMR-vaccinatie

Dit klopt niet. Heftige allergische reacties op de BMR-vaccinatie worden niet gezien; ook niet na meermalige toediening[23]. Bij de productie van BMR-vaccin wordt geen gebruikt gemaakt van kippeneieren. De verzwakte mazelenvirussen (en die van bof) worden gekweekt op KEF-cellen (kippenembryo-fibroblasten). Dat is een continue cellijn afkomstig van kippenweefsel en niet van ei. Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat ook kinderen met een kippenei-eiwitallergie zonder problemen gevaccineerd kunnen worden met BMR-vaccin. Er hoeft van tevoren niet op gecontroleerd te worden en bijzondere voorzorgsmaatregelen zijn niet nodig[3].

27. BMR-vaccinatie veroorzaakt autisme

Dit is een fabel. Autisme is een stoornis in de contactname/communicatie die verschillende uitingsvormen heeft. Eind jaren ‘90 van de vorige eeuw werd er door een groep onderzoekers een verband gelegd tussen mazelenvaccinatie en het ontstaan van autisme. In de jaren nadien is er uitgebreid aandacht geweest voor dit signaal. Het tijdschrift, waarin het oorspronkelijke artikel is verschenen, heeft dit artikel terug getrokken omdat de schrijver het onderzoek onjuist had uitgevoerd [24]. Talloze onderzoeken hebben de eerdere verdenking weerlegd[25, 26]. Er is geen enkele aanwijzing gevonden dat BMR-vaccinatie autisme veroorzaakt of het beloop ervan verslechtert. De toename van autisme-spectrumstoornissen is niet terug te voeren op vervroeging van het vaccinatieschema, of op toename van het aantal vaccins of op de samenstelling van de vaccins of op de gebruikte hulpstoffen.

28. BMR-vaccinatie veroorzaakt chronische ontstekingsziekten van de darmen

Dit is een fabel. Tegelijk met de onrust over autisme en vaccinaties waren er ook berichten over chronische darmziekten en het BMR-vaccin. Ook daar is geen enkele relatie tussen de vaccinaties en die ziekten gevonden [27-30]. Ze worden niet veroorzaakt of verergerd door BMR-vaccinatie. Wel is het zo dat deze chronische darmziekten soms behandeld worden met medicatie die de afweer onderdrukt. Dat maakt dat juist bij deze mensen de immuniteit tegen mazelen op peil moet zijn.

29. BMR-vaccinatie veroorzaakt suikerziekte

Dit is een fabel. Uitgebreid onderzoek heeft bij géén van de vaccinaties aanwijzingen gevonden dat zij van invloed zijn op het ontstaan of de verergering van suikerziekte (diabetes mellitus) [29, 30].

