How various ventilation rates affect the aerogenic transmission of SARS-CoV-2.A risk assessment using the AirCoV2 model

How various ventilation rates affect the aerogenic transmission of SARS-CoV-2.A risk assessment using the AirCoV2 model

Go to abstract

Samenvatting

Het RIVM heeft berekend wat het effect is van verschillende hoeveelheden ventilatie van binnenruimten op ‘aerogene transmissie’ van het coronavirus SARS-CoV-2. Aerogene transmissie betekent besmettingen met het virus via kleine druppels (aerosolen) die over een grotere afstand dan anderhalve meter en over langere tijd kunnen blijven zweven in de lucht. Ventileren helpt om aerogene transmissie te beperken. Bij ventileren wordt continu verse buitenlucht aan een ruimte toegevoerd waardoor de lucht in een binnenruimte wordt ververst. Vanwege een goed binnenklimaat moeten alle gebouwen in Nederland, waaronder woningen, aan de minimale ventilatie-eisen van het Bouwbesluit voldoen. Het blijkt dat ventilatie volgens de minimale eisen van het Bouwbesluit 2012 voor bestaande gebouwen de kans op aerogene transmissie flink verkleint in vergelijking met niet-ventileren. Nog meer ventileren maakt de kans nog kleiner, maar het effect daarvan is minder groot. Ventilatie neemt het risico op aerogene transmissie nooit helemaal weg. Ook bij heel veel ventilatie, waarbij de binnenlucht bijvoorbeeld elke 2 minuten helemaal wordt ververst, blijft een kans bestaan dat het virus op deze manier wordt overgedragen. Het RIVM heeft voor bepaalde publieke binnenruimtes berekend welk effect ventilatie naar verwachting heeft op het aantal mensen dat ziek wordt. Voorbeelden zijn een nachtclub, een kleine en een grote concertzaal, een klaslokaal, een kantoorruimte en een supermarkt. Ventilatie verkleint het verwachte aantal zieken het meest in de nachtclub en beide concertzalen. Het onderzoek geeft handvatten om beleidskeuzes te maken. Het is niet mogelijk om op basis van de resultaten aan te geven welk risico acceptabel is en wat een optimale hoeveelheid ventilatie is. Hiervoor zijn andere afwegingen nodig tussen aanvaardbare risico’s en eisen aan comfort, de kosten van aanschaf en onderhoud, en energiegebruik. Het is een beleidskeuze om te bepalen welk risico na deze afwegingen acceptabel wordt gevonden. Het gaat in dit onderzoek alleen om het risico op besmetting via aerogene transmissie. Het gaat niet om andere manieren waarop mensen besmet kunnen raken, zoals besmetting binnen anderhalve meter afstand (directe transmissie).

Abstract

The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has calculated how various ventilation rates in indoor spaces affect the ‘aerogenic transmission’ of the coronavirus SARS-CoV-2. Aerogenic transmission means people getting infected with the virus through very small droplets (aerosols). These droplets can stay floating in the air for a long time and can travel distances greater than one-and-a-half metres. Ventilation helps to reduce aerogenic transmission. Ventilation means that fresh air from outdoors flows continually into a space, renewing the air in an indoor space.

In order to create a good indoor climate all buildings in the Netherlands, including homes, must meet the minimum ventilation requirements of the Building Decree (Bouwbesluit). It turns out that if ventilation is carried out in line with the minimum requirements of the Building Decree 2012 for existing buildings, this strongly reduces the chance of aerogenic transmission when compared to no ventilation. An even higher ventilation rate reduces this chance even more, but in this case the extra benefit is not much greater. However, ventilation never completely removes the risk of aerogenic transmission. Even with very high ventilation, with all the indoor air being completely renewed every two minutes, there is still a chance of the virus being transmitted in this way.

RIVM has looked at ventilation for selected types of public indoor spaces, calculating the effect that ventilation can be expected to have on the number of people who will become infected. Examples of the spaces they looked at: a nightclub, a small concert hall, a large concert hall, a classroom, an office space and a supermarket. Ventilation reduced the number of expected sick people most strongly in the nightclub and the two concert halls.

This study provides a basis for making policy choices. However, the results cannot be used to say which risks are acceptable and what an optimum ventilation rate is. For this, other factors need to be weighed up: acceptable risks on the one hand and comfort requirements, costs of buying and maintaining equipment, and energy consumption on the other hand. The policy choice means deciding what risk is seen as acceptable after these factors have been weighed up.

This study only considers the risk of infection through aerogenic transmission. It does not consider other ways in which people can become infected, such as infection at a distance of less than one and a half metres (direct transmission).

Uitgever

Instituut
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM

Overig

Grootte
771 kb