Modelgebruik

Toepassing van modellen is een efficiënte manier om de luchtkwaliteit op veel plaatsen, in het verleden, heden en toekomst in kaart te brengen. Uit onderzoek van zowel het RIVM als van anderen is gebleken dat berekende concentraties van stoffen in de lucht langs wegen dicht bij concentraties liggen die daar zijn gemeten.

Gemiddeld verschillen de berekende concentraties minder dan 1 microgram per kubieke meter  (μg/m3) van de gemeten concentraties. Op bijna de helft van de ruim vierhonderd testlocaties die het RIVM heeft onderzocht verschillen de gemeten en berekende stikstofdioxide concentraties minder dan 2.5 μg/m3. Dat komt overeen met 6% van de jaargemiddelde grenswaarde. De onzekerheden in zowel de metingen als de berekeningen veroorzaken deze verschillen.

In de wet, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit, wordt beschreven in welke situaties de beschikbare standaardrekenmethoden toegepast moeten worden, het zogenoemde toepassingsbereik. Er zijn namelijk grenzen waarbinnen de standaardrekenmethoden toegepast mogen worden. Bij de randen van het toepassingsbereik lopen de rekenmodellen en de beschikbare invoer tegen hun grenzen aan en worden de onzekerheden in de resultaten groter. De wetgeving anticipeert op de beperkingen van rekenmodellen en invoergegevens door in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit andere methoden voor de bepaling van luchtkwaliteit zoals windtunnelmetingen toe te staan. Evenzo kunnen, goed onderbouwd, afwijkende gegevens voor bijvoorbeeld de achtergronden of emissies worden gebruikt. In verschillende rapporten van het RIVM en het PBL, ook over het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is op de onzekerheden van rekenen gewezen.

Enkele aandachtpunten bij de toepassing van modellen en generieke gegevens:

  • Berekeningen van de verkeersbijdrage zijn gebaseerd op gegeneraliseerde emissiegegevens per gereden kilometer. Op individuele locaties, zeker als de dynamiek van het verkeer afwijkt van het gemiddelde beeld, kunnen de feitelijke emissies, en dus ook de concentratiebijdragen naast de weg, aanzienlijk verschillen van de emissies die voor het gehele wagenpark zijn aangenomen. Ook indien de verkeerssituatie recent is aangepast kunnen de emissies afwijken van die in de verschillende standaardsituaties.  Het RIVM heeft het effect van de snelheidsverhogingen in geheel Nederland op de achtergrondconcentraties geschat, dat komt voor stikstofdioxide uit op enkele honderdsten μg/m3. Het lokale effect van een snelheidsverhoging naast een weg kan echter veel groter zijn en één of meerdere μg/m3 bedragen. Deze lokale effecten zijn verder niet door het RIVM berekend of onderzocht.
  • De verspreiding van de emissies op plaatsen met gebouwen zeer dicht langs snelwegen kan afwijken van de aannames in de rekenmodellen en wellicht beter in een windtunnel worden onderzocht. De gemeente Rotterdam combineert in de NSL monitoring metingen en windtunnelresultaten in binnenstedelijke straten met complexe bebouwing. Hiermee wordt de realiteit naar verwachting beter benaderd.
  • Achtergrondconcentraties voor voorbije jaren worden voor alle stoffen geijkt aan metingen. Het resultaat van deze ijking wordt voor enkele stoffen ook verwerkt in de prognoses voor concentraties in de toekomst. Voor stikstofdioxide wordt de ijking tot op heden niet in prognoses verwerkt. Als gevolg daarvan kunnen er verschillen voorkomen zodra een prognose voor een jaar wordt vergeleken met de realisatie van dat jaar. Verschillen in de stikstofdioxide concentraties tot circa 2 μg/m3 worden de laatste jaren op enkele locaties geconstateerd.

 

Home / Onderwerpen / L / Lokale luchtkwaliteit / Modelgebruik

RIVM De zorg voor morgen begint vandaag
Menu