Jaarlijks presenteert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de landelijke trends van seksueel overdraagbare aandoeningen ( soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening)) in Nederland in een soa/hivhumaan immunodeficientievirus jaarrapport. (1) Hierin worden cijfers gepresenteerd van de centra seksuele gezondheid ( CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid)) en van andere registratiebronnen voor soa en/of hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus), zoals de huisartsendata van het NIVEL Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) en data van Stichting HIV humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) Monitoring. In dit artikel worden de belangrijkste bevindingen uit het jaarrapport van 2016 samengevat. Het volledige rapport is beschikbaar via www.rivm.nl/soahiv.

ib decenber 2017

Auteurs: M. Visser, F. van Aar, A.A.M. van Oeffelen, I.V.F. van den Broek, E.L.M. Op de Coul, S.H.I. Hofstraat, J.C.M. Heijne, C. den Daas, B.M. Hoenderboom, D.A. van Wees, M. Basten, P.J. Woestenberg, H.M. Götz, B.H.B. van Benthem

Infectieziekten Bulletin, jaargang 28, nummer 10, december 2017

Soaconsulten

In 2016 zijn bij de CSG Centrum Seksuele Gezondheid (Centrum Seksuele Gezondheid) in totaal 143.139 soa seksueel overdraagbare aandoening (seksueel overdraagbare aandoening) consulten geregistreerd, een toename van 5% ten opzichte van 2015 (Figuur 1). Bij de CSG kunnen mensen die tot een hoogrisicogroep behoren zich volgens een landelijk afgestemd triagesysteem kosteloos op soa laten testen. Tot deze groepen behoren onder andere, MSM mannen die seks hebben met mannen (mannen die seks hebben met mannen) (mannen die seks hebben met mannen), personen die voor een soa gewaarschuwd zijn door een (ex-)partner, personen met aan soa gerelateerde klachten, en jongeren onder de 25 jaar. Net als in voorgaande jaren werden landelijk de meeste soa consulten door de huisarts uitgevoerd: in 2015 waren er naar schatting 266.000 aan soa gerelateerde episodes bij huisartsen (data van 2016 zijn nog niet beschikbaar). Dit is een lichte daling ten opzichte van 2014.

Het percentage consulten op de CSG waarbij 1 of meerdere soa werden gediagnosticeerd is gestegen van 17,2% in 2015 naar 18,4% in 2016 (Figuur 1). Deze stijging was het sterkst onder vrouwen en heteroseksuele mannen, maar ook onder MSM is de laatste jaren een lichte stijging in het vindpercentage te zien: van 19,4% in 2010 naar 21,2% in 2016. De groepen waar de hoogste soavindpercentages werden gezien waren hivpositieve personen (34,6%) en personen die gewaarschuwd waren voor een soa (31,7%). Partnerwaarschuwing is erg belangrijk voor het opsporen van infecties. Van alle heteroseksuele mannen met een soa op de CSG in 2016 was 44,7% gewaarschuwd door een partner. Ook onder vrouwen en MSM was het aantal soa dat ontdekt werd via partnerwaarschuwing relatief hoog (35,2% en 34,2%).

Dit jaar zijn in het jaarraport voor het eerst ook figuren over verschillen tussen regio’s in karakteristieken van de CSG-bezoekers, het aantal testen, en soavindpercentages opgenomen. Zo bleek GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Gemeentelijke Gezondheidsdienst) Amsterdam het hoogste aantal consulten per 1.000 inwoners te zien (45/1.000). Voor de andere CSG varieerde dit aantal tussen de 3 en de 15 consulten per 1.000 inwoners.


 

Figuur 1. Totaal aantal testen en het percentage positieve testen* bij de CSG naar geslacht en seksuele voorkeur, 2007-2016

* Positieve testen voor Chlamydia-infectie, gonorroe, infectieuze syfilis, hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus), en infectieuze hepatitis B


Chlamydia-infectie

Net als in voorgaande jaren waren Chlamydia-infecties de meest voorkomende bacteriële soa bij de CSG in 2016 werden er 20.698 gediagnosticeerd. Het vindpercentage steeg van 13,7% in 2015 naar 14,5% in 2016. Vindpercentages waren hoger onder vrouwen en heteroseksuele mannen (15,3% en 18,0%, respectievelijk) dan bij MSM (10,0%) (Figuur 2). Het aantal Chlamydia-infecties bij huisartsen werd voor 2015 op 35.400 geschat, een lichte stijging ten opzichte van 2014. Het aantal infecties per 1.000 inwoners bleef echter stabiel met 2,1/1.000 in 2015 ten opzichte van 2,0/1.000 in 2014.

