Floor Haalboom promoveerde onlangs op haar historisch onderzoek naar zoönosen en het beleid in de twintigste eeuw. Ze onderzocht de relatie tussen de domeinen landbouw en volksgezondheid (bestaande uit de betreffende ministeries, maar ook deskundigen en het georganiseerde bedrijfsleven), en de disciplines diergeneeskunde en geneeskunde. Ze keek hiervoor naar: rundertuberculose, influenza, salmonellose en  BSE Bovine Spongiforme Encephalopathie, de zogenaamde ‘gekkekoeienziekte (Bovine Spongiforme Encephalopathie, de zogenaamde ‘gekkekoeienziekte)Bovine Spongiforme Encephalopathie, de zogenaamde ‘gekkekoeienziekte (bovine spongiform encephalopathie).

ib decenber 2017

Auteur: K. Kosterman

Infectieziekten Bulletin, jaargang 28, nummer 10, december 2017

Waarom keek je specifiek naar die vier ziekten?

Ik zocht ziekten die in die periodes heel groot, belangrijk of nieuw waren. Rundertuberculose ( tbc Tuberculose (Tuberculose)) was in de eerste helft van de twintigste eeuw de belangrijkste infectieziekten. Het debat hoe runder-tbc zich verhield tot humane tbc was in die tijd heel groot.

Influenza is meer een uitzonderingsvoorbeeld van de vier ziekten. Ten tijde van de Spaanse griep stond de medische wetenschap machteloos, maar influenza laat wel mooi zien hoe het virologisch onderzoek opkwam. Bovendien kun je goed zien dat zowel artsen en dierenartsen gezamenlijk onderzoek naar de griep doen. Het volksgezondheidsdomein was in die tijd vooral geïnteresseerd in de problemen die ziekten bij mensen konden veroorzaken. Zelfs de in influenza geïnteresseerde dierenartsen richtten zich in die tijd meer op de humane virussen dan op de dierlijke virussen.

Heb je daar een verklaring voor?

Aan het begin van de 20e eeuw was diergeneeskunde nog geen wetenschappelijke discipline. De veeartsenijschool was ook nog geen hoger onderwijs. De dierenartsen liepen dus min of meer met een minderwaardigheidscomplex rond. Ze zochten naar erkenning van de diergeneeskunde en daarvoor was veterinaire expertise in humaan-medische problematiek van groot belang. Die erkenning is overigens tot op de dag van vandaag nog belangrijk.

Waarom koos je als derde ziekte voor salmonellose?

Die ziekte kwam steeds meer voor toen de intensieve veehouderij opkwam en is daarom een mooi voorbeeld van een zoönose. In de jaren 1950 tot 1970 zie je dat volksgezondheid verontwaardigd is over de macht die het landbouwdomein heeft. De discussie spitst zich in die periode toe op het veevoer. De import van grote hoeveelheden goedkoop veevoer maakte het veehouderijbedrijven mogelijk om razendsnel te intensiveren. Maar met het veevoer kwamen ook allerlei nog onbekende Salmonella-bacteriën het land binnen. Het volksgezondheiddomein wilde dan ook dat het veevoer door de overheid gesteriliseerd zou worden. Het landbouwdomein vond de kosten te echter hoog en betwijfelde ook het gezondheidsrisico. De georganiseerde landbouw mocht uiteindelijk zelf bepalen of ze het veevoer zouden steriliseren of niet.


 

Foto Floor Haalboom (copyright Universiteit Utrecht, afdeling Multimedia)


Tot slot keek je nog naar BSE Bovine Spongiforme Encephalopathie, de zogenaamde ‘gekkekoeienziekte (Bovine Spongiforme Encephalopathie, de zogenaamde ‘gekkekoeienziekte)

Klopt. De BSE-crisis was uniek omdat voor het eerst de Europese Unie grootschalig ingreep in het Nederlandse landbouwbeleid, in 2001. De landbouwsector was echt geschokt over de strengheid van de maatregelen. De meest ingrijpende maatregel was dat er geen dierlijk afval meer aan landbouwhuisdieren gevoerd mocht worden. Een maatregel met gigantische gevolgen waar Nederland verontwaardigd over was. Het bijzondere aan situatie was dat Nederland op dat moment al veel drastische maatregelen tegen BSE had genomen. Die waren door de georganiseerde landbouwsector ingevoerd, omdat men BSE als een mogelijk probleem voor de Nederlandse export zag. Er was nauwelijks aandacht voor de gevolgen van BSE vanuit het volksgezondheidsdomein. Dit liet de bestrijding van BSE onder koeien over aan het landbouwdomein.

Na de BSE-crisis werden alle verantwoordelijkheden van de Europese Unie met betrekking tot zoönosen geschaard onder het beleid voor consumentenrechten. In Groot-Brittannië werden zoönosen ondergebracht bij het ministerie van Volksgezondheid en in Nederland verschoven de verantwoordelijkheden in 2003 precies andersom: naar het ministerie van Landbouw.

Wat is je voornaamste conclusie na het onderzoeken van deze vier historische voorbeelden?

In het begin van mijn promotietraject keek ik naar de disciplines geneeskunde en diergeneeskunde, maar al snel verschoof mijn aandacht naar de bredere domeinen van volksgezondheid en landbouw. Het landbouwdomein was in de 20e eeuw dominant wat betreft het inrichten van het beleid rondom de zoönosen. Volksgezondheid had meer secundaire verantwoordelijkheid en kreeg bijvoorbeeld voedselveiligheid toegewezen. De Volkskrant vertaalde dat in september 2017 in de kop: 'Het boerenbelang is belangrijker dan de volksgezondheid.' Voor een groot deel van de 20e eeuw is dat misschien wel waar, maar in de laatste decennia van de 20e eeuw is dat niet meer het geval. In de laatste decennia is de macht van de boeren wel geslonken, bijvoorbeeld door de komst van supermarkten. Maar de exportbelangen zijn nog steeds groot en invloedrijk.

Wat vind je van One Health?

Niemand kan tegen betere samenwerking zijn. Maar goed met elkaar samenwerkende dierenartsen en artsen lossen geen problemen op van botsende belangen. Helemaal niet als die niet direct met die twee disciplines te maken hebben. In mijn analyse van Salmonella kun je zien dat in zowel het landbouwkamp als in het volksgezondheidskamp artsen en dierenartsen heel goed met elkaar samenwerkten. Beide in hun eigen domein, maar de botsende belangen bleven bestaan. De oproep dat er meer samengewerkt moet worden tussen de geneeskunde en diergeneeskunde is ook eigenlijk helemaal niet nieuw. Dat roept men al de hele 20e eeuw en daar zijn allerlei historische redenen voor. Maar in feite is de samenwerking tussen die twee disciplines niet bepalend voor het zoönosenbeleid: het gaat om de machtsverhoudingen tussen de domeinen volksgezondheid en landbouw en daarmee om politieke vragen. In al mijn historische voorbeelden zie je steeds een discussie over de afweging tussen economische belangen en volksgezondheid.

Hoe kijk je terug op je promotietijd?

Met veel plezier. Het is toch een enorm voorrecht dat je jarenlang mag onderdompelen in een bepaald onderwerp. Ik kreeg veel vrijheid van mijn begeleiders. Ik genoot ook enorm van het feit dat ik een ongewoon vak heb binnen de geneeskunde en diergeneeskunde, namelijk geschiedenis. Iedereen wil dan weten waar je mee bezig bent, waarom dat belangrijk is en hoe je dat je doet.

Auteur

K. Kosterman, hoofdredacteur Infectieziekten Bulletin

Correspondentie

kevin.kosterman@rivm.nl