Go to abstract

Samenvatting

Het RIVM heeft de GGD-richtlijn Geurhinder uit 2002 herzien. De GGD gebruikt de richtlijn om burgers en overheidsdiensten te adviseren over geursituaties. Bijvoorbeeld of stank gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid, of de gemelde gezondheidsklachten samenhangen met de geur, wat de oorzaak is van de klachten en hoe deze opgelost kunnen worden. Door het stappenplan uit deze richtlijn te volgen wordt duidelijk welke informatie nodig is en welke vragen hiervoor moeten worden beantwoord.

De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij heel lage hoeveelheden die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Wel kunnen geuren verschillende nadelige effecten oproepen, zoals (ernstige) hinder, en ze kunnen het algemene dagelijkse leven beïnvloeden (onder andere verplicht worden ramen te sluiten en niet thuis willen verblijven). Blootstelling aan geur, zeker bij herhaling, kan ook stressgerelateerde gezondheidseffecten oproepen; denk aan hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid.

Er bestaan geen gezondheidskundige normen voor geur, waardoor het niet eenvoudig is om te bepalen hoeveel geur gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd, als er geen of geen ernstige hinder is. Als dat wel het geval is, wordt afgewogen of de situatie aanvaardbaar is. Uitgangspunt hierbij zijn de beleidsdoelstellingen voor hinder. Voor een nadere afweging wordt een handreiking gegeven, die in het stappenplan is opgenomen.

De voornaamste geurbronnen die bij de GGD worden gemeld en in deze richtlijn worden besproken, zijn: bedrijfsmatige activiteiten, intensieve veehouderijen en houtstook van particulieren. Naast het stappenplan komen verschillende technieken aan bod om de blootstelling aan geur te meten en te berekenen. Ook de relatie tussen geurbelasting en hinder en de factoren die hierop van invloed zijn, worden uitgebreid besproken.

De oude richtlijn voldeed niet meer, omdat sinds 2002 de meettechnieken verbeterd zijn. Ook zijn er grote wijzigingen in wet- en regelgeving doorgevoerd in relatie tot geur. Zelfs op dit moment wordt de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv) nog landelijk geëvalueerd, onder andere naar aanleiding van een geurhinderonderzoek uitgevoerd door het IRAS en Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid (Bureau GMV) van de GGD'en Brabant/Zeeland. Dit kan aanleiding vormen voor een wijziging van de Wgv, de normstelling en de beoordeling van geursituaties door de GGD. Daarom is het onderdeel 'veehouderij en geur' in een apart elektronisch document geplaatst. Op die manier kan dit onderdeel op een later tijdstip eenvoudig herzien worden. Dit onderdeel blijft wel integraal onderdeel van de richtlijn.

De richtlijn werd gefinancierd door het ministerie van VWS en opgesteld in samenwerking met de GGD'en.

Abstract

The Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has revised a guideline on odour nuisance dating back to 2002 which is used by regional and municipal health authorities (Gemeentelijke Gezondheidsdiensten, GGDs) to advise government services and members of the public on odour nuisance. It covers such matters as the potential health impact of odours, possible connections between reported health problems and odours, possible causes of these health problems, and how they can be resolved. By following the stepby- step plan included in the guideline, clarity can be obtained about the information required and the questions that need to be answered.

Most aromatic substances can already be perceived at very low concentrations that are not harmful to health. However, odours can produce various adverse effects including (serious) nuisance, and can have an impact on daily life (e.g. needing to close doors and windows, and unwillingness to stay at home due to an unpleasant odour). Repeated exposure to odours can also lead to stress-related health effects such as headache, dizziness, nausea and fatigue.

Because there are no medical standards for odour nuisance, it is difficult to determine which odour level is still acceptable from a medical point of view. Situations are considered medically acceptable if there is no (serious) nuisance. If (serious) odour nuisance does occur, an assessment is performed to determine if the situation is acceptable, based on the general policy objectives for nuisance. Guidance for performing further assessments has been included in the step-by-step plan.

The main sources of odour reported to regional and municipal health authorities and discussed in the guideline are industrial activities, intensive livestock farming, and the burning of wood by private citizens. In addition to the step-by-step plan, the guideline also describes various methods for measuring and calculating odour exposure. The relationship between odour levels and nuisance and the factors that influence perceived nuisance levels are also discussed extensively.

The old guideline was no longer fit for purpose because measurement methods have improved since 2002. In addition, the legislation on odour nuisance has been amended significantly. The Odour Nuisance and Livestock Farming Act (Wet geurhinder en veehouderijen, WGV) is currently being reviewed further to an odour nuisance study performed by the Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) and the Safety, Health & Environment Office of the regional and municipal health authorities in the provinces of North Brabant and Zeeland. This review may result in amendments to the Act and adjustments to the applicable standards and the assessment of odour nuisance by the regional and municipal health authorities. The section on livestock farming and odour nuisance has therefore been included in a separate electronic document to facilitate revisions at a later date. However, this section will remain an integral part of the guideline.

The guideline was financed by the Ministry of Health, Welfare and Sport, and drawn up in collaboration with the regional and municipal health authorities.

Overig

Grootte
2.24MB