Wat en waarom?

Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet rakenː via voedsel of water of lucht, en via direct contact met besmette dieren of besmet dierlijk materiaal zoals mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht.

Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu doet onderzoek over de volle breedte van dit terrein om risico’s te kunnen inschatten en effecten van maatregelen en leefstijl te kunnen zien. Die kennis maakt het mogelijk deze ziekten te voorkomen en te bestrijden. Zo wordt onderzoek gedaan naar aandoeningen die door teken worden overgedragen, zoals de ziekte van Lyme. Deze ziekte wordt veroorzaakt door de Borrelia-bacterie. Maar er zijn verschillende Borrelia-soorten die verschillende symptomen bij mensen veroorzaken, variërend van koorts tot neurologische klachten. Door te onderzoeken of bepaalde Borrelia soorten specifiek bij bepaalde dieren voorkomen, kunnen gerichtere maatregelen worden genomen om ziekte te voorkomen.

Ander onderzoek betreft de risico’s van zoönosen die via wilde dieren op de mens worden overgedragen. Het RIVM heeft aangetoond dat bij vossen een lintworm (Echinococcus multilocularis) voorkomt die een ernstige ziekte bij mensen kan veroorzaken. Vervolgens is m.b.v. een rekenkundig model geschat wanneer de eerste patiënten konden worden verwacht.

In diverse onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen worden ook de risico’s van zoönosen via de leefomgeving meegenomen. Q-koorts, veroorzaakt door de Coxiella-bacterie, is een voorbeeld van een zoönose die door de lucht kan worden overgedragen.

Door zwemmen kunnen mensen de bekende zwemmersjeuk oplopen. Wanneer zij met de zoönotische Trichobilharzia in aanraking komen krijgen ze daar bulten van. Dit is een van de meest voorkomende klachten bij zwemwater in Nederland, en het RIVM adviseert over mogelijke maatregelen. 

Hoe en met wie?

Naast onderzoek en risicoschattingen signaleert het RIVM bedreigende ziektes die van dieren afkomstig zijn. Hiertoe is een overlegstructuur ingericht, waarin elke maand experts uit het medische en veterinaire veld samenkomen om nieuwe signalen te bespreken. Daarnaast adviseert het RIVM beleid, toezicht en professionals over dier-, voedsel-, milieu- en natuur-gerelateerde infectieziekten.

Zoönosen begeven zich per definitie op het grensvlak van mensen, dieren en het milieu. Daarom werkt het RIVM met vele partners samen op velerlei expertiseterreinen in binnen- en buitenland. Voorbeelden zijn Wageningen Bioveterinary Research (WBVRWageningen Bioveterinary Research), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWANederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), GGDGemeentelijke Gezondheidsdienst, Gezondheidsdienst voor dieren (GDGezondheidsdienst voor Dieren), de faculteit Diergeneeskunde bij de Universiteit Utrecht en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRASInstitute of Risk Assessment Sciences) aldaar, Dutch Wildlife Health Centre (DWHCDutch Wildlife Health Centre), European Centre for Disease Prevention and Control  (ECDCEuropean Centre for Disease Prevention and Control), de European Food Safety Authority (EFSAEuropese Voedselveiligheidsautoriteit), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), en de World Organisation for Animal Health / Office International desdiëthylstilbestrol is een kunstmatig vrouwelijk hormoon Epizooties (OIEWorld Organisation for Animal Health).  Het RIVM is WHO Collaborating Centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water, EUEuropean Union -referentielaboratorium (EURL) voor Salmonella en nationaal referentielaboratorium (NRL) voor diverse voedseloverdraagbare bacteriën en zoönotische parasieten.