Go to abstract

Samenvatting

Tussen 2006 en 2010 is de bodemkwaliteit van Nederland gemeten in de derde meetronde van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Hierbij zijn 200 locaties bemonsterd: 10 combinaties van grondsoort en landgebruik (=categorie), en per categorie 20 locaties.

Huidige bodemkwaliteit
Conform de eerste doelstelling is de bodemkwaliteit van de tien categorieën geïnventariseerd en zijn die met elkaar vergeleken. De zandgronden onder bos hebben de laagste zuurgraad en hoogste aluminiumconcentratie van alle categorieën. De zandgronden onder landbouw hebben een hogere zuurgraad, waarschijnlijk door bekalking. Zoals verwacht bevatten kleigronden een groter aandeel van deeltjes die kleiner zijn dan twee micrometer, en hebben veengronden een hoger organisch stofgehalte dan zandgronden. Klei- en veengronden hebben significant hogere gehalten ijzer, mangaan en zware metalen dan zandgronden. Insecticiden als lindaan en dieldrin zijn vooral aangetroffen in gronden onder akkerbouw. Hoewel deze gewasbeschermingsmiddelen uit de handel zijn, kunnen er nog steeds resten van worden aangetroffen.

Veranderingen in bodemkwaliteit tussen eerste en derde ronde
Conform de tweede doelstelling zijn per categorie veranderingen tussen de eerste (1993-1997) en derde meetronde (2006-2010) in kaart gebracht. Daaruit blijkt onder andere dat vooral bij zandgronden onder bos de bodem -en grondwaterkwaliteit is veranderd. Deze gronden zijn significant minder zuur geworden. Ook zijn nitraat, sulfaat, chloride, aluminium, calcium, magnesium, natrium en strontium in grondwater afgenomen. Dit komt waarschijnlijk doordat de er minder verzurende en vermestende stoffen via de lucht worden afgezet, een positief gevolg van het emissiebeleid.

Lange termijnanalyses tonen bij elke categorie meerdere significante stijgingen en dalingen van stoffen in de bodem. Veranderingen in bemonsteringslocaties en in de werkwijze kunnen deze trendanalyse echter hebben verstoord. Zo is tussen de meetronden 10 tot 20 procent van de locaties waarop de monsters worden genomen, gewijzigd. Daarnaast veranderden soms in de loop van de jaren de procedures in de laboratoria, vooral die voor zware metalen. Hierdoor was het niet mogelijk de oorspronkelijke strategie van het LMB, namelijk om op gezette tijden dezelfde locaties te monitoren volgens vaste monstername- en analyseprocedures, te realiseren. Het meetnet is minder gevoelig gebleken om veranderingen in bodemkwaliteit te signaleren dan bij de start was berekend.

Aanbevelingen
Het is raadzaam om de doelstellingen van het LMB te heroverwegen, ook omdat de zware metaalconcentraties dankzij beleidsmaatregelen inmiddels minder grote veranderingen vertonen dan bij de start van het LMB. Aanbevolen wordt om het meetnet hoofdzakelijk in te zetten om de huidige kwaliteit van de bodem te bepalen en daarbij het effect van landgebruik te onderzoeken aan de hand van bodembelastinggegevens van het Landbouw Economisch Instituut (LEI).

Abstract

From 2006 to 2010 the soil quality of the Netherlands was analyzed during the third cycle of the National Soil Quality Monitoring Network (LMB). For this purpose, 200 locations were sampled: 10 combinations of soil type and land use (=category), and 20 locations per category.

Current soil quality
In accordance with the first goal, a survey was made of the soil quality of the ten categories and the categories were compared. Sandy soils under forest have the lowest acidity and the highest aluminium concentration of all categories. Sandy soils under agriculture have a higher pH, probably due to liming. As expected, clay soils contain a larger portion of particles smaller than two micrometers, and peat soils have a higher organic matter content than sandy soils. Clay and peat soils have significantly higher iron, manganese and heavy metal contents than sandy soils. Insecticides such as lindane and dieldrin were mainly found in soils under arable land. Even though these crop protection products are no longer for sale, remnants can still be found.

Changes in soil quality between the first and third cycle
In accordance with the second goal, for each category the changes between the first (1993-1997) and third cycles (2006-2010) were documented. Amongst other things, it was found that especially where sandy soils under forest are concerned, soil and groundwater quality has changed. These soils have become significantly less acidic. Also nitrate, sulphate, chlorine, aluminium, calcium, magnesium, sodium and strontium in groundwater have decreased. This has probably been caused by less acidifying and eutrophicating substances being deposited through the air, a positive consequence of emission policy.

For each category long term analyses show several significant increases and decreases of substances in the soil. Changes in the sampling locations and in procedures used may have interfered with these trend analyses. For example, between the cycles ten to twenty percent of the locations at which samples were taken changed. Similarly, over the years procedures in laboratories sometimes changed, especially for heavy metals. Because of this, it was not possible to realize the original LMB strategy which was to monitor at fixed times and locations, following fixed sampling and analysis procedures. The monitoring program turned out to be less sensitive to observing changes in soil quality than was calculated at the start.

Recommendations
The advice here is to reconsider the goals of the LMB, also because thanks to policy measures, heavy metal concentrations show fewer large changes than at the start of the LMB. It is recommended to apply the monitoring network mainly to determine the current soil quality and furthermore to study the effect of land use, using soil pressure data from the Agricultural Economics Institute (LEI).

Overig

Grootte
12.26MB