Een opvallende bevinding is de toename van het aantal diagnoses van lymphogranuloma venereum ( LGV Lymphogranuloma venereum (Lymphogranuloma venereum), een agressieve variant van Chlamydia-infectie) bij de CSG. Vooral onder hivnegatieve MSM steeg het aantal diagnoses sterk; van 65 in 2015 naar 109 in 2016. Het percentage LGV-positief onder de geteste MSM met een anale Chlamydia-infectie was 9,2% in 2016, vergeleken met 6,7% in 2013.

Gonorroe

In 2016 werd er bij de CSG 6.092 keer gonorroe gediagnosticeerd, een toename van 13% ten opzichte van 2015. Het vindpercentage bij vrouwen en heteroseksuele mannen ligt voor gonorroe stabiel rond de 1,5%, maar steeg onder MSM van 10,7% in 2015 naar 11,3% in 2016 (Figuur 2). In totaal werd driekwart van alle gonorroediagnoses vastgesteld bij MSM. Opmerkerlijk is ook dat het gonorroevindpercentage onder MSM sinds 2015 hoger is dan dat van Chlamydia-infecties. Het aantal geschatte gonorroe-episodes bij de huisarts was 7.900 in 2015.

In Nederland is nog geen resistentie tegen ceftriaxon, het huidige eerstekeusantibioticum voor de behandeling van gonorroe, gerapporteerd. Wel nam resistentie tegen azithromycine toe van 11,0% in 2015 naar 13,8% in 2016. Monitoring van antibioticaresistentie blijft van groot belang, zeker gezien de gerapporteerde toename van resistentie tegen derdegeneratiecefalosporines in Europa en wereldwijd. (2)

Syfilis

Het aantal syfilisdiagnoses bij de CSG is met 30% gestegen in 2016, naar 1.223 infecties. Van deze diagnoses was 95% vastgesteld bij MSM. Het syfilisvindpercentage neemt al een aantal jaar toe onder hivpositieve MSM; van 4,5% in 2011 tot 8,4% in 2016. De laatste jaren is echter ook het percentage syfilisdiagnoses onder hivnegatieve MSM langzaam aan het toenemen (van 1,4% in 2013 tot 2,0% in 2016). Vindpercentages onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleven zeer laag (respectievelijk 0,07% en 0,19%) (Figuur 2).

Hiv humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus)

Bij de CSG zijn in 2016 285 nieuwe hivdiagnoses vastgesteld, vrijwel evenveel als in 2015 (288). Van deze diagnoses was 93% MSM. Het hivvindpercentage onder MSM neemt sinds 2007 af:van 2,8% in 2007 tot 0,8% in 2016. Bij heteroseksuele mannen en vrouwen is het vindpercentage lager dan 0,1% (Figuur 2). De hoogste hivvindpercentages werden gezien bij MSM die gewaarschuwd waren voor hiv door een (ex-)partner (3.9%). Bijna een derde van alle hivdiagnoses onder MSM werden gesteld bij mannen die waren gewaarschuwd voor hiv.

In 2016 zijn er bij de Stichting HIV humaan immunodeficientievirus (humaan immunodeficientievirus) Monitoring ( SHM the HIV Monitoring and HIV Treatment Centres Foundation (the HIV Monitoring and HIV Treatment Centres Foundation)) 976 nieuwe hivpatiënten aangemeld in zorg, waarvan 666 nieuw gediagnosticeerd in 2016 (aantal kan nog oplopen door rapportagevertraging). In totaal waren er eind 2016 19.137 hivpatiënten in zorg geregistreerd. Hiervan was 62,3% MSM. Van de patiënten die in 2016 gediagnosticeerd waren, presenteerde 46% zich laat in zorg (met CD4 cluster of differentiation 4 (cluster of differentiation 4)<350/mm3 of aids). MSM komen minder vaak laat in zorg (35%) dan heteroseksuele mannen of vrouwen (57% en 51%, respectievelijk). Naar schatting waren in 2015 88% van alle personen met hiv in Nederland gediagnosticeerd en in zorg. Van hen was 88% gestart met behandeling en daarvan had 93% een onderdrukte virale lading.


