Exploratory study on the quality control and assessment methods used for groundwater quality data in the National Groundwater Quality Monitoring Network (LMG), the Water Framework Directive Groundwater Quality Monitoring Programme (KMG) and the Provincial Groundwater Quality Monitoring Programme (PMG)

Exploratory study on the quality control and assessment methods used for groundwater quality data in the National Groundwater Quality Monitoring Network (LMG), the Water Framework Directive Groundwater Quality Monitoring Programme (KMG) and the Provincial Groundwater Quality Monitoring Programme (PMG)

Go to abstract

Samenvatting

In Nederland bestaan drie monitoringsprogramma's die data verzamelen over de kwaliteit van het grondwater: een van het RIVM (het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit, LMG) en twee van de provincies (het KRW Monitoringsprogramma Grondwaterkwaliteit, KMG, en het Provinciale Monitoringsprogramma grondwaterkwaliteit, PMG). Er wordt aan gewerkt om deze data in één systeem onder te brengen, de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Het is dan ook belangrijk dat de data onderling vergelijkbaar zijn. In dat verband heeft het RIVM in kaart gebracht hoe de data worden gevalideerd. Het bestaande protocol, dat de partijen voor de validatie gebruiken, geeft ruimte voor vrijheden op dit gebied.

Uit de verkenning blijkt dat voor het protocol uiteenlopende software wordt gebruikt om de data te controleren en te beoordelen. Bovendien worden de controle en beoordeling door verschillende partijen uitgevoerd (het RIVM, de provincies of een ingehuurde partij). Ook verschilt de manier waarop de data uiteindelijk worden vastgelegd. Deze constatering heeft geleid tot de afspraak in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit om te komen tot een geautomatiseerde standaard voor de controle en beoordeling van de data. Het is van belang dat dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de partijen die de data aanleveren, de zogeheten bronhouders.

Ondanks deze verschillen kan naar verwachting minstens 90 procent van de data gevalideerd en met voldoende kwaliteitsborging in de BRO worden opgenomen. 5 tot 10 procent behoeft een aanpassing die met feiten kan worden onderbouwd. Ongeveer 2 procent van de data staat dan nog ter discussie. Over dit laatste deel moet een panel van experts afwegen welke informatie in de BRO wordt opgenomen en op welke wijze. Ook voor de behandeling van deze groep data is het belangrijk om tot een uniforme werkwijze te komen.

Abstract

Exploratory study on the quality control and assessment methods used for groundwater quality data in the National Groundwater Quality Monitoring Network (LMG), the Water Framework Directive Groundwater Quality Monitoring Programme (KMG) and the Provincial Groundwater Quality Monitoring Programme (PMG)<br>Three monitoring programmes are used in the Netherlands to collect data on the quality of the groundwater. RIVM operates the National Groundwater Quality Monitoring Network (LMG), while the WFD Groundwater Quality Monitoring Programme (KMG) and the Provincial Groundwater Quality Monitoring Programme (PMG) are operated by the provinces. The groundwater quality data of these programmes are currently being integrated into a single system, the Key Register of the Subsurface (Basisregistratie ondergrond, BRO). It is important that the data are comparable. RIVM has therefore analysed how these data are validated. The validation protocol used by the different organisations, allows some freedom in this respect.

The exploratory study shows that various types of software are used to control and assess the data. Furthermore, the quality control and assessment are carried out by different parties (RIVM, the provinces or a hired party). The way in which the data are ultimately documented also varies. These observations have led to an agreement to develop an automated standard for data control and assessment. It is important that this takes place under the responsibility of the parties delivering the data, that is, the so called source owners.

Despite the above differences, it is expected that at least 90% of the data in the three monitoring programmes can be included in the BRO with sufficient quality assurance. Between 5 - 10% of the data need adjustment that can be underpinned by facts. Around 2% of the data will still need some discussion. A panel of experts will have to decide which of these data should be included in the BRO and, if so, how this should be done. It is also crucial that a uniform method is developed for handling of this data.

Publisher

Instituut
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM

Overig

Grootte
853