The use of biomonitoring and sensoring at the workplace -practical and ethical considerations

The use of biomonitoring and sensoring at the workplace -practical and ethical considerations

Go to abstract

Samenvatting

Met het oog op hun veiligheid worden werknemers zo min mogelijk aan chemische stoffen blootgesteld. Er zijn meerdere methoden om blootstelling te meten. Twee veelbelovende technieken die de huidige meetmethoden kunnen aanvullen, zijn biomonitoring voor de blootstelling in het lichaam en sensoring voor de blootstelling buiten het lichaam. De informatie die deze technieken opleveren kan worden gebruikt om de gezondheid van werknemers beter te beschermen. Zorgvuldigheid in het gebruik van de technieken is geboden. Dat betreft bijvoorbeeld het voldoen aan de privacywetgeving in het omgaan met persoonsgegevens, de beslisruimte die werknemers wordt geboden om meetmethoden toe te staan (zelfbeschikking) of het opleggen van verantwoordelijkheden aan werknemers om hun gedrag aan te passen aan meetuitslagen. Voorwaarde is dat de balans tussen voor- en nadelen van deze metingen voor werknemers positief uitpakt. Dit vraagt om een brede karakterisering van de gevolgen van het gebruik van de technieken vanuit verschillende perspectieven. Om die balans positief uit te laten pakken, is het nodig dat de beschikbare informatie over blootstellingen daadwerkelijk wordt gebruikt.

Dit blijkt uit een studie van het RIVM waarin de praktische en ethische voor- en nadelen ten opzichte van de huidige technieken op een rij zijn gezet. Dit rapport kan afwegingen in de Sociaal-Economische Raad (SER) over de vraag of deze technieken in Nederland meer kunnen worden ingezet, onderbouwen. Beschreven wordt hoe effectief de technieken zijn, in hoeverre ze ingrijpend kunnen zijn en in welk opzicht. Ook is aangegeven wat de rechten, plichten en verantwoordelijkheden zijn van de werknemer, werkgever, bedrijfsarts en de arbeidshygiƫnist (blootstellingsdeskundige). Deze partijen hebben de verantwoordelijkheid om samen te bepalen of de blootstellingsmetingen en maatregelen om blootstelling te beperken 'in redelijke verhouding' staan tot het doel.

Bij biomonitoring worden stoffen gemeten in lichaamsmateriaal zoals bloed of urine. Het wordt in Nederland al op kleine schaal gebruikt, waar dit elders in Europa en in de Verenigde Staten al op grotere schaal gebeurd. Biomonitoring is een goede aanvulling als stoffen moeilijk te meten zijn in de lucht of als mensen vooral via de huid aan stoffen blootstaan. Een nadeel is dat gemeten wordt in lichaamsvloeistoffen. Ook is het aantal stoffen waarvoor meetprotocollen en biologische grenswaarden beschikbaar zijn nog beperkt.

Bij sensoring wordt de blootstelling aan stoffen buiten het lichaam gemeten met kleine elektronische apparaatjes. Voordelen zijn dat ze direct uitslag geven van de metingen en gemakkelijk te dragen zijn. Een nadeel is dat het lastig is om metingen aan specifieke activiteiten van de werknemer te koppelen. Ook zijn ze nog niet geschikt om de blootstelling te toetsen aan grenswaarden.

Abstract

To ensure the safety of workers the exposure to chemical substances should be as low as reasonably possible. There are several ways to measure the exposure. Two promising techniques that could complement current measuring techniques are biomonitoring, to assess internal exposure, and sensoring, to assess external exposure. Information acquired through these methods can be used for worker health protection. Careful application of these techniques is important. This also includes considerations on dealing with private information under privacy law and whether workers should be able to decide for themselves to join measurement campaigns. The balance between pros and cons should be beneficial for the worker. To create a positive balance, it is crucial that the measurement data are indeed used to protect the worker.

This is based on the RIVM research that lists the pros and cons of these techniques with respect to both practical and ethical aspects. The information gathered serves as background information to support discussions within the Social and Economic Council of the Netherlands (SER) about the question whether or not to apply these techniques more prominently in the Netherlands. The report describes how effective biomonitoring and sensoring are (and to what aim), and the extent to which exposure measurements can be intrusive, for instance concerning bodily integrity. In addition, the report addresses the rights, duties and responsibilities of key-actors, such as employers, employees, and health and safety workers (physicians and occupational hygienists). They have a shared responsibility to determine if the exposure measurements and exposure reduction measures are proportional to the goals at hand.

Biomonitoring is used to determine substances in bodily fluids, such as blood or urine, as a measure for exposure. On a small scale it is used in the Netherlands and more often across Europe and in the United States of America. Biomonitoring is very useful for those substances that are difficult to measure in the air or if dermal exposure is the main route of exposure. A disadvantage is that bodily fluids are required. Furthermore, the number of substances for which measurement protocols and biological limit values exist is limited.

Sensoring is used to measure substances using small electronic devices (sensors). The advantages are that the devices provide real-time results and are easy and light weight to wear. A disadvantage is that the measurements are difficult to relate to specific activities of the worker. Also, they are not yet suitable to test exposure to limit values.

Overig

Grootte
1.28MB