 

 

Figuur 2. Totaal aantal testen en het percentage positieve testen voor Chlamydia-infectie, gonorroe, syfilis en hiv bij de CSG naar geslacht en seksuele voorkeur, 2016


Genitale wratten en genitale herpes

Veruit het grootste deel van de genitalewratten- en genitaleherpesdiagnoses wordt bij de huisarts gesteld. In 2015 waren er naar schatting 36.800 diagnoses van genitale wratten en 20.500 diagnoses van genitale herpes bij huisartsen. Het aantal diagnoses bij de CSG lag een stuk lager: in 2016 werden er 1.785 genitalewrattendiagnoses en 519 genitaleherpesdiagnoses gesteld. Bij de CSG wordt echter geen routinematig onderzoek verricht naar genitale wratten en genitale herpes, waardoor het aantal diagnoses niet vergelijkbaar is met die van de bacteriële soa en hiv.

Hepatitis B en C

In 2016 zijn er in totaal 109 hepatitis B-diagnoses gesteld bij de CSG, dit betreft zowel acute als chronische infecties. In het kader van de meldplicht, waarin meldingen zitten van de CSG maar ook van andere bronnen, werden er 109 meldingen van acute hepatitis B gedaan in 2016. Seksueel contact was de meest voorkomende transmissieroute (64%).

Het aantal acute hepatitis C-meldingen is gedaald van 67 in 2015 naar 44 in 2016. Onbeschermd seksueel contact tussen mannen was de meest gerapporteerde transmissieroute. Van de 44 meldingen waren 30 van MSM, en daarvan was 90% hivpositief.

Conclusies

Het aantal soaconsulten bij de CSG is na een daling in 2015, in 2016 weer toegenomen tot het niveau van 2014. Ook het percentage consulten waarbij een soa werd gediagnosticeerd nam toe tot 18,4%. Het aantal diagnoses van chlamydia-infectie, gonorroe en syfilis nam toe. Het aantal hivdiagnoses bleef stabiel ten opzichte van 2015. Een mogelijke verklaring voor de stijgingen in het aantal soa en de vindpercentages bij vrouwen en heteroseksuele mannen, is de prioritering van personen die de zorg van de CSG het meest nodig hebben. Het dalende aantal soaconsulten bij huisartsen zou erop kunnen wijzen dat personen die op dit moment geweigerd worden bij de CSG zich niet in plaats daarvan bij de huisarts laten testen, maar elders of helemaal niet. Intensieve soasurveillance blijft belangrijk om zicht te houden op de hoogrisicogroepen. Verder zijn ook de stijgende aantallen gonorroe, syfilis en LGV onder MSM opvallende trends. Aanvullend onderzoek en goede surveillance blijft nodig om deze toenemende trends te verklaren en nog effectievere preventiemaatregelen uit te kunnen voeren. Uit de hoge soavindpercentages onder gewaarschuwde personen blijkt dat ook partnerwaarschuwing erg belangrijk is voor het opsporen van infecties. Meer inzet op preventie van soa, zoals het promoten van condoomgebruik, het tijdig testen en behandelen na risicovolle seks, en het tijdig en volledig waarschuwen van huidige partners en ex-partners, is nodig om soatransmissie te verminderen.

Auteurs

M. Visser, F. van Aar, A.A.M. van Oeffelen, I.V.F. van den Broek, E.L.M. Op de Coul, S.H.I. Hofstraat, J.C.M. Heijne, C. den Daas, B.M. Hoenderboom, D.A. van Wees, M. Basten, P.J. Woestenberg, H.M. Götz, B.H.B. van Benthem, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM

Correspondentie

Maartje.Visser@rivm.nl

Literatuur

  1. Visser M, van Aar F, van Oeffelen AAM, van den Broek IVF, Op de Coul ELM, Hofstraat SHI, et al. Sexually transmitted infections, including HIV, in the Netherlands in 2016. Bilthoven: National Institute for Public Health and the Environment; 2017. Report No.: 2017-0003.
  2. Wi T, Lahra MM, Ndowa F, Bala M, Dillon JR, Ramon-Pardo P, et al. Antimicrobial resistance in Neisseria gonorrhoeae: Global surveillance and a call for international collaborative action. PLoS Plos One (Plos One) Med. 2017;14(7):e1002344.