The monitoring of radioactive discharge from non-nuclear facilities

The monitoring of radioactive discharge from non-nuclear facilities

Go to abstract

Samenvatting

Ondernemers hebben een vergunning nodig om radioactiviteit te mogen lozen naar lucht, oppervlaktewater en/of riool. Voorbeelden zijn ziekenhuizen, universiteiten en industrie. De vergunninghouders moeten aantonen dat de hoeveelheid radioactiviteit die zij lozen binnen de toegestane hoeveelheid blijft. Het RIVM heeft de mogelijkheid onderzocht om vergunninghouders op een uniforme manier monitoring te laten doen. Aanleiding voor dit onderzoek is de in 2018 herziene wetgeving.

Een mogelijke aanpak is om het monitoren van lozingen in drie categorieën in te delen:
Vergunninghouders zijn ook wettelijk verplicht om er alles aan te doen de lozingen van radioactief materiaal zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden (optimalisatie). Uit dit onderzoek blijkt dat er enigeoptimalisatie plaatsvindt, en dat er maatregelen genomen worden om de lozingen te beperken. Vergunninghouders gaven aan dat de daadwerkelijke lozingen veel lager zijn dan de vergunde lozingen.
1.Lozingen hoeven niet te worden gemonitord zolang de verwachte dosis van de vergunde lozing onder de 10 µSv per jaar blijft. In dit geval kan de lozing op basis van de ingekochte hoeveelheid worden bepaald.
2.Bij een hogere verwachte dosis, vanaf 10 µSv per jaar, moeten vergunninghouders met berekeningen aantonen dat zij de lozingslimiet niet overschrijden. Maatregelen om de lozingen te beperken, zoals filters, worden in de berekening meegenomen.
3.Bij lozingen net onder de dosisbeperking moet met metingen worden aangetoond dat de lozingen onder de vergunde lozingslimiet blijven.

Vergunninghouders zijn ook wettelijk verplicht om er alles aan te doen de lozingen van radioactief materiaal zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden (optimalisatie). Uit dit onderzoek blijkt dat er enigeoptimalisatie plaatsvindt, en dat er maatregelen genomen worden om de lozingen te beperken. Vergunninghouders gaven aan dat de daadwerkelijke lozingen veel lager zijn dan de vergunde lozingen.

Abstract

Facilities such as hospitals, universities and industrial premises, need a licence to discharge radioactivity into air, surface water and sewagesystems. Licence holders have to demonstrate that the amount of radioactivity they are discharging does not exceed the limits. RIVM has researched the possibility of determining a uniform way of monitoringthis discharge. The motivation for this research was the revision of the regulations which took place in 2018.

One possible approach is to classify the monitoring of discharges into three categories:
1.If the size of the discharge is expected to be below 10 µSv per year, then the discharge does not have to be monitored. In this case, the discharge can be determined on the quantity of radioactive material purchased.
2.If the size of the discharge is expected to be larger than 10 µSv per year, then licence holders must demonstrate, with calculations, that they did not exceed the di scharge limit. Measures taken to decrease the discharges, such as the use of filters, must be included in the calculations.
3.If the size of the discharge is just below the dose constraint, then measurements should demonstrate that the discharges remain below the authorised discharge limits.

License holders are also legally obliged to keep discharges of radioactive material as low as is reasonably possible (optimisation). This research shows that some optimisation is taking place and that measures are being taken to limit discharges. Licence holders indicated that their actual discharges are much lower than their authorised discharges.

Publisher

Instituut
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM

Overig

Grootte
1077 kb