Naar boven


Literatuur

  1. Leerboek infectieziekten1992: Bohn Stafleu Van Loghum.
  2. Handboek vaccinaties; infectieziekten en vaccinaties. eerste ed. Vol. deel B. 2007.
  3. Epidemiology and Prevention of Vaccine-Preventable Diseases_course textbook_chapter on measles, CDC, Editor 2012.
  4. Mitchell, P., et al., Previous vaccination modifies both the clinical disease and immunological features in children with measles. J Prim Health Care, 2013. 5(2): p. 93-8.
  5. Waaijenborg, S., et al., Waning of Maternal Antibodies Against Measles, Mumps, Rubella, and Varicella in Communities With Contrasting Vaccination Coverage. J Infect Dis, 2013.
  6. Mollema, L., et al., High risk of a large measles outbreak despite thirty years of measles vaccination in the Netherlands. submitted, 2013.
  7. Miller, E., et al., Bacterial infections, immune overload, and MMR vaccine. Measles, mumps, and rubella. Arch Dis Child, 2003. 88(3): p. 222-3.
  8. Peltola, H. and O.P. Heinonen, Frequency of true adverse reactions to measles-mumps-rubella vaccine. A double-blind placebo-controlled trial in twins. Lancet, 1986. 1(8487): p. 939-42.
  9. Starr, S. and S. Berkovich, Effects of Measles, Gamma-Globulin-Modified Measles and Vaccine Measles on the Tuberculin Test. N Engl J Med, 1964. 270: p. 386-91.
  10. Wesley, A., H.M. Coovadia, and L. Henderson, Immunological recovery after measles. Clin Exp Immunol, 1978. 32(3): p. 540-4.
  11. D'Angio, C.T., Active immunization of premature and low birth-weight infants: a review of immunogenicity, efficacy, and tolerability. Paediatr Drugs, 2007. 9(1): p. 17-32.
  12. Bonhoeffer, J., C.A. Siegrist, and P.T. Heath, Immunisation of premature infants. Arch Dis Child, 2006. 91(11): p. 929-35.
  13. Saari, T.N., Immunization of preterm and low birth weight infants. American Academy of Pediatrics Committee on Infectious Diseases. Pediatrics, 2003. 112(1 Pt 1): p. 193-8.
  14. Koblin, B.A., et al., Response of preterm infants to diphtheria-tetanus-pertussis vaccine. Pediatr Infect Dis J, 1988. 7(10): p. 704-11.
  15. Offit, P.A. and R.K. Jew, Addressing parents' concerns: do vaccines contain harmful preservatives, adjuvants, additives, or residuals? Pediatrics, 2003. 112(6 Pt 1): p. 1394-7.
  16. Handboek vaccinaties; theorie en uitvoeringspraktijk. tweede ed2011.
  17. David, S., P.E. Vermeer-de Bondt, and N.A. van der Maas, Reactogenicity of infant whole cell pertussis combination vaccine compared with acellular pertussis vaccines with or without simultaneous pneumococcal vaccine in the Netherlands. Vaccine, 2008. 26(46): p. 5883-7
  18. Vermeer-de Bondt, P.E., et al., Adverse events following immunization under the National Vaccination Programme of the Netherlands. Number XVII-reports in 2010, 2011, National Institute for Pubic Health and the Environment: Bilthoven.
  19. Andrews, N., et al., A collaborative approach to investigating the risk of thrombocytopenic purpura after measles-mumps-rubella vaccination in England and Denmark. Vaccine, 2012. 30(19): p. 3042-6.
  20. Kroesbergen, H.T., L. Moret-Huffmeijer, and P.E. Vermeer-de Bondt, Verschijnselen na gelijktijdige BMR- en meningokokken-C vaccinatie. Tijdschrijft voor Sociale geneeskunde, 2005. 83(7): p. 425-431.
  21. Stowe, J., et al., Idiopathic thrombocytopenic purpura and the second dose of MMR. Arch Dis Child, 2008. 93(2): p. 182-3.
  22. Heijstek, M.W., et al., Effects of the live attenuated measles-mumps-rubella booster vaccination on disease activity in patients with juvenile idiopathic arthritis: a randomized trial. JAMA, 2013. 309(23): p. 2449-56.
  23. Andersen, D.V. and I.M. Jorgensen, MMR vaccination of children with egg allergy is safe. Dan Med J, 2013. 60(2): p. A4573.
  24. Godlee, F., J. Smith, and H. Marcovitch, Wakefield's article linking MMR vaccine and autism was fraudulent. BMJ, 2011. 342: p. c7452.
  25. Madsen, K.M., et al., A population-based study of measles, mumps, and rubella vaccination and autism. N Engl J Med, 2002. 347(19): p. 1477-82.
  26. DeStefano, F., Vaccines and autism: evidence does not support a causal association. Clin Pharmacol Ther, 2007. 82(6): p. 756-9.
  27. Davis, R.L. and K. Bohlke, Measles vaccination and inflammatory bowel disease: controversy laid to rest? Drug Saf, 2001. 24(13): p. 939-46.
  28. Davis, R.L., et al., Measles-mumps-rubella and other measles-containing vaccines do not increase the risk for inflammatory bowel disease: a case-control study from the Vaccine Safety Datalink project. Arch Pediatr Adolesc Med, 2001. 155(3): p. 354-9.
  29. Demicheli, V., et al., Vaccines for measles, mumps and rubella in children. Cochrane Database Syst Rev, 2012. 2: p. CD004407.
  30. Rumke, H.C. and H.K. Visser, [Childhood vaccinations anno 2004. II. The real and presumed side effects of vaccination]. Ned Tijdschr Geneeskd, 2004. 148(8): p. 364-71.

Naar boven


Links

Naar boven

 

Home / Documenten en publicaties / Feiten en fabels over mazelen en vaccinatie

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu