De deelname van pasgeborenen aan vaccinatie tegen bof, mazelen en rodehond (BMRbof, mazelen,rodehond) en difterie, kinkhoest, tetanus en polio (DKTPdifterie kinkhoest tetanus polio) is ten opzichte van vorig jaar licht gestegen. Dat concludeert het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu op basis van voorlopige cijfers. De opkomst van meisjes geboren in 2007 bij de eerste HPVhumaan papillomavirus-vaccinatie is met 64% iets lager dan vorig jaar voor meisjes geboren in 2006 (72%).

Deze conclusie zal naar verwachting ook zichtbaar worden in het rapport over de vaccinatiegraad dat jaarlijks in juni verschijnt. 

De voorlopige cijfers voor de BMRbof, mazelen,rodehond- en DKTPdifterie kinkhoest tetanus polio-vaccinatie betreffen kinderen geboren in de periode november 2017 t/m oktober 2018. Zij kregen de vaccinatie aangeboden voor maart 2020 en deze voorlopige cijfers betreffen daarom de situatie voor COVID-19.

De voorlopige cijfers voor HPVhumaan papillomavirus betreffen wel de situatie tijdens COVID-19. Vanwege COVID-19 werd de HPV-vaccinatie voor meisjes geboren in 2007 namelijk uitgesteld naar het najaar van 2020. Afhankelijk van de toen geldende coronamaatregelen hebben JGZJeugdgezondheidszorg-organisaties de groepsvaccinatie vervangen voor (semi-)individuele vaccinaties, eventueel werkend in time slots.

Positieve signalen

In een brief aan de Tweede Kamer  concludeert secretaris Blokhuis van VWSMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat dit positieve signalen zijn: ‘Op basis van de voorlopige opkomstcijfers van het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu concludeer ik dat de positieve ontwikkeling van de vaccinatiegraad (voor pasgeborenen, red.) zich lijkt te hebben doorgezet’ en gezien de invloed van COVID-19 op de HPV-vaccinatie ervaar ik dit voorlopige opkomstcijfer als positief! Ik hecht eraan te benadrukken dat de vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma vrijwel volledig doorgegaan zijn ten tijde van de coronapandemie, al dan niet anders georganiseerd of iets uitgesteld. Dit is een grote prestatie waar de jeugdgezondheidszorg trots op mag zijn.’